Archieven

 295 Heerlijkheid Eethen en Meeuwen, 1334 - 1865
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Historisch overzicht
295 Heerlijkheid Eethen en Meeuwen, 1334 - 1865
Inleiding
Historisch overzicht
De heerlijkheid Eethen en Meeuwen, gelegen in het land van Heusden en Altena, maakte eertijds deel uit van de grotere heerlijkheid Heusden. Door schenkingen en verdeling van de heerlijkheid onder de zonen van de heren van Heusden, verbrokkelde deze in kleinere eenheden. In de jaren rond 1300 ontstond er een conflict tussen de graaf van Holland en de hertog van Brabant omtrent de leenroerigheid van Heusden. Het conflict eindigde, voorlopig, in 1318 met de arbitrale uitspraak van de hertog van Gulik, die uitsprak dat Heusden in leen gehouden werd van Kleef, dat weer een Brabants leen was. *  Volgens graaf Willem III van Holland had toen ene Jan van Drongelen recht op de heerlijkheid van Eethen en Meeuwen, waar de van Drongelens reeds vroeger bezittingen hadden. * 
In 1322 werd de jurisdictie over Eethen en Meeuwen aan Jan van Drongelen ontzegd; hertog Jan III zou daar zelf over mogen beschikken.
In datzelfde jaar beleende hij Jan van Heusden met de heerlijkheid. Doch, een nieuw geschil rees en had uiteindelijk tot gevolg dat hertog Jan III in 1334 Jan van Drongelen beleende met de lage rechtsmacht van Eethen, Meeuwen en Drongelen en de hoge rechtsmacht van Eethen en Meeuwen. *  De Brabantse successie-oorlog, na het overlijden van Jan III, maakte een voorlopig eind aan de Brabantse aanspraken in het land van Heusden. Het gebied kwam in 1355/56 onder de graven van Holland. Deze, en sinds 1581 de staten van Holland, traden als leenheer van de heerlijkheid op. Bij Koninklijk Besluit van 10 februari 1815 ging het Land van Heusden en Altena over naar Braband, waarmee de Hollandse aanspraken vervielen. * 
Volgens de leenakte van 1334 was de hoge heerlijkheid Eethen en Meeuwen verbonden met de lage heerlijkheid Drongelen. Pas later, in 1567, werd Drongelen een zelfstandige heerlijkheid. * 
Ook Babiloniënbroek was vanaf 1435 verenigd met Eethen en Meeuwen, hoewel dit aanvankelijk niet meer dan de titel betrof. Sinds 1724 kon de heer van Eethen en Meeuwen daar enige rechten laten gelden, onder andere het recht van aanstelling van bestuurders. Tevoren waren die rechten uitgeoefend door de drost van Heusden. De heerlijke rechten bleven in handen van de rentmeester van de Hollandse domeinen. *  In 1832 werd Babiloniënbroek door verkoop afgescheiden.
Omstreeks het midden der 14e eeuw was men begonnen met de bouw van het kasteel te Meeuwen op de samenvloeiing van een zijtak van het Oude Maasje en de rivier de Dusse. In 1355 droeg heer Jan van Drongelen dit kasteel op aan de graaf van Holland, van wie hij het als een onversterfelijk erfleen terugkreeg. *  De 32 morgen hofland, in de nabijheid van het kasteel, bleef als allodiaal bezit in handen van de van Drongelens. Vele honderden jaren was het kasteel de residentie van de heren en vrouwen der heerlijkheid.
Na een eeuw in het bezit geweest te zijn van de familie van Drongelen, werd de heerlijkheid in 1434 verkocht aan ridder Dirk van de Merwede. Vervolgens kwam de heerlijkheid via de families van Ranst, Millinck en van Assendelft in 1608 in het bezit van het geslacht van Leefdael. Hier ging een proces voor het hof van Holland tussen Philips van Leefdael en Jan van Wittenhorst, als erfgenaam van Aleid van Assendelt, aan vooraf. Uit de processtukken blijkt onder meer dat het kasteel in een ernstige staat van verval was geraakt. * 
In 1701 werd de toenmalige heer, Philips van Leefdael, failliet verklaard en gemeld wordt dat hij, uit angst voor zijn schuldeisers, op de vlucht sloeg. Als curator over de failliete boedel werd daarop Cornelis van Brandwijk aangesteld. In een openbare verkoop verkocht deze de heerlijkheid voor de som van 34.000 gulden in 1702 aan Diderik van Hemert, burgemeester van Heusden. * 
Diderik werd op 23 maart 1702 door de staten van Holland met de heerlijkheid beleend.
Vervolgens ging de heerlijkheid in 1754 over op de familie van Bleyswijk. In 1832 kocht de heer Gerrit Vermeulen uit Waspik de heerlijkheid, waardoor een eind was gekomen aan 5 eeuwen adellijke heren. Zijn erfgenamen verkochten in 1844 de heerlijkheid aan de Bossche fabrikant Hendrik Willem Bosch. Deze liet in 1846 het kasteel afbreken. Volgende verervingen en verkopen betroffen niet meer dan het landgoed en enkele overgebleven rechten, onder andere het jachtrecht. De eigenlijke heerlijkheid was toen al opgehouden te bestaan.
Het plaatselijk bestuur van Eethen en Meeuwen stond onder leiding van een drossaard. Hij fungeerd in de eerste plaats als voorzitter van het plaatselijk gerecht. Bij de behandeling van criminele zaken vormde de drossaard, samen met de 7 schepenen van elk der beide dorpen, een zogenaamde vierschaar. Plaats van rechtshandeling was het rechthuys te Meeuwen. Het vonnis werd gewezen ten overstaan van de heer of, bij diens absentie, in zijn naam. In civiele zaken traden de schepenbanken van elk dorp apart als rechtbank op.
Daarnaast bekleedde de drossaard, zeker in 1754, het ambt van rentmeester. Voor de uitoefening van die functie genoot hij jaarlijks een traktement van 50 gulden. Bovendien had hij recht op regten, emolumenten, boeten, profijten, tractementen, peenen en breucken als daertoe van outs sijn staende. *  De helft van de boetes, confiscaties en gewin op dobbelgelt moest hij aan de heer afstaan. Samen met schepenen en heemraden verrichtte de drossaard de schouwen; inspecties van overheidswege van dijken, land- en waterwegen. Dit schouwcollege diende toezicht te houden op naleving van de plaatselijke en landelijke keuren.
Centrale figuur binnen de administratie van de heerlijkheid was de secretaris. Alle akten, behalve de leenakten, werden door hem opgemaakt en afgeschreven. Tot zijn takenpakket behoorde verder het aanwezig zijn in de vierschaar en het geven van advies aan de heer bij beheers- en bestuurlijke aangelegenheden. *  Waarschijnlijk was dat het gevolg van het feit dat, terwijl de heer vaak van elders afkomstig, de secretaris inheems was. Uit de briefwisseling tussen hem en de heer kunnen we opmaken dat hij in een vertrouwelijke relatie met de heer stond.
Hoofd van de leenkamer was de stadhouder van de lenen. Hij was rechter bij leenzaken, stelde de leenakten op en droeg zorg voor de bezegeling. Helaas is de neerslag van zijn handelen als zodanig niet in het archief bewaard gebleven. Zijn administratief assistent bij leenzaken was de griffier, die de leenmannen opriep voor leenverheffing, de leenakten schreef en de leenregisters bijhield.
Dijkgraaf en heemraden tesamen vormden het dijkcollege. Zij had toezicht op en het beheer van de dijken, waterwegen en polders. Eethen en Meeuwen kenden tot 1822 elk twee dijkcolleges, één voor de Drongelense, Meeuwense en Hagoortse dijk en één voor de Zuidbroekse dijk. Na 1822 werden deze colleges samengevoegd in het Dijkbestuur van de Eethense en Meeuwense zeedijk, bestaande uit een dijkgraaf en 4 heemraden. De polders van Eethen en Meeuwen hadden elk een eigen bestuur. De heer had, tot 1848, het recht van benoeming van de leden van het polderbestuur.
Drossaard, dijkgraaf, rentmeester en stadhouder van de lenen, ambten verenigd in één persoon, en secretaris werden bij vacature door de heer aangesteld. De leden der verschillende bestuursorganen droegen jaarlijks uit hun midden nieuwe kandidaten voor, die vervolgens door de heer konden worden benoemd. Voor de uitoefening van hun ambten betaalden de bestuurlijke functionarissen zogenaamde recognitiegelden aan de heer. Het valt te begrijpen dat men in 1795 gebruik heeft gemaakt van de omstandigheden en van tijd tot tijd verzuimd heeft de verschuldigde recognitiegelden te voldoen.
Het archief
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlage
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1334-1900
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS