Archieven

 2006 Mechelse aanwinsten van het bisdom Den Bosch, 1330-1719
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Historisch overzicht
2006 Mechelse aanwinsten van het bisdom Den Bosch, 1330-1719
Inleiding
Historisch overzicht
Het overgrote deel van de stukken die in het verleden bijeengebracht zijn onder de titel ‘Mechelse Aanwinsten’ bestaat uit stukken afkomstig van het kapittel van Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch. Om die reden is het dienstig voor de gebruiker in het kort de institutionele geschiedenis van deze instelling te schetsen.
Het Bossche kapittel is relatief laat in het leven geroepen. Binnen de Meierij, waarvan ’s-Hertogenbosch de hoofdstad was, bestonden al geruime tijd kapittels in Sint-Oedenrode, Hilvarenbeek en Oirschot. In de drie Brabantse hoofdsteden Leuven, Brussel en Antwerpen waren ook al eerder kapittels gesticht en een kleinere Brabantse stad als Breda kon al vanaf 1303 bogen op een dergelijke instelling. Pas ruim een halve eeuw later was ook in ’s-Hertogenbosch de geest rijp voor een kapittel. Het werd gevestigd in de Sint-Janskerk.
In 1366 beschikte de bisschop van Luik positief op het verzoek van Adam die Lu, pastoor van de geünieerde parochies Orthen en ’s-Hertogenbosch, en dertig kapelanen in de Sint-Jan om een kapittel te stichten en de kerk te verheffen tot een collegiale kerk. De pastoor werd tot aan zijn aftreden of overlijden deken en de kapelanen werden kanunnik. De inkomsten uit hun kapelanie vormden aanvankelijk hun prebende. Na hun dood werden deze inkomsten in een gemeenschappelijke kas gestort, zodat de inkomsten op den duur gelijk verdeeld werden. Daarnaast waren er dagelijkse uitkeringen voor degenen die de koordienst bijwoonden.De pastoor droeg nieuwe kanunniken voor. De kanunniken mochten eigen functionarissen aanstellen en na de eerste deken-pastoor een nieuwe deken kiezen. Het pastoraat van Orthen-’s-Hertogenbosch met de erbij horende zielzorg stond na Adam die Lu volledig los van het kapittel. Er was voor de kanunniken geen residentieplicht. Choralen en scholieren van de kapittelschool ondersteunden de gezangen.
De relatie tussen het kapittel en het schoolhoofd, de rector scholarum, staat beschreven in de statuten van 1366. Evenals voorheen werd hij gepresenteerd door de pastoor. Het was een parochieel beneficie. In 1423 werd de scholasterij opgeheven. De inkomsten werden toegevoegd aan die van deken en kapittel, die inmiddels de pastoorsfunctie van Orthen/Den Bosch hadden overgenomen. Ze moesten ze ten goede laten komen van de zang. Voortaan moesten ze zelf de schoolmeester aanstellen en uitbetalen. Het beneficie was omgezet in een officie.
Kanunnik Henrick Buck had in zijn testament in 1401 zijn huis in de Hinthamerstraat in ’s-Hertogenbosch nagelaten ten behoeve van een kosthuis voor tien scholieren. Ze werden de arme scholieren of bonefanten genoemd en stonden onder leiding van een rector. Toezichthouders waren de prior van het wilhelmietenklooster Porta Coeli, de provisor van de Tafel van de Heilige Geest en de scriptor van het kapittel.
Het kapittel kreeg een forse uitbreiding van zijn inkomsten ten gevolge van de incorporatie van enkele parochiekerken en de eraan onderhorige kapellen. Het meest ingrijpend was de incorporatie van de parochies Orthen en ’s-Hertogenbosch in 1412-1413. Via de hertog van Brabant ging het patronaatsrecht van deze kerken over van het klooster Hertoginnendal te Oudergem bij Brussel naar het kapittel. Dat kreeg daarmee de tienden in handen, maar tegelijkertijd ook de zielzorg voor deze parochies. Het kapittel kon voortaan de pastoor van Orthen en de plebaan van ‘s-Hertogenbosch aanstellen. De personele unie van de twee parochies werd belichaamd door het kapittel. Ook de bestaande en nieuwe kapelanieën in beide kerken kwamen hiermee onder direct gezag van het kapittel. Vastgelegd werd dat de hertog het recht had bij toerbeurt kanunniken voor het kapittel voor te dragen wanneer er een post vrij viel. Als het kapittel aan de beurt was een kandidaat voor te dragen, gebeurde dit, vermoedelijk ook bij toerbeurt, door een van de zittende kanunniken, dus ‘per turnum’ in plaats van ‘capitulariter’. In ieder geval in de vijftiende eeuw maar mogelijk ook al eerder maakte bovendien de paus gebruik van zijn pauselijk reserveringsrecht waardoor hij personen voor hun bewezen diensten kon belonen met een prebende in een kapittel.
Later werden andere naburige parochies aan het kapittel toegevoegd: in 1419-1422 Nuland en Geffen en in 1440-1441 Dinther en Heesch. Een langlopend conflict over tienden tussen de parochie Rosmalen en het kapittel eindigde met de incorporatie van de Rosmalense kerk in 1451. Als sluitstuk van deze incorporaties volgden in 1517 de parochie van het Groot Begijnhof in 's-Hertogenbosch en in 1561 Princenhage. Bij de uitbreidingen in de eerste helft van de vijftiende eeuw moet ook de instelling van de cantorij door Albertus Buck in 1425 genoemd worden.
Een nieuwe bepaling, die in 1461 werd ingevoerd, was een bijdrage van de kanunniken aan de inrichting van de kerk. In de statuten uit 1366 was al in een regeling voor de prebende na het overlijden van een kanunnik voorzien. Als annus gratiae kwam de opbrengst van het jaar na zijn dood voor een deel aan het kapittel als geheel: voor een kanunnik-priester voor de helft, voor een kanunnik-niet-priester voor een kwart. Vermoedelijk werd dit later tot het volledige jaarinkomen verhoogd. Het werd gebruikt om de verplichtingen van de kanunnik na zijn dood te betalen. Daarbij kwam in 1461 de opbrengt van het tweede jaar als annus fabricae, te gebruiken door de kerkmeesters voor boeken, verlichting en noodzakelijke zaken in het interieur van de kerk.
Het begin van de zestiende eeuw werd overschaduwd door problemen met het stadsbestuur. De stad vroeg een bijdrage in de drukkende stedelijke lasten en het kapittel bleef zich op zijn oude rechten van belastingvrijdom beroepen. Dit leidde tot lange rechtszaken en kerkelijke straffen. Intussen probeerde het kapittel zich te wapenen door in de periode 1505-1512 een alliantie met andere kapittels in Brabant te sluiten en wederzijdse bijstand en bescherming van hogerhand te verkrijgen. De beneficiaten (ook wel capelani of altaristae geheten), de geestelijken die een beneficie aan een altaar in de Sint-Jan bezetten, hadden zich tot een eigen gremium verenigd met een eigen kas en beheerder onder leiding van zes sextarii uit hun midden.
De grootste structurele wijziging deed zich voor ten gevolge van het Concilie van Trente. De oprichting van het bisdom ’s-Hertogenbosch in 1559 betekende een omzetting van het collegiale kapittel in een kathedraal kapittel. De bisschop kwam aan het hoofd van het kapittel met een eigen prebende (de eerst openvallende prebende). Het hele kapittel, inclusief de deken en de aan het kapittel onderhorigen, kwam rechtstreeks onder zijn gezag. Dit betekende een enorme breuk met het verleden toen het kapittel alleen gehoorzaamheid aan de paus verschuldigd was. Bovendien werden de volgende negen prebenden gereserveerd voor gegradueerden: drie voor magisters of licentiaten in de theologie; drie voor doctoren of licentiaten in het kerkelijk recht; drie voor personen van adel die aan een bekende universiteit minstens het licentiaat in de theologie of recht behaald hadden. Uit deze negen koos de bisschop zijn nieuwe functionarissen: aartsdiaken, aartspriester en penitencier. Deze negen personen werden voor de eerste keer door de bisschop en daarna door de bisschop en de gegradueerden samen gekozen. De nieuwe statuten die de bisschop in 1568 aan het kapittel gaf, werden knarsetandend aangenomen. De bisschop deelde in 1569 de parochie van Sint-Jan op in vier parochies binnen de stadsmuren en een erbuiten, zonder instemming van het kapittel. Het voorbijgaan aan oude rechten en het opleggen van eenzijdige wijzigingen, met aanscherping van de residentieplicht en de aanwezigheidsplicht tijdens de diensten, leidden tot veel spanningen tussen de bisschoppen en kapittel. Pas in de zeventiende eeuw ontstond een breekbare wederzijdse tolerantie.
De macht van het kapittel nieuwelingen te aanvaarden was intussen nog verder ineen geschrompeld. De twintig vrij te vergeven plaatsen in het kapittel werden vergeven door de hertog van Brabant, de Heilige Stoel en het kapittel, zodanig dat de hertog er net zoveel mocht vergeven als de paus en het kapittel samen. In 1589 had de bisschop al een aantal beneficies opgeheven ten behoeve van de zielzorg in de parochiekerken van de stad. In 1607 vervielen drie prebenden, waarvan de inkomsten toegevoegd werden aan de zielzorgers van drie stadsparochies. In 1613 ten slotte verviel nog een prebende ten voordele van de plebanie. De bisschoppelijke macht over het kapittel werd versterkt toen de hertogen van Brabant in 1602 hun presentatierecht voor nieuwe kanunniken voor een periode van tien jaar overdroegen aan de bisschop, behoudens het recht van placet van de hertogen.
De val van de stad in 1629 luidde het eind van het kapittel in. De goederen werden geconfisqueerd door de nieuwe machthebbers. De kanunniken en beneficiaten kregen hieruit een lijfrente. Een aantal van hen bleef in de stad. De bisschop had met een aantal volgelingen de stad verlaten. In 1650 leefden er nog acht kanunniken van wie vier in de stad. Vier beneficiaten woonden toen in de stad, hoeveel erbuiten was onbekend. Het kapittel stierf een langzame dood.
Lotgevallen van het archief
Inventarisatie
Aanwijzingen voor het gebruik
Regesten
Inventaris
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS