skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic

Archieven

 576 Plakkaten, 1794 - 1813
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
beacon
 
 
Inleiding
Historisch overzicht
576 Plakkaten, 1794 - 1813
Inleiding
Historisch overzicht
Officiële erkenning van Brabant als afzonderlijk gewest geschiedde op 1 maart 1796 bij de opening van de Nationale Vergadering van de Bataafsche Republiek, waaraan de Staten-Generaal haar bevoegdheden overgedragen hadden. In deze Vergadering kreeg Bataafs Brabant via zijn representanten een volledige vertegenwoordiging. Goossens noemt deze opening zelfs het keerpunt in de geschiedenis van Brabant, waarbij de soevereiniteit van de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden over de Generaliteitslanden eindigde.
Voordat de representanten het volk van Bataafs Braband konden vertegenwoordigen in de Nationale Vergadering moest sinds de afkondiging dat Bataafs Braband zich als een afzonderlijk gewest had geformeerd (7 jan. 1795) een lange en moeizame weg bewandeld worden. Door de Fransen werd Brabant op deze hobbelige weg gezet en voortgestuwd.
Na de overgave van 's-Hertogenbosch op 9 okt. 1794 aan de Franse aanvoerder Pichegru, opperbevelhebber van de Armée du Nord, waarmee het later Noord-Brabantse gebied grotendeels in Franse handen kwam, werd een Franse volksrepresentant en als zodanig vertegenwoordiger van het Frans bewind, L.F. Portiez de l'Oise, door Pichegru belast met de organisatie van Brabant als zelfstandig gewest. Op 8 jan. 1795 werd door Portiez de l'Oise een centrale administratie voor al het door de Franse troepen op Holland veroverde gebied in- en samengesteld. Dit gebied omvatte de arrondissementen 's-Hertogenbosch, Nijmegen, Grave en in latere instantie (vanaf 17 jan.) Heusden. De eerste door de Fransen op 9 okt. 1794 gecreëerde regeringsvorm in 's-Hertogenbosch, het Comité Batave, werd hiermee opgeheven.
Een snelle doorstoot van de Franse legers over de bevroren grote rivieren in jan. 1795 deed geleidelijk in heel de Republiek der Verenigde Nederlanden, Amsterdam en Leiden voorop, revolutionaire comités ontstaan, die de Oranje-gezinde regenten afzetten en vervingen door provisionele of voorlopige besturen. Franse representanten die namens de regering het Franse leger begeleidden erkenden op 20 jan. 1795 de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van de Bataafse Republiek. Wel bleef de bemoeienis van de Fransen in bestuurlijke aangelegenheden groot. Willem V was ondertussen uitgeweken naar Engeland.
Over de positie van Brabant binnen de Bataafse Republiek werd een overeenkomst bereikt tussen Frankrijk en de Bataafse Republiek, verwoord in het vredesverdrag van 16 mei 1795 in zoverre dat op basis van dit verdrag de Fransen zich terug zouden trekken uit Brabants grondgebied en het terug zouden geven aan de Staten-Generaal. Met het vertrek van de Fransen uit Brabant werd de opperadministratie, die op 31 maart de centrale administratie had vervangen, opgeheven.
De status van Brabant binnen de Bataafse Republiek was echter nog allerminst geregeld. Een meerderheid in de Staten-Generaal koos voor uitstel om tot een oplossing te komen totdat de Nationale Vergadering bijeen was. Ondertussen zou de situatie van voor de inval van de Fransen hersteld worden, dat wil zeggen wel de vruchten plukken van Brabant maar niet de lasten dragen: aanvaarden van een Brabantse vertegenwoordiging in de Staten en zodoende van Brabantse medezeggenschap van algemeen bestuur. Hiertegenover bleef het Brabants verlangen naar gelijkberechtiging bestaan. Het wilde als vrij gewest opgenomen worden in het bondgenootschap van het Bataafse volk. Na het bekend worden van het standpunt van de meerderheid van de Staten-Generaal op 8 juni werd op 11 juni 1795 te Tilburg een vergadering bijeen geroepen, die zich constitueerde tot 'Vergadering van Gedeputeerden provisioneel representeerende het volk van Bataafsch Braband' en de Brabantse soevereiniteit in de plaats stelde van die van de Staten-Generaal.
Aan deze Brabantse kwestie kwam voorlopig een einde na bemiddeling van Franse zijde en van de provisionele representanten van Holland met een tussenoplossing: Plan van tussenbestuur van Bataafs Braband, waarbij aan Brabant een vertegenwoordiging in de Staten-Generaal en zodoende gelijkstelling met de overige gewesten vanaf 1 jan. 1796 in het vooruitzicht werd gesteld. De administratie van Bataafs Braband werd tot 31 dec. 1795 waargenomen door de 'Provisioneele Representanten van het Volk van Bataafsch Braband', totdat deze per 1 januari 1796 werden vervangen door de 'Representanten van het Volk van Bataafsch Braband'. Deze Representanten kregen nog niet per 1 januari 1796, zoals in het vooruitzicht was gesteld, een vertegenwoordiging in de Staten-Generaal. De laatste met name financiële hobbels moesten weg worden genomen voordat het uur van gelijkstelling kon slaan. Op 1 maart 1796 werd de vertegenwoordiging en daarmee de gelijkstelling een feit. Vanaf dat tijdstip verliep de politieke, bestuurlijke geschiedenis van Brabant conform de bestuurlijke ontwikkelingen op landelijk nivo. Drie politieke groeperingen bepaalden het gezicht van de Nederlandse geschiedenis van deze tijd. Zij hadden alle drie zitting in de Nationale Vergadering en waren alle anti-orangistisch, maar hadden onenigheid over de wijze van hervormingen en hoe ver de democratie doorgevoerd moest worden. Twee groeperingen stonden tegenover elkaar.
De federalisten, die de conservatieve, aristocratische vleugel van de patriotten vormden, stonden een op basis van volkssoevereiniteit federatieve staat voor en keurden al te revolutionaire maatregelen af. Aan de andere zijde stonden de unitaristen, ook wel radicalen, jacobijnen of democraten genoemd, die vanuit een nationalistisch gevoel een sterk, verenigd en ondeelbare Nederlandse Republiek wensten. Tussen deze extremen in lag een middengroep, de moderaten, met als leider R.J. Schimmelpenninck. Evenals de federalisten hadden de moderaten een afkeer van revolutionaire maatregelen, waren angstig voor sociale onrust en geweld, toonden een weerzin tegen het radicaal nationalisme, maar in tegenstelling tot hen waren ze voorstanders van een eenheidsstaat. De standpunten van deze drie groeperingen lagen te ver uit elkaar om samen tot een grondwet te komen. Een staatsregeling voor het Nederlandse volk kwam pas op 23 april 1798 tot stand grotendeels gedicteerd door de Franse gezant Delacroix, nadat de unitaristen ook met Franse steun op 22 januari 1798 een staatsgreep hadden uitgevoerd. Daarbij waren de federalisten met gewapende macht gedwongen de Vergadering te verlaten en hadden de overige representanten zich uitgeroepen tot Constituerende Vergadering. Een Uitvoeren Bewind werd belast met de uitvoerende macht. De wetgevende macht kwam volgens de grondwet toe aan een Vertegenwoordigend Lichaam. Hiertoe moest de Constituerende Vergadering ontbonden worden. Op 4 mei echter riep deze zich uit tot Vertegenwoordigend Lichaam, waarin slechts voor een derde nieuw te kiezen leden werden toegelaten.
In de nieuw indeling van departementen werd oostelijk Brabant omgedoopt tot departement van de Dommel en westelijk Brabant ingedeeld bij het departement van de Schelde en Maas. De departementale besturen met een commissaris aan het hoofd kregen slechts een administratieve taak. Deze indeling van departementen overleefde de machtswisseling van 12 juni 1798, waarbij de moderaten na een militaire staatsgreep van luitenant-generaal van het Bataafse leger, H. Daendels, het roer overnamen. Een intermediair bewind werd op 31 juli 1798 opgevolgd door een nieuw via verkiezingen samengesteld Vertegenwoordigend Lichaam. Dit bestond uit twee Kamers-de Eerste Kamer had de functie van de huidige Tweede Kamer-en werd verkozen door het Uitvoeren Bewind.
Deze situatie bleef bestaan totdat door bemoeienis van Napoleon, die het ondertussen in Frankrijk voor het zeggen had gekregen, op 1 oktober 1801 een nieuwe staatsregeling in het leven werd geroepen. Het Uitvoerend Bewind werd vervangen door het Staatsbewind, dat een autoritair gezag kon uitoefenen omdat het geen verantwoording schuldig was aan een overigens in bevoegdheden beperkt Vertegenwoordigend Lichaam. De staatsregeling zette de indeling van departementen geheel overhoop. Het departement Bataafs Braband werd gevormd met sterk gewijzigde grenzen, ongeveer het oude Staats-Braband omvattend, en met een machtiger departementaal bestuur.
Ook het Staatsbewind kon Napoleon, inmiddels uitgeroepen tot keizer, niet behagen. Wederom door zijn bemoeienis kwam in 1805 een nieuwe staatsregeling tot stand, waarin een sterke centralisatie met eenhoofdig bestuur geregeld werd. R.J. Schimmelpenninck werd hiervoor door Napoleon aangewezen en vervulde van 29 april 1805 tot 4 juni 1806 het ambt van raadspensionaris, bijgestaan door secretarissen van staat.
De centralisatie hield een beperking van macht in voor de departementale besturen, die wel de leden van het wetgevend lichaam, dat de naam 'Hun Hoog Mogende, vertegenwoordigende het Bataafsch Gemeenebest' ging voeren, mocht benoemen. Voor Bataafs Braband werden de grenzen gewijzigd, evenals de naam: departement Braband.
De periode van raadspensionaris Schimmelpenninck kan als een overgang naar de Franse tijd betiteld worden. Een Franse tijd die begon op 5 juni 1806 toen de Bataafse Republiek tot koninkrijk Holland werd verheven met de broer van Napoleon, Lodewijk Napoleon, als koning. De constitutie van 7 augustus 1806 regelde het monarchale karakter van Holland. Departementale en plaatselijke besturen werden in navolging van de Franse bestuursinrichting opgedragen aan koninklijke ambtenaren.
Een koninklijk decreet van 29 april 1807 vormde de fundamentele basis voor de instelling van een landdrostambt. In Brabant werd op 8 mei P.E. de la Court als landdrost van Braband aangesteld, evenals enkele assessoren, ten dienste van hem.
Keizer Napoleon begon het koningschap van zijn broer als een mislukking te beschouwen zeker nadat Engelse troepen een inval in Zeeland deden in 1809, waarvan Lodewijk Napoleon de schuld kreeg. Eerst moest Lodewijk Napoleon krachtens het Parijse verdrag van 14 maart 1810 het ten zuiden van de Maas en Waal gelegen deel van zijn koninkrijk afstaan aan zijn broer. Voor Brabant betekende dit inlijving bij het Franse keizerrijk. De landdrost moest oostelijk Brabant overdragen aan de op 23 april 1810 tot prefect van het Département des Bouches du Rhin benoemde Fremin de Beaumont. Het westelijk deel van Brabant werd per keizerlijk decreet van 8 november 1810 bij het Département des Deux-Nêthes gevoegd.
Vervolgens moest Lodewijk Napoleon ook afstand doen van zijn koningschap. Op 2 juli 1810 verliet hij zijn koninkrijk en op 9 juli werd het koninkrijk Holland, reeds verkleind tot het gebied ten noorden van Maas en Waal, ingelijfd, waarmee het deel werd van het grote keizerrijk. De bestaande administratie in dit gebied werd gehandhaafd, maar onder leiding gesteld van gouverneur-generaal Ch.F. Lebrun.
Met ingang van 1 januari 1811 werden de Hollandse departementen op bestuurlijk en rechterlijk gebied georganiseerd volgens Frans model, zoals middels een keizerlijk decreet reeds was verklaard op 18 oktober 1810. Het Département des Bouches du Rhin, uitgebreid met het arrondissement Bréda, dat aanvankelijk was ingedeeld bij het Département des Deux-Nêthes, kwam niet onder supervisie van Lebrun. Op rechterlijk gebied behoorde dit departement tot het keizerlijk gerechtshof van Brussel.
Toen na de nederlaag bij Leipzig (19 oktober 1813) van de door de mislukte veldtocht tegen Rusland sterk gereduceerde grande armée van Napoleon het Franse keizerrijk op instorten stond, naderde het einde van de Franse overheersing in Nederland en daarmee het herstel van de nationale onafhankelijkheid. Op 9 december 1813 verliet de prefect van het departement van den Monden van de Rijn-Nederlandse benaming van Département des Bouches du Rhin -, Fremin de Beaumont, 's-Hertogenbosch met medeneming van de departementale archieven en zette tot 5 januari 1814 in Grave de administratie van het departement nog voort.
Inmiddels was de prins van Oranje en zoon van de voormalige stadhouder Willem V, Willem Frederik, op 30 november 1813 in Nederland aangekomen en had hij de soevereiniteit op 2 december 1813 aanvaard. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden met Willem Frederik als Koning Willem I werd op 30 september 1815 de provincie Noord-Braband gevormd, die vanaf 1848 Noord-Brabant ging heten.

Rijksarchief in Noord-Brabant, 1996
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Kenmerken
Vindplaats origineel:
BHIC 's-Hertogenbosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS