Archieven

 1562 Woordenboek Brabantse Dialecten, Katholieke Universiteit Nijmegen 1960-2005
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Dit archief bevat de bronnen van het koepelproject 'Woordenboek van de Brabantse Dialecten' dat een aanvang nam in 1960 op initiatief van prof. dr. A.A. Weijnen. Het woordenboek zelf is in 33 afleveringen gepubliceerd tussen 1967 en 2005 en beschrijft de agrarische woordenschat, de vaktalen en de algemene woordenschat van de dialecten in de provincies Noord-Brabant, Antwerpen en Vlaams-Brabant. De redactie zetelde in de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde (NCDN), die opgegaan is in de afdeling Algemene Taalwetenschap en Dialectologie, tegenwoordig weer opgenomen in de afdeling Taalwetenschap.
Het leeuwendeel van de bronnen bestaat uit ingevulde vragenlijsten van de Nijmeegse enquête, die speciaal voor dit project werd afgenomen. Naast de in druk verschenen genummerde lijsten (1-113) werd ook nog een aantal gestencilde vragenlijsten uitgegeven die van een letter zijn voorzien, lijst A, B enz. Vragenlijsten m.b.t. de algemene woordenschat zoals lijst 1 werden in vrijwel ieder Brabants dialect ingevuld, maar bij meer specifieke onderwerpen (zoals de vaktaal van de diamantbewerker) zijn er veel minder ingevulde vragenlijsten. In deze materiaalverzameling kunt u zoeken op plaatscode (er is een register op plaatscodes beschikbaar) en op begrip oftewel woordbetekenis (ook hiervan is een register beschikbaar).
Daarnaast verzamelde de redactie informatie over de verschillende Brabantse dialecten in de vorm van knipsels, ingezonden woordenlijsten en dialectbeschrijvingen e.d. en beheerde zij het materiaal dat in voorgaande decennia door wetenschappelijk onderzoek was vastgelegd. Zo bevinden zich ook de aantekeningen van J.M. Renders uit Woensel (opgetekend tussen 1930 en 1961) over vele verschillende Brabantse en Limburgse dialecten in dit archief. Een ander onderdeel bestaat uit de invullingen van de vragenlijsten die A.A. Weijnen tussen 1938-1950 publiceerde in de tijdschriften Brabantia Nostra en Edele Brabant.
Inventaris
Code op Plaatsnamen
Begrippenregister
Beginnend met cijfer
Letter A
Letter B
Letter C
Letter D
Letter E
Letter F
Letter G
Letter H
Letter I
Letter J
Letter K
Letter L
Letter M
Letter N
Letter O
Letter P
Letter Q
Letter R
1562 Woordenboek Brabantse Dialecten, Katholieke Universiteit Nijmegen 1960-2005
Inventaris
Begrippenregister
Letter R
raadsel; N 07 (1961); 050a
raadseltje; N 07 (1961); 050b
raakvlakken tussen de afzonderlijke blokken van de velling van het karwiel; N 17 (1962); 066
raam boven deur of raam (afb. 39); N 04A (1963); 039
raam, cirkelvormig ~ (afb. 38); N 04A (1963); 038b
raam dat de vorm heeft van een halve cirkel (afb. 38); N 04A (1963); 038a
raam, driehoekig ~ om de nek van een kalf; N 03A (1963); 014f
raam, driehoekig ~ om de nek van kalveren; N 03 (1960); 082
raam geplaatst op de niet-opkipbare hoogkar in plaats van de voor-, achter- en zijplanken voor het vervoer van lichte bomen; N 17 (1962); 007b
raamkozijn, uitstekende balk of rij stenen onder het ~ (afb. 40); N 04A (1963); 040b
raampje in de schuur- of staldeur; N 05A (1964); 054b
Raampje of gaatje in de deur om te zien wie er voor de deur staat (kijkvenstertje, oog, kijkgaatje); N 79 (1979); 007
raamwerk, driehoekige zijkanten van het ~ waarin de as van de ijzeren wals vastzit; N 11A (zj); 185c
raamwerk, ijzeren ~ waarin de cylinder van de ijzeren wals draait; N 11A (zj); 185b
raamwerk in zijn geheel bij een vak- en vlechtwerkmuur (afb. 52); N 04A (1963); 052f
raamwerk van de houten wals waarin de rol draait; N 11A (zj); 184b
raapstelen, jonge gesteelde bladeren van de kleine witte meiraap die in het voorjaar als groente woden gegeten [kelen, rieten, steeltjes]; N 82 (1981); 126
raden; N 07 (1961); 050c
ragebol, bolvormige borstel waarmee spinnewebben worden verwijderd; N 26 (1964); 007b
rakelen? [raokele]; N 98 (1989); 123
Ramen schoonmaken met behulp van spons en zeem (zemen, lappen, kuisen); N 79 (1979); 078
rammen castreren met de 'gesloten' methode; N 77 (1976); 042
rammen castreren met de 'open' methode; N 77 (1976); 041
rand, fijne plooien of de geplooide ~ om het voorhoofd {afb} [knippen, pijpjes, neepjes, reepjes]; N 25 (1964); 033b
rand, opstaande ~ van de schop om vlikken te steken; N 18 (1962); 013a
Randjesbloem (arabis alpina/caucasica). De bloemen zijn groot en room-wit, ongeveer 15 mm groot (de kroonbladeren wijd uitgespreid), en zij groeien in dichte trossen; onder aan de hoofdstengels zitten ook korte zijstengels zonder bloemen, ze zijn ondiep; N 92 (1982); 135
rank paard; N 08 (1961); 062l
ranzig, garstig, gezegd van spek [gaarst, gast, gastig]; N 02 (1960); 051
ranzig; Hoe noemt U: Sterk smakend, onaangenaam ruikend gezegd van spek (ranzig, garstig); N 80 (1980); 041
rapen (knol en blad samen), gebruikt als groenvoer; N 11A (zj); 029f
Rapensoep (Reubesop); N 16 (1962); 005
Rapunzelklokje (campanula rapunculus); 30 tot 90 cm groot. Dikke, kruipende wortelstok; de stengel is stompkantig en kortbehaard; de onderste bladeren zijn ei- tot hartvormig en zijn langgesteeld, de bovenste zijn langwerpig ongesteeld en kortbehaard; de; N 92 (1982); 098
rasp (rief, raspel, raps); N 20 (zj); 040a
raspen; Hoe noemt U: Met een rasp fijn maken (raspelen, raspen, rieven); N 80 (1980); 060
ratelpopulier; heeft bijna ronde bladeren met een gegolfde rand die aan lange platte stelen zitten; bij beetje wind bewegen ze schuin langs elkaar, wat een ritselend geluid geeft [dril- vuilboom, klaterteer]; N 82 (1981); 065a
rauw; Hoe noemt U: Rauw, niet gekookt (groen, rauw); N 80 (1980); 062
razend van woede, zeer woedend [dol, dul]; N 85 (1981); 184
recht hebben op de twintigste schoof; N 15 (1962); 056
recht, sluik haar; N 10 (1961); 044
rechtdoor; N S (1970); 220-1
Rechte greep waarmee b.v. een pan, kan pot, lepel, vork wordt aangepakt (steel, handvat, handsvat); N 79 (1979); 050
rechterkant van het paard; N 08 (1961); 009
Rechthoekig vaak wollen kleed boven het laken op het bed dat dient als beschutting tegen de kou (sargie, deken); N 79 (1979); 036
rechtopstaand, recht omhoog staand [fiks]; N 91 (1982); 209
rechts (= aan de rechterhand, -kant); N S (1970); 218
rechtsaf; N S (1970); 219-1
rechtspreken [rechten]; N 90 (1982); 138
rechtuit; N S (1970); 220-2
redelijk, gezegd van de prijs voor een artikel [schappelijk, billijk, civiel]; N 89 (1982); 096
reepan; N 18 (1962); 021f
reepjesmuts, in de betekenis van 'soort muts'; betekenis/uitspraak; N 25 (1964); 036c
regel, onderste ~ die op de fundering ligt bij een vak- en vlechtwerkmuur (afb. 52); N 04A (1963); 052d
regelaar vooraan op de ploegbalk (afb. 93b); N 11A (zj); 093b
regen in het algemeen [rengel, majem]; N 22 (1963); 016
regen-voorspellend wolkje bij ondergaande zon [watermenneke]; N 22 (1963); 010
regenachtig, gezegd van het weer [ruizerig]; N 81 (1980); 022
regenboog [weerteken]; N 22 (1963); 027
regenbroek die uit twee delen bestaat [piepe, reegenpiepe]; N 23 (1964); 061
regenbui, korte periode van regen [frontbui, gurze, schoer]; N 81 (1980); 037
regenen bij tussenpozen [buien, sjoelen]; N 22 (1963); 020c
regenen [sausen, majemen]; N 22 (1963); 020a
regenjas [rusjer, ploensent]; N 23 (1964); 008
regenmantel, wijde ~ zonder mouwen [keep]; N 23 (1964); 011
regenworm, aardwom, bekende paarskleurige worm die bij spitten en ploeten of bij regen voor de dag komt [pier, pieroas, piering, pierewörm, dauwworm]; N 26 (1964); 025
reiger (91); bekende vogel; grijs; hangkuif, donkere borstveren; algemeen langs het water; broedt in enkele kolonies in hoge bomen; N 09 (1961); 107
reiken, met de handen naar iets reiken [iest beraome]; N 10 (1961); 117
reikhalzend en kwijnend verlangen, ontzettend sterk verlangen [smachten, snakken]; N 85 (1981); 238
Rein, schoon, als gevolg van het poetsen (schoon, proper); N 79 (1979); 069
Reinigen, poetsen, (poetsen, kuisen, schoonmaken); N 79 (1979); 070
rek waaraan het kleine haardgerei (tang, schepje, pookijzer e.d.) wordt opgehangen; N 05A (1964); 027f
rekening houdend met wat er zou kunnen gebeuren, zorg dragend dat er niets verkeerd gaat [listig, roekelijk, voorzichtig]; N 85 (1981); 285
rekje aan de wand waarin lepels worden bewaard; N 20 (zj); 039a
rekje aan de wand waarop bordjes of sierbordjes worden geplaatst (teerekske); N 20 (zj); 039b
rekwerk waarop de schoongemaakte melkbussen en emmers worden geplaatst; N 05A (1964); 019c
Rente [intrest?]; N 21 (1963); 054
repareren, opknappen [oplappen, flikken, lameseren]; N 91 (1982); 238
Reseda (reseda odorato). Een 20 tot 60 cm grote plant. De stengels groeien rechtop en zijn sterk vertakt; de bladeren zijn dubbel veerspletig; de bloemen groeien in trossen, met 6 gespleten kroonbladeren, lichtgeel van kleur en reukloos. De vruchten zijn; N 92 (1982); 139
restje; Hoe noemt U: Kleine hoeveelheid bier onder in een glas (kletske); N 80 (1980); 097
(reu, rengel, menne, menneke) Hoe noemt u een mannelijke hond?; N 83 (1981); 017
reukstof in geconcentreerde vorm [parfum, odeur]; N 86 (1981); 069
reukwater, eau de cologne [lodderijn]; N 86 (1981); 068
Reumatiek: aandoening van spieren en gewrichten met veel pijn (flerecijn, rumatis, vliegende vaan, rimmetiek, krimmetiek).; N 84 (1981); 168
Reuzel; Ongesmolten varkensvet, reuzel (vlieze, vieze, vizze, reuzel?); N 16 (1962); 043
rib, ribben; N 10 (1961); 009
richel, zware ~ tegen de zoldering waarlangs de koeketel heen en weer wordt gestoten; N 05 (1961); 154
riddingot, in de betekenis van 'kostuum(onderdeel)'; betekenis/uitspraak; N 23 (1964); 049f
riek die men gebruikt bij het laden en verspreiden van mest; N 11A (zj); 013a
riek, houten ~ met vier of vijf tanden; N 18 (1962); 032
riek in het algemeen; N 18 (1962); 023a
riek met bolletjes onder aan de tanden; N 18 (1962); 025a
riek met brede platte tanden waarmee aardappelen worden gerooid; N 12 (1961); 036
riek om aardappels te rooien; N 18 (1962); 026b
riek om voer uit de koeketel te halen; N 18 (1962); 026a
riem, brede platte ~ of gevlochten touw met twee lussen gebruikt bij het kruien van zware vrachten; N 18 (1962); 100
riem die aan het zadel vastzit en die onder de buik van het paard door wordt vastgemaakt [afb]; N 13 (1962); 072
riem die achter de billen van het paard omloopt [afb]; N 13 (1962); 075
riem die achter de oren langs loopt [afb]; N 13 (1962); 027
riem die boven de ogen over het voorhoogd loopt [afb]; N 13 (1962); 025
riem die onder de keel van het paard doorloopt [afb]; N 13 (1962); 026
riem die over de achterschoften van het paard loopt [afb]; N 13 (1962); 076
riem die over de rug van het paard heen hangt en die aan beide zijden de hachten of strengen draagt; N 13 (1962); 069
riem die over het zadel hangt en die met lussen is geschoven aan de beide berries van de kar [afb]; N 13 (1962); 070
riem of band die onder de buik van het paard door aan de berries van de wagen vastgemaakt is en dient om te voorkomen dat de kar opslaat [afb]; N 13 (1962); 073
riem (of ketting) als verbinding tussen de beide strengen of hachten; N 13 (1962); 061
riem over de neus [afb]; N 13 (1962); 023
riem rond de buik van een paard om een deken vast te houden; N 13 (1962); 092
riemen, lederen ~ die lopen van het gebit naar de haam en die dienen om te beletten dat het paard gras vreet onder het werk; N 13 (1962); 033
riempje dat om de staart zit [afb]; N 13 (1962); 077
riester, afneembaar, slijpbaar gedeelte van het ~; N 11 (1961); 038
Riet (phragmites communis); 80 tot 135 cm grote plant. De plant heeft een kruipende wortelstok en dikwijls bovengrondse uitlopers; de bladeren zijn breed en spits, de randen zijn ruw aan de voet met een haarkrans; de aartjes bevinden zich in een grote, s; N 92 (1982); 037
rietgors (15); man heeft zwarte kop en bef; woont bij het water; veel in riet; is algemeen; trekt ook wel; roep [tsiep]; zang stotterend [tjip...tjip...tjip...tji-di-di]; N 09 (1961); 017
(rietvoorn, robeer, rovlim, marot, kruidruts, gersbliek, ruisvoorn) Hoe noemt u de rietvoorn: lijkt sterk op de blankvoorn. De rugvin is sterk naar achteren geplaatst en de mondspleet is steil naar boven gericht. De vinnen zijn rood en de goudkleurige og; N 83 (1981); 092
rietzanger (12,5); verschilt in uiterlijk van bosrietzanger [048] door lichtere wenkbrauw; in elk moerasje aanwezig; is nogal onrustig en vliegt vaak op; zang druk schetterend; N 09 (1961); 049
rij op het veld liggende gebonden schoven of garven; N 15 (1962); 024
rij van hoopjes mest die men op het land van de kar aftrekt; N 11A (zj); 020c
rij van op de akker liggende hoopjes mest; N 11 (1961); 019
rij van opgezette hopen van het ene einde van het veld tot het andere; N 15 (1962); 034
rijbroek met nauw om het onderbeen sluitende pijpen; N 23 (1964); 060
rijden (met de kar); N 17 (1962); 094
rijf of houten hark waarmee men de akker naoogst; N 15 (1962); 038c
rijgschoenen, hoge ~ voor dames [petiens, bottines]; N 24 (1964); 053
rijksdaalder, een ~ [vijftiger, knaak, ploegrol?]; N 21 (1963); 003i
rijm, bevroren dauw of nevel die zich afzet op de takken [waterrijm, roevros]; N 22 (1963); 044a
Rijstebrij (pötjesbulling?); N 16 (1962); 046
rijzen, gezegd van deeg; N 29 (1967); 025b
rijzen: Naar boven gaan, omhooggaan (rijzen, stijgen).; N 84 (1981); 069
ring aan het einde van de ketting die onder de kin van het paard doorgaat, waaraan het leidsel is vastgemaakt [afb]; N 13 (1962); 047
ring in de neus van het varken; N 19 (1963); 026
ring, metalen ~ van de zeis (afb. 67d); N 18 (1962); 067d
ringbaard; N 10B (zj); 013
ringelrups, ringrups, kleurig gestreepte rups van de vlinder die zijn eitjes in een ring om de takken van bomen ne heesters legt; N 26 (1964); 042
ringen, beide ~ aan het einde van de gebitstang [afb]; N 13 (1962); 044
ringen, beide ~ aan het kopstel waar het gebit in hangt [afb]; N 13 (1962); 022
ringmus (14); bijna gelijk aan de huismus, maar chocoladepetje en -plekje op de wang; broedt meer in hol hout; vaak op trek in flinke troepen; N 09 (1961); 002
Ringvinger: de vierde vinger waaraan men gewoonlijk een ring draagt (ringvinger, goudvinger,vingerling, iedekje, pillepoort).; N 84 (1981); 025
ritnaald, koperworm, schadelijke kniptor-larve die van plantenwortels leeft; N 26 (1964); 032
rochelen [klieke, kwalsteren, kwaaieren]; N 10A (zj); 027
rode koe; N 03A (1963); 124
rode koe met een geheel witte kop; N 03A (1963); 125a
rode koe met een witte kop, maar rode vlekken om de ogen; N 03A (1963); 125b
roek (46); bekende vogel; zwart met paarsige glans; kale rand boven aan de snavel; broedt in kolonies; leeft in troepen; roep [kao-kao-kao], [waaak]; N 09 (1961); 076
roemer, wijnglaasje; N 02 (1960); 029
roep- of lokwoord voor de koe; N C (1962); 016
roep- of lokwoord voor het kalf; N C (1962); 017
roepen, hinneken, nl van de hengst naar de aankomende merrie; N 08 (1961); 047
roeplokwoord om de biggen te lokken; N 19 (1963); 011b
roeplokwoord om de kippen te lokken; N 19 (1963); 044a
roeplokwoord om de kippen weg te jagen; N 19 (1963); 044d
roeplokwoord om de klokhen te lokken; N 19 (1963); 044c
roeplokwoord om de kuikentjes te lokken; N 19 (1963); 044b
roeplokwoord om de varkens te lokken; N 19 (1963); 011a
roeplokwoord om de zogende zeug gerust te stellen waarbij men haar streelt; N 19 (1963); 011c
roeplokwoord voor de geit; N 19 (1963); 074e
roeplokwoord voor de jonge geit; N 19 (1963); 074f
roeplokwoord voor het hamel; N 19 (1963); 074c
roeplokwoord voor het konijn; N 19 (1963); 074g
roeplokwoord voor het lam; N 19 (1963); 074b
roeplokwoord voor het schaap; N 19 (1963); 074a
roepnaam voor de hengst; N 08 (1961); 008b
roepnaam voor de merrie; N 08 (1961); 008c
roepnaam voor het paard; N 08 (1961); 008a
roepnaam voor het veulen; N 08 (1961); 007
roepwoord voor de koe; N 03 (1960); 013
roepwoord voor de stier; N 03A (1963); 013
roepwoord voor het kalf of de kalveren; N 03 (1960); 014
roerdomp (76); bruingestreepte, geheimzinnige rietvogel die in het voorjaar een ver hoorbaar geluid laat horen [ehh-hóémmmmm], lijkend op loeien van een koe of geluid van een misthoorn; er is nog een kleine soort die blaft als een hondje; N 09 (1961); 109
roerom; Hoe noemt U: Een gerecht dat bestaat uit meel, gekookt in water of melk, met stroop en vet opgediend (treot, potstroe, ruierom, potjebuul); N 80 (1980); 093
roest, rood- of bruingele bedekking die aan de oppervlakte van ijzer en staal ontstaat door verbinding met zuurstof, vooral in een vochtige omgeving [roester]; N 81 (1980); 105
Roestplek in het linnen (spot, spit, tikkel, maal, plek, smet); N 79 (1979); 089
(rog, regel, vloot) Hoe noemt u de rog: een kraakbeenvis met een afgeplat schijfvormig lichaam. Het voorste deel van het lichaam (romp en borstvinnen) vormt een ronde tot vierkante schijf. Het lichaam eindigt in een lange dunne staart. De staart draagt t; N 83 (1981); 108
roggebrood; N 07 (1961); 009c
roggebrood, zwart ~; N 07 (1961); 009d
roggeschoof, pas gemaaide en gebonden ~; N 15 (1962); 018a
rok als bovenkledingstuk [aoverrok, bovenrok, booveschort]; N 24 (1964); 006
rok van grove zware stof [teerteje rok, pels, tiejte sjort]; N 24 (1964); 012
roken: een ham roken; N 01 (1960); 076
roken: een sigaar roken [smoore, smooke]; N 01 (1960); 077
rol, ronddraaiend gedeelte van de houten wals; N 11A (zj); 184a
rol waarop de ploeg voortglijdt (afb. 26 en 36); N 11 (1961); 032c
rolletje centen of kwartjes of andere munten [knappert, lok?]; N 21 (1963); 013
rolmops; Hoe noemt U: Een haring in het zuur (rolmops); N 80 (1980); 045
rond brood, gebakken van bloem; N 29 (1967); 079
rond de kudde lopen, gezegd van de hond; N 78 (1976); 022
rond, ovaal- of hartvormig sieraad waarin een portretje of iets dergelijks bewaard wordt [medaillon, mejonneke, boot, coulant]; N 86 (1981); 052
ronde plaat-met-gaatjes, die tussen het tweedelig uitsteeksel zit waaraan de ploeg wordt voortgetrokken (afb. 97e); N 11A (zj); 097e
Ronde zonnedauw (drosera rotundifolia); 5 tot 25 cm. Het is een insektenetend plantje; de blaadjes groeien in een rozet, zijn rond, met talrijke rode klierharen met kleverige knopjes (voor het vangen van insekten) en tevens lang gesteeld. De bloemen zijn; N 92 (1982); 064
rondhout, dunnere ~ dat op de zware rondhouten ligt die van de ene draagbalk naar de andere lopen en de vloer van de hooizolder vormen [afb]; N 04 (1960); 069
rondhouten: dunne(re) rondhouten dwars op de zware rondhouten die op de gebintbalken rusten (afb. 13); N 04A (1963); 013b
rondhouten of draagbalkjes van de zoldering (afb. 12); N 04A (1963); 012f
rondhouten, zware ~ die op de gebintbalken rusten (afb. 13); N 04A (1963); 013a
rondhouten, zware ~ die van de ene draagbalk naar de andere lopen en de vloer van de hooizolder vormen; N 04 (1960); 068
rondlopen met kleppers en ratels in de week vóór Pasen; N 88 (1982); 143
rondom; N S (1970); 277a
rondom het erf gelegen, voor diverse doeleinden te gebruiken percelen te zamen; N 05A (1964); 076e
rondreizen [pendelen, de navet doen]; N 90 (1982); 079
ronduit; N S (1970); 277b
Rondzwerven met kwaad in de zin (schuipen, rallen).; N 84 (1981); 058
rongblokken, middelste van de drie ~ van de hoogkar met een ladderwerk aan beide zijkanten; N 17 (1962); 013b
rongblokken, middelste van drie ~ van de vierwielige wagen (afb. 43c8); N 17 (1962); 044h
roodbont paard; N 08 (1961); 063g
roodbont vee; N 03 (1960); 037
roodbonte koe van het donkerrode type; N 03A (1963); 121a
roodbonte koe van het oranjerode type; N 03A (1963); 121b
roodborst (14); bekend genoeg vanwege de rode borst; N 09 (1961); 024
roodborsttapuit (12,5); rode borst; zomervogel; overal op het veld waar het wat ruig is; zit meestal op paaltje of draad; verborgen nest in greppel; roep [fiet-krt-krt]; N 09 (1961); 028
Roodvonk: epidemische, zeer besmettelijke ziekte waarbij het lichaam overdekt wordt met rode vlekken (roodjong, plan, St. Antonisvuur).; N 84 (1981); 199
roofvogel (klamper); N 83 (1981); 073
rooien, aardappels ~ in het algemeen; N 12 (1961); 016
rooien, aardappels ~ met de ploeg; N 12 (1961); 017
rooien: kijken of proberen of de aardappelen al volgroeid zijn voordat men gaat rooien; N 12 (1961); 020
rooien: uit de grond trekken van dennewortels met een hefboom; N 27 (1965); 008c
rooien, uitgraven en lichten van boomstronken; N 27 (1965); 008b
rookvang, pyramide-vormige ~ boven de stookplaats in de keuken (afb. 22a); N 05A (1964); 022a
rookvang, zich pyramidaal vernauwende ~ of schouwboezem boven de haard; N 05 (1961); 137
rookvlees; Hoe noemt U: Een stuk gerookt vlees (krep, rookvlees); N 80 (1980); 042
room; De room van de melk (de zaon?); N 16 (1962); 017
Roomhoren (kréémhorre, vulhorentje, zweretige vinger?); N 16 (1962); 113
roos hebben, rozig zijn; N 03A (1963); 088
rooster [reusel, rössel, rjöster]; N 02 (1960); 040
roosteren; Hoe noemt U: Op een rooster braden (roosteren, horsen, hersen); N 80 (1980); 072
roskam; N 18 (1962); 139
roskammen; N 08 (1961); 102
rot, gezegd van fruit [rotterig, rotsig, meluw]; N 82 (1981); 087
rotkreupel, besmettelijke ontsteking van de klauwen bij schapen; N 52 (1972); 016
rotstraal, rotting van de straalhoorn agv het langdurig staan in vochtige mest en urine; N 52 (1972); 032c
rotten en verschrompelen van appels [slijten, uitdrogen, verrompelen, verfronselen, verslijten, verrimpelen]; N 82 (1981); 086
rouwsluiter(s) aan een hoed; N 25 (1964); 051d
roze bol: koe die lijdt aan het uitzakken van de bovenwand van de schede; N 52 (1972); 030c
roze bol, uitgezakte bovenwand van de schede die vooral bij oudere koeien in lighouding buiten te schaamlippen te voorschijn komt; N 52 (1972); 030b
rozee; N A (1960); 072
rozenbottel: De vrucht van de hondsroos (papetuutje, papetoet, hanekul, wepen, klokke, rozenbottel).; N 92 (1982); 019
rozenkrans, bidsnoer [kokernoote, paddenoster]; N 01 (1960); 078
rozijn, gedroogde druif [serzijn]; N 82 (1981); 103
rubber, rekbare stof waar bijv. rijwielbanden van zijn vervaardigd; N 82 (1981); 071
rug: bovendeel van de rug [mars, hot]; N 10 (1961); 015a
rug: op de rug zitten; N 10 (1961); 015b
rug: ruggegraat [ruggestrang, ruggegraat]; N 10 (1961); 016
rug van een dier; N 38 (1971); 022
rug van het blad van de zeis (afb. 68e); N 18 (1962); 068e
rug: werkwoord (Vader, wilt U me eens ~); N 10 (1961); 015c
rug: wervel van een ruggegraat [wörvel, wöllever]; N 10 (1961); 017
ruien: Hoe noemt u in uw dialect het verliezen van haren door katten en honden?; N100 (1997); 001a
ruien: van veren wisselen, in de rui zijn; N 19 (1963); 051
ruien: Wordt er voor het wisselen van veren door vogels een ander woord gebruikt? Zo ja, welk woord?; N100 (1997); 001b
ruif voor de schapen; N 05A (1964); 045b
ruif voor het hooi in de stal; N 77 (1976); 143a
ruif voor het hooi in de wei; N 77 (1976); 143b
ruiken; N 10B (zj); 033
ruimte beschikbaar maken [plaats maken, schavelen]; N 91 (1982); 203
ruimte, grote ~ achter de stallen of het gebouw waar de graanoogst wordt opgeborgen en verwerkt; N 05A (1964); 066a
ruimte in de schuur waar men het graan bewaart; N 14 (1962); 047
ruimte in de schuur waar men het kaf bewaart; N 14 (1962); 046
ruimte in de schuur waar men het stro bewaart; N 14 (1962); 048
ruimte of zolder waar men stro snijdt of hakselt; N 05A (1964); 072a
ruimte onder de oven waar bijv. de aardappelen worden bewaard; N 05 (1961); 136
ruimte onder een oversteek boven de schuurpoort; N 04 (1960); 030
ruimte onder het overstekend dakgedeelte (afb. 27); N 04A (1963); 027d
ruimte onder het wolfseind; N 04 (1960); 033
ruimte opzij van de koestal naar de buitendeur [afb]; N 04 (1960); 075
ruimte tussen de muur en de stijlen (afb. 10); N 04A (1963); 010b
ruimte tussen de stijlen (afb. 10); N 04A (1963); 010a
ruimte tussen twee gebinten; N 04 (1960); 003
ruimte van 4 m2 in de schuur die boven de stoepbalk wordt vrijgelaten [afb]; N 04 (1960); 036
ruimte van de boerderij waarboven de balkenzolder wordt aangetroffen (afb. 13); N 04A (1963); 013e
ruimte vóór de staldeuren; N 05 (1961); 112a
ruimte vóór de teruggebouwde deur(en) onder de hoek van een schuurdak (afb. 35); N 04A (1963); 035a
ruimte vóór een teruggebouwde schuur- of deeldeur in de lange gevel (afb. 36); N 04A (1963); 036
ruimte vooraan op de stal waar men 's zomers het eten kookt; N 05A (1964); 035a
ruimte waar de graantas zich bevindt; N 05 (1961); 085a
ruimten tussen de gebinten (afb. 9); N 04A (1963); 009a
ruisen van bomen [ruizelen, suizen, snirsen]; N 82 (1981); 049
ruiten; N 01 (1960); 017c
ruiter: hooi brengen op houten stellages; N 14 (1962); 113b
ruiter: houten stellages waarop het hooi wordt gebracht; N 14 (1962); 113a
Ruk: snelle korte beweging waardoor iets of iemand met een schok van zijn plaats wordt getrokken (ruk, snuk, snoek).; N 84 (1981); 087
rukwind, plotselinge, felle wind [trekwind, snuk wind, strobatie]; N 81 (1980); 053
rund dat aan tbc lijdt; N 52 (1972); 017c
rund dat halfslachtig ter wereld is gekomen, d.w.z. half stier en half koe is; N 03A (1963); 102
Runderlapjes (krippot, kripvlees?); N 16 (1962); 035
rundvee algemeen; N 03 (1960); 001
rundvee algemeen; N 03A (1963); 001
rups; N 26 (1964); 038
Rusten: rust houden na arbeid of vermoeienis (schoven, schoften).; N 84 (1981); 075
rusthouding van de herder (afb. 1); N 78 (1976); 008a
rusthouding van de herder (afb. 2); N 78 (1976); 008b
rusthouding van de herder (afb. 3); N 78 (1976); 008c
rusthouding van de herder (afb. 4); N 78 (1976); 008d
rusthouding van de herder (afb. 5); N 78 (1976); 008e
ruw en regenachtig, gezegd van het weer [lobbig, schouw]; N 81 (1980); 011
Ruw hout of stukken hout waar veel moest worden afgeschaafd, werden vóórbewerkt met een vrij smalle schaaf, die voorzien was van een enkele, rondgeslepen beitel,: de zogenaamde roffel, roffelschaaf of voorloper.
Hoe heet in uw dialect: de korte voorlope; N G (1963); 034a
Ruw hout of stukken hout waar veel moest worden afgeschaafd, werden vóórbewerkt met een vrij smalle schaaf, die voorzien was van een enkele, rondgeslepen beitel,: de zogenaamde roffel, roffelschaaf of voorloper.
Hoe heet in uw dialect: de lange voorlope; N G (1963); 034b
ruw, niet beschaafd [lomp, loer, boers, onbeschoft, nut]; N 87 (1981); 084
Ruw worden van handen en gewrichten (schraap, verharen).; N 84 (1981); 197
ruwvoer; N 77 (1976); 141
ruzie maken door woorden [afstrijden, rikrooien, kerwee hebben, strijden, muilvech-ten, smoelvechten, opstrijden]; N 85 (1981); 213
ruzie maken en daarbij gebruik maken van handen, armen en benen [kempen, kebberen, vechten]; N 85 (1981); 215
ruzie maken [kakelen, puken]; N 85 (1981); 225
Letter S
Letter T
Letter U
Letter V
Letter W
Letter Y
Letter Z
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS