Archieven

 9 Domeinen, raad en rentmeester-generaal, 1515-1816
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Historisch overzicht
9 Domeinen, raad en rentmeester-generaal, 1515-1816
Inleiding
Historisch overzicht
Over instelling en historische groei van het ambt van rentmeester-generaal der domeinen in Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch is nog weinig bekend. Zijn archieven vangen, op enkele retro-acta na, pas aan met de reductie van de stad in 1629 en voor dien zijn ook in de Belgische archiefdepots geen afzonderlijke archieven van hem aanwezig, al is het mogelijk, dat ze zich bevinden tussen de bescheiden van de Rekenkamer.
Volgens M. Martens zijn de rentmeesters ingesteld tijdens de regering van hertog Jan I, dus in de tweede helft der 13e eeuw. *  Walter Volcart zou de eerste rentmeester van Brabant zijn geweest, aangesteld de 18e April 1284. *  Voordien was de administratie der domeinen een onderdeel van de taak der meiers.
In 's-Hertogenbosch komt Laurentius Volcars nog in 1301 voor als schout en rentmeester tegelijk, *  maar op 4 December 1300 treffen we Wolther Toyart aan als rentmeester, *  zonder dat vermeld wordt, dat hij tevens schout is. Zijn naam is de eerst bekende van die der rentmeesters van Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch. * 
Karel de Stoute schafte 22 December 1469 het ambt van rentmeester-generaal van Brabant af, evenals de ambten van alle rentmeesters en beval, dat er voortaan vier rentmeesters-generaal zouden zijn en wel in de vier hoofdsteden. Maria moest op 5 Juni 1477 deze maatregel weer intrekken, maar Philips de Schone schafte in 1500 de 'recette générale de Brabant' opnieuw af en sindsdien is ze niet hersteld. Haar bevoegdheden bleven verdeeld tussen de rentmeesters der domeinen in de vier kwartieren van Brabant, *  die dus generaal werden. Ook zijn ze dan lid geworden van de hertogelijke raad; hun officiële titel wordt 'raad en rentmeester-generaal der domeinen'.
De onderrentmeesters in de kwartieren van de Meierij, die reeds aan het eind der 14e eeuw voorkomen, hadden weinig te beduiden. Hun inkomsten en politiebevoegdheden werden later gecombineerd met die, verbonden aan de houtschatten en tegelijk daarmee verpacht.
Bij dezelfde ordonnantie van 1477 stelde Maria bovendien Hendrik van der Kelen aan tot rentmeester van 's-Hertogenbosch en in zijn commissie geeft ze een overzicht van zijn taak. Deze bestond uit het verzorgen van de inkomsten uit wateren, molens, huizen, beemden, landen, cijnzen, tollen, tienden, renten in koren, in geld en in hoenders, uit het bewaren van de hertogelijke rechten, hoogheid en heerlijkheid en tenslotte moest hij ieder, die het begeerde, in zaken dit ambacht betreffende, recht, vonnis en bescheid doen.
Zijn ambt is dan nog beperkt tot de domeinen. Wanneer er na 1629 uit zijn archieven meer blijkt omtrent zijn werkzaamheden, zijn deze aanzienlijk uitgebreid.
Een eigenlijke instructie, vastgesteld door de Staten-Generaal, heeft niet bestaan. Wel is waar werd 10 Augustus 1657 door de Raad van State een reglement vasstgesteld voor alle 's lands rentmeesters, ontvangers, enz., *  dat ook gold voor de rentmeester-generaal, maar dit geeft geen bijzonderheden over zijn functie. Steeds doet men bij geschillen over zijn competentie een beroep op vroegere ordonnanties of gaat men informeren bij zijn collega's in België. Zijn taak is dan ook alleen na te gaan uit de neerslag daarvan, zijn archief. In de eerste plaats omvatte deze het beheer der domeinen en de bemoeiingen, die daaruit voortvloeiden, zoals politietoezicht, oplossing van geschillen en vooral het geven van advies aan Raad van State en Staten-Generaal.
Een belangrijke en oude bron van inkomsten der domeinen vormden de cijnzen. Zij omvatten niet alleen grondcijnzen, maar ook recognitiecijnzen, welke moesten worden betaald voor verkregen octrooien. Tot de domeinen behoorde ook het recht op bastaardsgoederen en onbekende nalatenschappen. Van betekenis waren ook de verpachtingen, niet alleen van gronden, molens, enz., die tot de domeinen behoorden, maar ook die van de houtschatten, jacht, tienden, tollen, bank van lening in 's-Hertogenbosch, enz. Het recht van de jacht, voorzover niet in particulier bezit, werd door de Raad van State jaarlijks voor een bepaald bedrag aan de rentmeester-generaal gegeven. Deze verpachtte het weer in klampen of percelen aan particulieren. Tevens had de rentmeester-generaal het oppertoezicht over de jacht.
Een betwist punt was tot hoever het recht van schouw zich uitstrekte. Volgens de opvatting van de rentmeester-generaal bestonden er in de Meierij drie soorten van schouw over wateren en wegen, watermolens, gemeentegronden en wat daarmee samenhing. De eerste werd gevoerd door de onderrentmeesters in de dorpen en vrijheden, staande onmiddellijk onder de souverein. Deze werd verpacht tezamen met de houtschatten. Dit is de kleine of voorschouw. De tweede of grote schouw werd gevoerd door de rentmeester-generaal en de leenmannen. De derde werd gevoerd in de heerlijkheden en zou mede de rentmeester en leenmannen competeren. Tegen deze opvatting kwamen de schouten der vier kwartieren en de regenten van 's-Hertogenbosch in verzet, vooral betreffende de voorschouw. Reeds in 1572 was er onenigheid en tot diep in de 18e eeuw duurden de processen voort, waaraan de Raad van State, Staten-Generaal en Raad van Brabant slechts met tussenpozen een einde konden maken. In het algemeen schijnt de opvatting van de rentmeester-generaal en de leenmannen wel de overhand te hebben gehad, althans in de Meierij. Bij het reglement op de houtschatten, het laatst vernieuwd de 16e Juni 1787, werden de pachters der houtschatten met de jaarlijkse voorschouw belast. De boeten, welke opgelegd werden, en de vacatiegelden werden door de bevolking als onbillijke lasten gevoeld.
Met de schouw hing samen de bemoeiing van de rentmeester-generaal en de leenmannen met de limietscheidingen, niet alleen tussen de dorpen, maar vooral ook van de gemeentegronden.
Na de reductie van 's-Hertogenbosch en meer nog sinds 1648, dus sinds de Staten-Generaal de souvereiniteit over de Meierij rechtens en in feite hadden verkregen, ontwikkelde zich een nieuwe en belangrijke functie van de rentmeester-generaal, namelijk een van algemeen toezicht op de dorpsbesturen, vooral wat de financiën betreft. Dit hangt samen met het feit, dat er in het generaliteitsland geen bestuurscollege, geen Provinciale of Gedeputeerde Staten aanwezig waren. Staten-Generaal en Raad van State maakten het zich tot een gewoonte de rentmeester-generaal of de leen- en tolkamer, waarvan hij voorzitter was, om raad te vragen en hun de ingekomen requesten, welke van financiële aard waren, om advies op te zenden. Doordat zij in verband met het domeinbeheer en de daaruit voortvloeiende bemoeiingen goed op de hoogte kwamen van de plaatselijke toestanden, waren zij daarvoor de geschikte organen. Niet alleen werd hun advies gevraagd, maar ook werd hun de uitvoering van bepaalde maatregelen opgedragen, welke zij door plakkaten bekend maakten. Zo is de positie van de rentmeester-generaal en de leen- en tolkamer te vergelijken met die van de Commissaris der Koningin en de Gedeputeerde Staten, waarbij niet nauwkeurig is afgebakend wat tot de competentie van de rentmeester-generaal alleen en wat tot die der leen- en tolkamer behoorde. Hun ambtsgebied omvatte slechts de stad en Meierij van 's-Hertogenbosch, met uitzondering van het toezicht op de tollen en het uitkeren van premies voor het vatten en berechten van misdadigers, waarbij zij over geheel Staats-Brabant competent waren.
De aanstelling van de rentmeester-generaal geschiedde door de Raad van State. Volgens resolutie van 13 Mei 1724 werd bij een vacature een der leden van de Raad bij loting aangewezen voor de benoeming.
Het spreekt vanzelf, dat de later verworven bevoegdheden weer verloren gingen aan de na de komst der Fransen ingestelde gewestelijke besturen. Ook overigens brachten de gebeurtenissen van 1794 en volgende jaren veranderingen met zich mee.
Na de verovering van 's-Hertogenbosch op 9 Oktober 1794 door de Fransen werden de bezette gedeelten van Staats-Brabant onder Frans bestuur geplaatst. Uitgeweken patriotten oefenden dat bestuur uit. In 's-Hertogenbosch kwam een 'Directeur der Finantiën', die de Nationale domeinen zou verpachten en aan wie de rentmeesters rekenplichtig zouden zijn. De rentmeester-generaal Van Rhemen werd geschorst en ook zijn archieven schijnen buiten 's-Hertogenbosch te zijn vervoerd, althans in zijn correspondentie van 24 Juni en 15 November 1795 maakte hij een toespeling hierop.
Bij het Haags tractaat van 17 Mei 1795 gaf de Franse republiek aan die der Verenigde provinciën het grootste gedeelte van het veroverde territoir terug. Ook de domeinen keerden terug bij de Generaliteit. Van Rhemen hervatte in December 1795 zijn functie. Op 11 Juni 1795 constitueerden zich echter de Provisionele representanten van het Volk van Bataafs Brabant en daarmee begon de strijd voor gelijkgerechtigheid, welke 29 Februari 1796 met succes bekroond werd. De domeinen schijnen daarna als provinciaal eigendom te zijn beschouwd. De taak van de rentmeester-generaal werd beperkt tot het beheer der domeinen en gecombineerd met het ontvanger-generaalschap. Voor het eerst werd nu ook een instructie vastgesteld en wel bij besluit van de Representanten van het Volk van Bataafs Brabant van 20 April 1796. In het eerste artikel werd bepaald, dat hij het hoofdwerk van zijn kantoor in persoon waar zou nemen. Tevoren was het namelijk gewoonte geweest, dat het eigenlijke werk werd gedaan door zijn substituut. Verder werd zijn salaris vastgesteld op 4000 gulden, terwijl de emolumenten, die hij vroeger genoot, werden afgeschaft. Voordien had hij een tractement van 800 gulden, terwijl zijn emolumenten ruim 3500 gulden opbrachten. Hij werd een provinciaal ambtenaar, wiens taak, zoals gezegd, werd beperkt tot de administratie der domeinen. Ja, zelfs werden enkele van de oude domeinrechten afgeschaft, zoals de grote Brabantse, zwijgende landtol *  en alle andere tollen en het middel van de houtschat, waardoor ook de onderrentmeesterschappen vervielen. In de schouw moest derhalve worden voorzien.
Aan een oude kwestie werd een einde gemaakt op 27 Mei 1796, toen werd bepaald, dat de schouw in de dorpen over wegen en wateren zou worden gevoerd door de drossaard, president of diegene, die ter plaatse het officie waarnam en geenszins door de gewezen kwartierschouten of hun stadhouders, ten overstaan van twee gecommitteerden uit de municipaliteit benevens de secretaris. Alleen bij nalatigheid kan de ontvanger-generaal en rentmeester der domeinen ten overstaan van commissarissen uit het Comité der domeinen en finantie met assistentie van de secretaris de schouw of herschouw voeren. Ook worden de plaatselijke officieren ingeschakeld in het toezicht op de gemeenten en vroenten, het uitmoeren van grond, het verzetten van pegels, het oprichten van molens, vogelkooien, sluizen, enz. zonder octrooi en overtredingen moeten zij dadelijk melden aan de rentmeester.
Verder werd de rentmeester zo goed als uitgeschakeld bij de uitgifte van inculte domeingronden. Hierover beschikten na 1796 en ook na 1798 de gewestelijke besturen. De rentmeester werd zelden om advies gevraagd en de transporten geschiedden ter plaatse, waar de gronden gelegen waren. Zelfs de afkooppenningen voor de cijnzen moesten bij de dorpscollecteurs worden gedeponeerd. Bitter beklaagt zich over de last en schade, die dit meebracht voor 's lands financiën, de rentmeester in een brief van 2 Januari 1802 *  aan de Thesaurier-generaal en Raden van Financiën der Bataafse Republiek.
Op 11 April 1796 werd een Comité van domeinen en financiën opgericht. Tot zijn taak behoorde het opnemen en sluiten van alle rekeningen, zowel van de ontvanger-generaal en rentmeester der domeinen als van de overige rentmeesters en ontvangers. Over alle zaken 's lands domeinen rakende zal het de Representanten van advies dienen. De pegels van de watermolens zullen gesteld worden in presentie van de ontvanger-generaal en rentmeester der domeinen ten overstaan van twee leden en de secretaris van dit comité. Het verlenen van permissie voor het stellen van permanente werken in de straten van 's-Hertogenbosch zal gelaten worden aan het plaatselijk bestuur. Door deze bepaling werd ook een einde gemaakt aan een oude kwestie.
De taak van de rentmeester was dus aanzienlijk beperkt. Een kleine uitbreiding geschiedde slechts in zake de verpachting der novale tienden. Vroeger geschiedde deze door gecommitteerden uit de Raad van State, nu door de rentmeester der domeinen ten overstaan van twee leden en de secretaris van genoemd comité. Dit comité zou in het algemeen de behandeling hebben van alle domaniale extrajudiciële zaken en te dien einde van de leen- en tolkamer, welke werd opgeheven, de archieven overnemen.
Na de staatsgreep van 22 Januari 1798 werd de eenheidsstaat gevestigd. De gewestelijke souvereiniteit werd opgeheven en de besturen kregen uitsluitend administratieve bevoegdheden. De domeinen werden weer staatseigendom, maar wat de administratie betreft veranderde er weinig. Het Intermediair administratief bestuur van het voormalig gewest Bataafs Brabant hield het toezicht op 's lands domeinen en had ten allen tijde het recht mondelinge en schriftelijke informaties in te winnen bij de rentmeester. Bij besluit van het Uitvoerend Bewind van 22 Februari 1799 werden commissies benoemd voor de administratie der financiën in de voormalige gewesten der Bataafse Republiek. In art. 4 hunner instructie werd bepaald, dat ze 's lands domeinen zullen administreren en toezicht houden over alle ontvangers, rentmeesters en gaarders. Deze commissies bleven bestaan tot 19 Juli 1805.
Bij besluit van het Staatsbewind van 28 April 1803 werd een reglement vastgesteld op de administratie der nationale domeinen. *  De algemene superintendentie werd opgedragen aan de thesaurier-generaal en raden van financiën. Onder deze superintendentie werd de administratie der domeinen speciaal gedelegeerd aan de Departementale besturen in ieder der departementen op de gebruikelijke voet. Op 17 Augustus 1803 besloten Thesaurier-generaal en Raden van Financiën, dat dadelijk in dit gewest alle inkomsten der Nationale Domeinen, sedert 1 Januari 1802 gepercipieerd, moesten worden afgezonderd en onvermengd geadministreerd onder de benaming van nieuwe domeinkas.
Bij publikatie van 19 Juli 1805 van Hun Hoog Mogenden, vertegenwoordigend het Bataafs Gemenebest, houdende algemeen reglement voor de departementale besturen, werd de administratie der Nationale finantiën en domeinen door de Raadpensionaris onder het oppertoezicht van de Secretaris van Staat voor de finantiën aan afzonderlijke Raden van Finantiën opgedragen, terwijl de Departementale besturen zich van alles wat de administratie betrof moesten onthouden. De Raad van Financiën voor Braband trad op 1 Augustus 1805 in werking.
Op 31 Maart 1801 *  had de ontvanger-generaal en rentmeester der domeinen aan de commissarissen tot de administratie der finantiën ter voldoening aan hun aanschrijven van 13 Maart 1801 een overzicht gegeven van de inkomsten en goederen, die zich onder zijn administratie bevonden. Het waren:
- Novale tienden;
- Pachten en cijnzen voor molens, vogelkooien, visserij, fundatie, amortisatie, bastaardij, grond, gewin en gebuur, haver en gerst en bruggen;
- De pacht voor het recht der bank van lening;
- Dito voor het recht der Domeinwaag;
- Dito voor de gruit;
- Het provenu voor een gedeelte van moergronden, voor het stellen van steenovens daarop, alsmede voor het steken van leem, één derde der huurpenningen van de Jacht en Donkdelle te Drunen;
- De 17 stuivers, welke voor uitkoop van een cijns van 8 penningen per lopense van de sterile gronden betaald worden.
Tot de nationale domeingoederen behoorden: circa 60 morgen teulland onder Drunen / domeinwaag / huis voor vergaderingen Departementaal Bestuur, met tuin / huis Hof van Justitie, met tuin / inculte of domeingronden in de Meierij.
De overgang der domeinen in eigendom van de generaliteit aan de provincie, van de provincie weer aan de staat, de verandering van positie en de achteruitgang in betekenis van de rentmeester, de herhaalde veranderingen van bestuur brachten allerlei strubbelingen mee in zake de competentie van de gewestelijke besturen en die van de staat en de rentmeester betreffende de domeinen en de daaraan vanouds verbonden rechten. Het waren voornamelijk de uitgifte van inculte gemeentegronden, het recht van jacht en de bank van lening in 's-Hertogenbosch, waarover geschillen ontstonden. Het ambt van rentmeester der domeinen werd steeds minder belangrijk. In 1810 bij de invoering der Franse wetgeving werden de domeinen gecombineerd met de registratie. De juiste gang van zaken is me bij gebrek aan gegevens niet duidelijk geworden. Op 18 juni 1810 schrijft H.B. Martini nog een brief als 'receveur général et intendant des domaines de Brabant', op 10 juli 1810 treedt reeds Ceillier op als 'directeur de l'enregistrement et des domaines'.

Brabants Historisch Informatie Centrum, 2005
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1515-1816
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS