Archieven

 239 Kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in Heusden, 1245 - 1631
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Nu alle archivalia van de twee Heusdense kloosters in de loop van deze eeuw bijeen zijn gebracht en berusten in het Rijksarchief in Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch, is een algehele inventarisatie van het middeleeuwse charterarchief mogelijk en wenselijk geworden. De geschiedenis van deze kloosters is echter ten dele duister, met name wat betreft de stichting van Mariënkroon, ten dele gecompliceerd vanwege de juridische status van Mariëndonk, dat zich van Mariënkroon heeft afgescheiden en er later weer bij werd ingelijfd. Omdat de historie der kloosters en de structuur van hun archief ten nauwste samenhangen, draagt deze inventarisatie duidelijk de sporen van deze vage voorgeschiedenis van Mariënkroon en van de moeilijke correlatie Mariënkroon- Mariëndonk en kan een uitvoerige inleiding, waarin de knelpunten van kloostergeschiedenis, archiefhistorie en archiefstructuur worden behandeld, niet worden gemist. Deze aspecten worden echter in deze inleiding zoveel mogelijk separaat en chronologisch behandeld; een toelichting op het eigenlijke inventarisatiewerk sluit de introductie af.
Historisch overzicht
sluiten
239 Kloosters Mariënkroon en Mariëndonk in Heusden, 1245 - 1631
Inleiding
Historisch overzicht
Afstamming
Het cisterciënzer mannenklooster Mariënkroon te Heusden is de zevende stichting van de abdij Altencamp (Kamp-Lintfort, Dld.) die zelf langs Morimond afstamt van het moeder-klooster der orde: Cîteaux. Goederen van vrouwe Mechtelt van Riede, door haar in 1361 bestemd voor het in Heesbeen opnieuw te stichten zusterklooster Nieuw-Mariëndaal, dienden later, in 1384, bij de stichting van Mariënkroon als grondslag. Het klooster Mariëndonk buiten Heusden werd door afsplitsing van Mariënkroon in 1443 een zelfstandige priorij, maar werd er in 1588 weer bij ingelijfd, toen de beide conventen naar 's-Hertogenbosch waren uitgeweken. De dood van de laatste conventuaal prior Curtius in 1624 betekende het einde van de herenigde kloosters. Schematisch weergegeven aldus:
thumbnail
Benaming en ligging St.-Mariënkroon (Corona, meestal Ad Coronam Beatae Mariae; Ter Cronen), lag te Heusden binnen en tegen de oostelijke, middeleeuwse stadsmuur, *  op de plaats waar thans de Lombartstraat uitkomt op de nu bijna dichtgegroeide Demer (eens de middeleeuwse gracht buiten tegen de stadsmuur aan); zie het kerkje als aanduiding van het klooster op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer van omtrent 1560. *  Op dit stadsplan is het onduidelijk, of het klooster ten noorden of ten zuiden van de Lombartstraat heeft gelegen, maar de historicus Jacob van Oudenhoven, die in Stad en Land van Heusden langere tijd woonachtig was, vermeldt in zijn geschiedenis van Heusden van 1651, *  dat het kloostergebouw veranderd is in een oudemannenhuis. Dit oudemannenhuis wordt op de stadsplannen van Joan Bleau in zijn Stedenatlas (1649) en van J. Hartig in een latere uitgave van Van Oudenhoven (1743) gesitueerd aan de noordzijde van genoemde straat. Volgens deze gegevens moet het vroegere kloostercomplex grotendeels gelegen hebben op de huidige percelen nos. 1836 en 1837 van het kadaster Heusden, sectie A. * 

N.B. Men verwarre het Heusdense Mariënkroon niet met het huidige cistercïënzerklooster te Nieuwkuyk, dat, in 1904 gesticht op het voormalige landgoed Onsenoord, later de naam Mariënkroon heeft aangenomen.
St.-Mariëndonk (Doncka, meestal: Supra Donckam Beatae Mariae; Op die Donck) was gelegen te Elshout (Gemeente Drunen, vroeger parochie Oudheusden), 3 kilometer ten zuiden van Heusden bij het voormalige Donksche Wiel aan de huidige Mariëndonkstraat, die naar Haarsteeg leidt. In het begin van de 17de eeuw werd het terrein aldus omschreven: "Het landt met de wooninge binnen 't convent van der Donck, tsamen groot binnen de gragte omtrent vier margen lands, mitsgaders nog een griendeken 'teynde de plaetse van't bouwhuys, groot bij raminge omtrent drye honden landts". * 
Zie voor de algemene situatie: Topografische Kaart no. 44 F (Heusden), uitgave 1958, schaal 1 : 25000, met nog de twee waterwielen, waarover reeds sprake in 1438 (reg. no. 646); voor de situatie ter plaatse, zie het kaartje in: Met gansen trou, XII (1962), p. 123, met de nummers 582, 588 en 589 van het kadaster Elshout sectie F, waarbij de aantekening, dat de hierop aangegeven openbare weg sindsdien is rechtgetrokken. * 

N.B. De twee kloosters worden resp, ook genoemd St,-Bernaertsklooster en O.L. Vrouwenklooster, overeenkomstig de afbeeldingen op de conventszegels. * 

Ook over het Heesbeense zusterklooster, waarvan het Heusdense Mariënkroon als een vervanging kan worden beschouwd, en van het Bossche Refugiehuis, dat de conventen van de beide mannenkloosters heeft geborgen in de Tachtigjarige Oorlog, is het wellicht nuttig een dergelijke informatie te verschaffen.
Nieuw-Mariëndaal (Nova Vallis Beatae Mariae), te Heesbeen (gemeente Eethen), 1 kilometer ten zuid-westen van Heusden, was gelegen op het perceel Het Nonnengeset, kadaster Heesbeen sectie E no. 539. Voor de algemene situatie, zie genoemde stafkaart, te vergelijken met het detailkaartje in het Dagblad De Stem, 16 december 1960. De naam is afgeleid van die van het zusterklooster Mariëndaal te Utrecht buiten de muren. * 

Het Refugiehuis (Achter de Zusters van Orthen Poort) te 's-Hertogenbosch, lag in het nog bestaande straatje Louwsche Poort, zijstraat van de Hinthamerstraat (noordzijde), aan en over de Dieze, aan twee zijden grenzend aan de uitgestrekte erven van de voormalige Zusters van Orthen, op het huidige, grote perceel met kadasternummer sectie H 5647. * 
Geschiedschrijving
Een diepgaande gedocumenteerde geschiedenis van de beide kloosters is tot heden niet geschreven.
Het enige historische overzicht is dat van prior Everardus van Goch, die het door hem kort na 1461 aangelegde Cartularium van Mariëndonk (inv. no. 120) - in deze inleiding kortweg genoemd het Cartularium - inleidt met een kort verhaal over het ontstaan van Mariënkroon uit het zusterklooster te Heesbeen en met een uitvoerig verslag over de afscheiding van Mariëndonk, gestaafd met een twintigtal kopieën der voornaamste akten.
In onze tijd is de geschiedkundige inleiding in dit Cartularium deels in vertaling weergegeven, deels in enige artikelen samengevat. *  De stichting van Mariënkroon en haar voorgeschiedenis te Heesbeen worden door de schrijver van het Cartularium echter summier behandeld en bij de afscheiding van Mariëndonk toont hij zich zo'n fervent voorstander ervan, dat een zeer kritische lezing van deze episode zonder meer noodzakelijk is. Bovendien bevonden zich tot voor kort alle archivalia, die betrekking hebben op de stichting, status, discipline, oversten, etc., ongeïnventariseerd in het Rijksarchief te Gent, zodat slechts bijwijlen een detail van de kloostergeschiedenis in publikaties is behandeld. * 
Een compacte en afgewogen geschiedenis van Mariënkroon en Mariëndonk, hoezeer ook hier ter oriëntatie gewenst, wordt in deze inleiding niet geboden. Wel dienen er enige hoofdmomenten te worden belicht, met name de wijze en datering der stichtingen, de onderlinge rechtsverhoudingen, de hereniging in 1588 en de opheffing in het begin van de 17de eeuw, zoals deze vooral blijken uit de hierbij geïnventariseerde stukken. Het vaststellen van deze gebeurtenissen en verhoudingen raakt immers het onderscheiden en afbakenen van de hoofdbestanddelen van het archief.

Stichting Mariënkroon 1384
De verwijderde aanleiding tot het oprichten van het mannenklooster Mariënkroon te Heusden was het mislukken van de stichting van het zusterklooster Nieuw- Mariëndaal te Heesbeen. Deze ingewikkelde en langdurige voorgeschiedenis zal hier in het kort worden beschreven.
Vrouwe Mechtelt van Riede, geboren van Oudheusden, had het klooster Nieuw-Mariëndaal na de dood (1354) van haar echtgenoot ridder Herbert van Riede, heer van Pendrecht, door dotatie in het jaar 1361 gesticht. Deze schenkingsakte van 24 juli 1361, *  getransfigeerd met een akte van confirmatie van de zijde van de bisschop van Utrecht en voorzien van dorsale notae als: "Fundatio monasterii" kunnen we als de stichtingsakte van Heesbeen beschouwen, misschien wel als de akte van "her-stichting", daar de genoemde akte van bevestiging spreekt van: "de novo erigere". *  Mariëndaal bij Utrecht zou voor een convent van 12 zusters en een abdis zorgen *  en ruwaard Albrecht van Beieren had reeds bij voorbaat de nodige goedkeuring aan de stichting gehecht. *  De abt van Altencamp, aan wie het toezicht op en de geestelijke verzorging van Mariëndaal rechtens toekwam, bezat ook in Heesbeen de supervisie en verstrekte aan Heinrich Hack, pastoor te Genderen en deken van Heusden, en Hack van Boningen, die door vrouwe Mechtelt bij laatste wilsbeschikking tot executeurs van haar testament waren benoemd, *  uitgebreide macht om de kloosterstichting te volvoeren.
Ofschoon onmiddellijk na de dood van heer Herbert in 1354 een gerechtelijke erfdeling van diens goederen had plaatsgevonden, *  stiet de uitvoering van Mechtelt's plannen op felle tegenstand van de kant van de ontgoochelde verwanten, met name van de schoonzuster vrouwe Margriet van Brakel en haar kinderen, en des te meer toen Mechtelt reeds op 20 april 1362 overleed. Het bleek nodig, om van Mariëndaal, waar drie dochters van vrouwe Margriet kloosterzuster waren, een akte van waarborg te eisen, alsook van de mannelijke familieleden. *  De plaatselijke autoriteiten, Johannes I Pape, abt van het premonstratenzerklooster Berne, en Dirk van Polanen, kastelein van Heusden, poogden te bemiddelen; maar het wilde niet vlotten met de (her-)stichting. Weliswaar had Mechtelt op haar landgoed te Heesbeen een woning voor zusters laten inrichten: "circa annum 1362 incepit (domina Mechtildis) fundare et construere monasterium monialium nostri ordinis cisterciensis in suo propio mansu, quem habuit in villa de Heesbeen", *  , en hadden onder leiding van de Kamper monnik Daniël van den Bosch enige Mariëndaalse zusters dit huis bevolkt, maar toen het generale kapittel van Cîteaux in 1363/64 het klooster in de orde van St.-Bernardus had opgenomen, *  was het kleine convent van zusters intussen al weer verdwenen.
De moeilijkheden met de erfgenamen werden zelfs gevolgd door andere van de zijde van executeurs en aldus werd de zaak een twintigtal jaren slepende gehouden, totdat tenslotte de wereldlijke macht zich met de zaak ging bemoeien. De Utrechtse bisschop Florentius van Wevelinghoven zocht een oplossing, die paste in het raam van de vestiging van zijn gezag in het Sticht. Hij schoof in 1382 een erfgenaam van vrouwe Mechtelt, namelijk de schildknaap Willem van Hedichusen als executeur naar voren en gunde hem een kapelanie uit de erfgoederen. *  Ruwaard Albrecht van Beieren hield echter vast aan het "Mechelen dyn, Huesden myn" van zijn broer graaf Willem V en als "non mediocris cisterciensis ordinis Maecenas et fautor'', zoals de orderhistoricus Jongelinus later zou opmerken, *  had hij de machtige steun van Altencamp, In de zomer van 1384 liet Albrecht zijn kastelein te Heusden, Willem van Cronenborch, het geschil definitief beslechten ten voordele van de cisterciënzer orde en van zijn stad Heusden. In de scheidsrechterlijke akte is van wederoprichting geen sprake meer, wel van opheffing van het zusterklooster en van een te Heesbeen of in Heusden te stichten mannenklooster. * 
Albrecht treedt doortastend op: Willem van Hedichusen wordt uitgeschakeld en schadeloos gesteld; de betwiste goederen, in juni 1384 nog aan de abt van Altencamp toegekend met passeren van de Stichtse abdis en bisschop, komen in september van het volgende jaar de ruwaard zelf in handen. Ondertussen is besloten het klooster binnen de veilige stadsmuren te vestigen met als uitgangspunt het "domus grandis lapideus", dat vrouwe Mechtelt aldaar had bezeten en dat later tot voorpoort van het klooster zou dienen *  en tevens om het te bevolken met cisterciënzers van Altencamp, van wie er reeds drie, n.l. Daniël van Den Bosch, Godefridus van Veen en Thomas van Gelder, in de overgangstijd de landerijen te Heesbeen hadden bewerkt. *  Naast het in 1355 ook door vrouwe Mechtelt gefundeerde stadskapittel zou voortaan het nieuwe monnikenconvent de geestelijke diensten verzorgen. Volgens het Cartularium was de "paucitas divinorum officiorum et precipue misscrum" voor Albrecht van Beieren het directe motief om over te gaan tot de "translacio ad opidum de Huesden" en tot de "commutacio monialium in monachos". *  Het groepje monniken zou aan de jonge stad kleur en aanzien geven. De akte van grafelijke bescherming van 24 september 1385 maakt voor het eerst melding van het in Heusden gevestigde klooster *  ; een oorkonde van de heer van Eethen en Meeuwen d.d. 10 januari 1385 is de eerste akte, die het klooster bij zijn nieuwe naam noemt: "Sinte Mariënkroon". * 
Het is opvallend, dat tussen de vele oorspronkelijke akten, waarbij de nieuwe stichting werd geratificeerd, begunstigd en begiftigd, zoals de protectie van hertog Albrecht (1385) en die van paus Bonifatius IX (1389), de grafelijke vergunningen tot bouwen (1390), vrijdom van tol (1392), patronaat over de stadskerk (1393), recht van eigen rosmolen (1395), de bekrachtiging van de stichting door de vicaris-generaal van de orde (1406), door abt en kapittel van Cîteaux (1409), het allerbelangrijkste stuk ontbreekt, namelijk de bisschoppelijke confirmatie, sinds het Concilie van Chalcedon (451) voor elke kloosterstichting noodzakelijk; terwijl toch van de stichting van Heesbeen en van Mariëndonk de akten van bisschoppelijke confirmatie in origineel in het archief bewaard zijn gebleven. *  Heeft Albrecht van Beieren Mariënkroon als een continuatie van Heesbeen voorgesteld om hierbij onafhankelijk te kunnen blijven van de bisschop van Utrecht, wiens plannen hij doorkruist had?
Kerkrechtelijk gezien, is deze mutatie van sexe, plaats en naam dermate ingrijpend, dat de vestiging te Heusden als een nieuwe stichting geldt, afgezien nog van de vraag of er te Heesbeen ooit een geregeld kloosterleven is geleid. *  Toch zijn de archiefstukken, die betrekking hebben op de (her)oprichting van Nieuw-Mariëndaal, met name de akten van dotatie van vrouwe Mechtelt en die van executie ervan in deze inventaris van Mariënkroon en Mariëndonk opgenomen, omdat de gefundeerde erfgoederen, alhoewel bedoeld voor het zusterklooster te Heesbeen, in feite hebben gediend als economische basis voor de stichting van het monnikenklooster in Heusden. De stukken dienaangaande werden ook steeds in dit archief bewaard. Het nader onderbrengen van deze archivalia in een aparte afdeling benadrukt de merkwaardige voorgeschiedenis van Mariënkroon en de twijfelachtige rechtspositie van het zusterklooster, dat in zijn eerste aanleg van (her)oprichting is blijven steken.
Om de afdelingen Heesbeen en Heusden in de inventaris scherp te kunnen afbakenen, moet de fundamentele vraag naar het stichtingsjaar van Mariënkroon worden gesteld. Nu kunnen meerdere momenten en fasen bij het ontstaan en zelfstandig worden van een nieuw klooster worden onderscheiden, parallel met die van het menselijk leven. Dit is geen vreemde vergelijking. Wij gebruiken immers al in overdrachtelijke zin de termen van filiatio (afstamming), paterniteit en pater-abbas, moederabdij en dochterstichting. Aldus beantwoorden aan de data van conceptie, geboorte, zelfs van doop en confirmatie evenzovele stichtingsdata. Aangaande de verschillende data-fundationis van Mariënkroon merken we het volgende op.
Het Cartularium van Mariëndonk, de anders zo rijke bron voor de geschiedenis van onze kloosters, stelt de vestiging te Heusden op: "circa annum Domini 1382". *  Het Chronicon Campense, bewaard in het Pfarrarchiv te Kamp, *  voegt in zijn lijst van dochterstichtingen bij Mariënkroon het jaar 1382 en geeft het bijbelse en betekenisvolle jaarvers: " BenedICes Coronae annl benIgnItatIs tUe, et CaMpI tUI repLebUntUr Ubertate" (Ps. 64, vs. 12); "Gij kroont het jaar met Uw goedheid en uw velden druipen van overvloed"; waarbij de cijferwaarde der letters het jaartal 1382 oplevert. Ook de literatuur betreffende de orde van Citeaux en de abdij van Altencamp geeft algemeen dit jaar aan. De recente Atlas van F. van der Meer sluit zich hierbij aan. *  Ongetwijfeld is hier sprake van de zogenaamde datum-missionis, het jaar, waarin enige Kamper monniken werden aangewezen en uitgestuurd voor de nieuwe Hollandse stichting.
Juridisch sterke data zijn ook 6 april 1384 en 30 juni 1384. *  Op de eerste neemt de abt van Altencamp het executeurschap over Mechtelt's testament over; op de tweede doet de castellanus van Heusden in naam van het landsheerlijke gezag de scheidsrechterlijke uitspraak, die de juridische bestaansgrond van Mariënkroon is geworden. De periode van twintig jaar getwist over het testament is dan afgesloten.
Als data-incorporationis- et-confirmationis gelden: 1389 (pauselijke bescherming) en 1406 (inlijving door de vicaris-generaal namens de orde). * 

Voor kloosterstichtingen geldt echter allereerst de dies-natalis, de dag, waarop het convent officieel zijn intrek neemt in de door de Charta-caritatis bepaalde gereedgekomen gebouwen en het geregeld kloosterleven een aanvang neemt. Helaas is deze datum voor Mariënkroon niet vastgelegd, maar hij moet geplaatst worden ná 3 juli 1384, de laatste oorkondelijk gekende datum, waarop goederen aan de abt van Altencamp worden overgedragen "tots cloesters behoef, dat hi tot Huesden maken sal", *  en vóór 10 januari 1385, wanneer de eerste maal sprake is van "den prior ende convent van Sinte Marien Crone tot Huesden, ordens van Cistias, des ghestichts van Utrecht". * 
Van alle genoemde stichtingsdata in strikte en ruimere zin heeft het jaar 1384 de voorkeur; enerzijds, omdat de dies-natalis - de datum voor het klooster naar binnen - beslist in de tweede helft van dit jaar gevallen is; anderzijds, daar de arbitrale uitspraak van de kastelein van Heusden van 30 juni - de datum van het klooster juridisch naar buiten -ook in dit jaar gedaan is.
Over het Heesbeense tijdperk zij tenslotte opgemerkt, dat de diverse goederen en rechten, die worden opgedragen, ter hand gesteld of toegewezen aan Mariëndaal en Altencamp, hiermede geen volledig eigendom van deze kloosters worden, maar aanvaard worden ten behoeve van het te stichten of gestichte nieuwe klooster. Aldus verzekerde men zich van de executie van de fundatie en tevens van zekere exemptie van goederen en rechten tegenover leken.
Status van Mariënkroon
In de eerste decennia van het bestaan van Mariënkroon vond er tweemaal een verandering van status plaats. Vooreerst werd het klooster, als priorij begonnen, onder de tweede overste Werner van Westfalen tot abdij verheven. De preciese datum van de verheffing is niet bekend, maar de laatste vermelding van Werner als prior is van 6 juli 1392 en de eerste vermelding van hem als abt is van 1 april 1394. In het Cartularium vindt men geen goede woorden over de verandering en wordt er misprijzend gesproken over de prior-abt en diens "debile regimen". *  Wellicht heeft toch ook de groeiende betekenis van het klooster voor de stad Heusden - in 1393 werd het patronaatsrecht over de kerk van St.-Catharina aan Mariënkroon overgedragen *  - hierbij gewicht in de schaal gelegd.

Merkwaardiger is echter het herstel van de oorspronkelijke status onder de vierde overste Johannes van Goch, die wel tot abt gekozen werd (1420), maar de abtswijding niet heeft aanvaard. Volgens de betiteling in de oorkonden is Johannes ná 5 juni 1426 en vóór 19 augustus 1427 als prior "hersteld". * 
De reductie van Mariënkroon werd in 1430 door de abt van Morimond als reformator-generalis van de Duitse ordesprovincie en met instemming van het generale kapittel en met die van de pater-abbas van Altencamp geratificeerd. *  De opgegeven motieven zijn het tekort aan inkomsten vanwege de Sint-Elisabetsvloed (1421), voorts het hiermede samenhangende gering aantal kloosterlingen en tenslotte het streven naar de deugd van nederigheid. De laatste beweegreden is geen vrome frase: Mariënkroon was onder invloed gekomen van de geest van de Colligatie van Sibculo, een landelijke beweging, die, geïnspireerd door de Moderne Devotie, onder de Noordnederlandse cisterciënzerkloosters hervormend werkte. *  De versobering van het kloosterleven, die deze Congregatie beoogde, werd o.a. nagestreefd, door de abdijen genoegen te doen nemen met de status-prioratus. Altencamp bevorderde deze vorm van reformatie onder haar dochterstichtingen en wij weten, dat Heusden veelvuldig contact met de kloosters van Sibculo, IJsselstein en Warmond, de oudste leden van de Colligatie heeft gehad. * 
Stichting Mariëndonk 1443
De afkomst en status van het klooster Mariëndonk buiten Heusden te Elshout dient ook te worden besproken. Vooreerst om een algemene misvatting recht te zetten betreffende de paterniteit over Mariëndonk. We lezen immers in de Atlas van Van der Meer, die hierin aansluit bij de ordesliteratuur, dat dit klooster in 1439 gesticht zou zijn door dat van Sint-Salvator te Antwerpen. Op dit misverstand komen we later nog terug. In de tweede plaats staat de kwestie van stichting, status en opheffing ook hier weer in verband met de structuur van het archief en zal toch de paradoxaal klinkende titel van deze inventaris, namelijk één archief van twee kloosters, nader moeten worden toegelicht en verantwoord.
Het Cartularium licht ons uitvoerig in over de stichting van Mariëndonk. De voorgeschiedenis - n.l. het verwerven van Mariënkroon van de 21 morgen op de Donk te Elshout door middel van ruilkoop onder het prioraat van Johannes Mertens (1429/30) - mag hier onbesproken blijven. * 
Het initiatief tot de stichting was uitgegaan van Everardus van Goch, sinds 4 mei 1430 prior van Mariënkroon en de schrijver van de historische inleiding van het Cartularium. Als motieven noemt hij de gevolgen van de Elisabetsvloed en de ongeschiktheid van het oude klooster. Reeds eerder hadden Heusdense confraters hun heil en arbeidsveld gezocht op andere plaatsen. De prior was oorspronkelijk van plan het hele convent naar de Donk te verplaatsen. Daartoe was hij al in 1431 begonnen met het bouwen van een kapel en we lezen van een transport van 25.000 bakstenen vanuit Engelen in 1438, bedoeld voor de bouw van een dormpter. *  In de loop van dit jaar schenkt Philips van Bourgondië twee waterwielen ter plaatse voor de tijd van 20 jaar *  en staat hij een eigen rosmolen toe *  ; de premonstratenzer curaat van Oudheusden, binnen wiens parochie de Donk gelegen was, geeft zijn vereiste toestemming voor de stichting. *  In het volgende jaar komt verlof voor het graven van een kloostergracht van de kant van de kastelein van Heusden en geeft de bisschop van Luik de officiële toestemming. *  De eerste steen - de altaarsteen in de kapittelzaal, gelegen voor het dormitorium - werd plechtig gelegd op 20 april 1439. * 
In dit jaar wordt dus de stichting ingezet en in menig document wordt 1439 als stichtingsdatum aangegeven. Zo b.v. op een merkwaardig, 16e eeuws schilderij met de stamboom der kloosters, dat hangt in de pandgang van de nog resterende abdijgebouwen van Altencamp te Kamp-Lintfort en dat te lezen geeft: "Doncka Mariae prope Huesden in Brab. 1439". * 
De algehele overplaatsing ging echter niet door, want onenigheid binnenshuis doorkruiste Everardus' plannen: "interim Sathan cepit movere cribrum suum". *  Bij de visitatie van de abt van Altencamp in september 1441 bleken niet allen in te stemmen met de translatio, waarna besloten werd het convent in tweeën te splitsen en - let wel - het oude klooster met eigen prior of rector in de belangrijkste zaken onder gezag te stellen van het nieuwe. *  Maar ook dit plan kwam niet tot uitvoering. De tegenpartij ging in hoger beroep bij de abten van Klaarkamp en Citeaux en wist de transitus te verhinderen, totdat op 6 augustus 1443 bij scheidsrechterlijke beslissing van wereldlijke heren, de kastelein en de seneschalk van Heusden, het uiteindelijke contract tussen de twee conventspartijen - Everardus had nu nog slechts aanhang van drie medebroeders - werd gesloten. Deze akte van overeenkomst, in origineel aanwezig en geratificeerd door de abt van Cîteaux op 8 september 1443 en door die van Altencamp op 25 oktober 1443, is de juridische stichtingsoorkonde, waarin de status van Mariëndonk uitdrukkelijk aldus wordt bepaald:
"Novum monasterium Van Der Donck habebit nomen speciale, eritque separatum a monasterio de Huesden, voceturque monasterium Sancte Marie Op Die Donck et quodlibet dictum monasterium habebit superiorem specialem". *  Dat deze akte van scheiding altijd als zodanig is beschouwd, bewijst de akte van 20 april 1588, waarbij Mariëndonk weer bij Maria-kroon wordt ingelijfd volgens de dan opnieuw geciteerde clausule van de akte van scheiding, luidende: "Si contingat inposterum, dictum novum monasterium omnino deperire - quod Deus avertat - extunc supradicta bona omnia et singula succedent et hereditaria devolventur ad monasterium in Huesden sepedictum". *  Nog in hetzelfde jaar, op 3 november, nam de prior Everardus met de zijnen plechtig intrek op de Donk, wat zowel in het Cartularium als in het Necrologium met nadruk staat vermeld. Het is de dies-natalis van Mariëndonk.
In de lente van het volgende jaar verrichtte Dionysius Stephani, wijbisschop van Luik, de consecratie van twee altaren en de inzegening van het kerkhof. *  Hiermee is dan de stichting van het nieuwe klooster afgesloten. De vacante plaats van prior te Heusden werd ingenomen door Cornelius Velt.
Paterniteit over Mariëndonk
Uit de gang van zaken is duidelijk, dat Mariëndonk niet als dochterstichting, maar als zusterstichting van Mariënkroon beschouwd moet worden, dat derhalve Altencamp de moederabdij was van de twee zelfstandige en gelijkwaardige priorijen en dat aan de abt van Altencamp het recht van toezicht en visitatie toekwam. Er bestaat echter sinds het begin van de 18e eeuw de algemene opvatting, dat het klooster van Pietrepot of Sint-Salvator te Antwerpen het Donkse klooster heeft gesticht, althans de paterniteit erover in 1560 van Altencamp heeft overgenomen.
Een misleidend regestopschrift boven een akte van 1 juli 1560, waarvan de tekst in extenso staat gepubliceerd bij Miraeus en Foppens, is waarschijnlijk de aanleiding geworden tot deze traditionele dwaling in onze literatuur over Mariëndonk. * 
Deze tekst houdt echter duidelijk in, dat de abt van Cîteaux in overleg met de abt van Altencamp, die vanwege het gevaarvol reizen in die wisselvallige tijd van godsdienstwoelingen en krijgsrumoer het klooster van Mariëndonk al in drie jaren niet heeft kunnen bezoeken, thans de prior van Sint-Salvator te Antwerpen tijdelijk opdraagt, om aldaar de jaarlijkse visitatie te verrichten, nu deze prior toch, krachtens paterniteitsrecht, de zusterkloosters Mariënhof te Zierikzee en Bethlehem te Wateringen moet gaan visiteren. Dat de paterniteit, omvattende toezicht en visitatie, ook feitelijk aan Altencamp bleef toebehoren, blijkt direct of indirect, maar overduidelijk uit de akten van 1563, 1566, 1569 en 1570. * 
Pastoraat
Een hoofdmoment in de geschiedenis van Mariënkroon en in te Heusden die van kerkelijk Heusden was het verwerven door genoemd klooster van de rechten van patronaatschap (1393) en incorporatie (1481) betreffende de parochiekerk van St.-Katrien. Reeds in 1247 wordt te Heusden een kerk genoemd met eigen vicarius, op voordracht van de heer van Heusden door de abt van St.-Truiden te benoemen, *  en in 1355 fundeert vrouwe Mechtelt van Riede het Heusdens stadskapittel met vijf kanunniken. *  Ten tijde van deze stichting had de hertog van Brabant het ius-patronatus. Maar toen Heusden voorgoed Hollands was geworden (1357) en het klooster zich binnen de oudste stadsmuren had gevestigd, was Albrecht van Beieren in het bezit gekomen van het patronaat. Hij stond dit op 25 april 1393 *  af aan prior en convent van Mariënkroon met de uit gesproken wens, dat het klooster bij dood of afstand van de toen dienstdoende curaat een zo goed mogelijk gebruik zou gaan maken van het iuspraesentandi, door een monnik uit eigen convent ter aanstelling van pastoor voor te dragen; dan zou Mariënkroon ook de inkomsten van de pastoors-prebende en de iura-stolae genieten. Maar in het geval, zo voegde Albrecht er aan toe, dat een geschikte persoon voor dit ambt ontbrak, zou Mariënkroon de parochie beter kunnen inlijven ("incorporatio non pleno iure"); het klooster bezat dan als pastor-primitivus het vruchtgebruik van ue parochiegoederen, terwijl kerkdienst en zielzorg zouden moeten worden overgelaten aan de parochus-actualis ("vicarius, rector").
Het eerste gebeurde: de kloosteroverste werd collator en een cisterciënzer van Heusden werd pastoor. *  Het tweede, de incorporatie, geschiedden een eeuw later, *  maar, let wel, "in pleno iure", ook "in spriritualibus" *  : zowel de opbrengsten van de kerkgoederen als de inkomsten van de volledige zielzorg kwamen het klooster ten goede. De feitelijke verzorging van de parochie werd toevertrouwd aan de conventuaal Johannes die Goede van Bomel op 28 december 1482. * 
Een feitelijk einde aan de incorporatie kwam in de onrustige jaren rond 1578, toen de kloosterlingen hun heil zochten binnen de muren van 's-Hertogenbosch en de kerk in protestantse handen geraakte. De laatste vermelding van een prior van Mariënkroon, die als zodanig de parochusprimitivus van de St.-Catharinakerk was, luidt: "Johannes Smeyers, prior ende pastoor" (5 okt. 1575).
Wat nu de aanwezige archivalia betreft, de stukken over patronaat, prebende, incorporatie en investituur behoren per se aan het klooster. Ook de akten van overeenkomst tussen de persona en de andere geestelijke instellingen ter plaatse en alle cijnsbrieven (kerkelijke fundaties en anderszins), die van vóór de incorporatie dateren, zijn juist vanwege de inlijving rechtens tot het klooster gaan behoren. De talrijke dorsale aantekeningen van omtrent 1500, geschreven door één hand en luidende: "Gaet aen de cure, aen de pastorey" (gaet aen = betreft), wijzen er op, dat de betreffende stukken vanwege hun eigen aard enigszins gesepareerd van de andere rechten en inkomsten van het klooster in het archief werden bewaard. Ook om deze reden zijn in deze inventaris de oorkonden aangaande kerk en pastoraat in een hoofdafdeling gegroepeerd, overeenkomstig de inventarisatie van dergelijke bescheiden van de abdij van Egmond. * 
Rusthuis te Zaltbommel
Op dezelfde wijze zijn ook de stukken behandeld, die betrekking hebben op het rusthuis voor geestelijken te Zaltbommel, eigendom van het klooster Mariënkroon sinds 1400, toen Henricus van Amersoyen Everarduszn. en diens vrouw hun gemeubileerd huis met erf bij het stadskerkhof hadden geschonken, opdat het zou dienen als pension en doorgangshuis voor de monniken van Altencamp en Mariënkroon, alsook voor de karthuizers en reguliere geestelijken. *  Ofschoon nergens uitdrukkelijk vermeld, zijn met de laatsten ongetwijfeld de karthuizers van St.-Pieterswiel bij Zaltbommel en de reguliere kanunniken van het stadskapittel bedoeld. Tot dusver was het bestaan van dit rusthuis onbekend.
Bevolking
De beide conventen zijn in de honderden jaren van hun bestaan niet opvallend groot, maar evenmin uitzonderlijk klein geweest. Uit de vele opgaven in dit archief blijkt, dat elk der communiteiten in tijden van voorspoed een aantal van 10 à 15 leden, in die van tegenspoed een aantal van 5 à 10 leden heeft geteld. Het getal kan niet exact worden opgegeven, omdat in de akten alleen de geprofeste clerici, niet de conversen of lekenbroeders, noch de kandidaten worden opgesomd. Natuurlijk zien we hier af van de familiares, die inwoonden en huis- en tuindiensten verleenden, en van de eventuele donaten, die zich hadden ingekocht en er een vroom en rustig leven leidden; zij behoorden weliswaar tot de leefgemeenschap, maar niet tot het convent.
Het dodenboek van Mariëndonk, dat over 150 jaren loopt - zie inv. no. 718 - en een 50-tal priesters commemoreert, bevestigt de bovengenoemde schatting. Het doet ons berekenen, dat, wanneer de gemiddelde leeftijd van de toenmalige kloosterling gesteld wordt op 50 jaren en de leeftijd bij de professie op 20 jaar, het gemiddelde aantal leden, althans priesters van Mariëndonk 10 heeft bedragen. * 
Ziehier een ander gegeven, het laatste uit het tijdperk van een geregeld kloosterleven te Elshout: wanneer de abt van Morimond in 1570 visitatie houdt op de Donk, treft hij er slechts een prior met vijf religieuzen aan. * 
Met opzet worden hier deze bevolkingsgegevens ingelast, om de afloop der zaken, met name de hereniging der kloosters, de gedwongen verhuizing naar elders en het spoedig uitsterven meer concreet en aannemelijk te kunnen beschrijven.
Hereniging
Was het klooster Mariëndonk, gelegen op het platteland, in tijden van onrust uiterst kwetsbaar, dat van Mariënkroon binnen Heusden, maar aan de Maas en op de scheidslinie van Noord en Zuid, zou bij de inzet van de Tachtigjarige Oorlog evenmin aan de troebelen ontsnappen. We weten, dat die van Mariëndonk in 1577 binnen Heusden's wallen waren gevlucht; ongetwijfeld waren hun de lotgevallen van de nabijgelegen Abdij van Berne in het jaar 1572 ter ore gekomen: de plundering der gebouwen, de prijsgevangenschap van de provisor en het uitwijken van de Berners naar het sterke Den Bosch. *  In 1579 werd de Heusdense priorij, evenals de St.-Catharinakerk verwoest, maar kort tevoren hadden de door nood samengedreven conventen hun toevlucht gezocht in de Bossche vesting, waar Mariëndonk al sinds 1485 een refugiehuis gehad zal hebben. * 
Verstoken van de meeste inkomsten uit hun landerijen, leidden ze er een kwijnend bestaan en waren ze gedwongen tot het sluiten van leningen. De overheid van de cisterciënzerorde bezon zich op het lot van menig klooster in de Nederlanden en het generale kapittel van Citeaux in 1584 besloot onze twee kloosters in rechte samen te voegen, *  beter gezegd: Mariëndonk weer in te lijven, te incorporeren bij Mariënkroon krachtens de hierboven aangehaalde clausule van van de scheidingsakte van 1443, om aldus te voorzien in het onderhoud van een aantal kloosterlingen, voldoende tot instandhouding van het koorofficie. De pater-abbas van Altencamp was vanwege de oorlogshandelingen verhinderd om de zaak te regelen. De abt van Cambron, toen vicaris-generaal van de orde in de Nederlanden, voerde de incorporatie uit bij akten van 20 april 1588. *  Juridisch bestond dus voortaan slechts Mariënkroon; graag bleef men echter de prior betitelen als die van de "verenigde kloosters Mariënkroon en Mariëndonk". Uiterlijk veranderde er niets, want reeds gedurende 15 jaren woonden de conventen tesamen, werden de goederen gemeenschappelijk beheerd en waren de meubels, boekerijen en bescheiden bijeen. * 
Einde in Den Bosch 1624
De economische basis was voor de gevluchte conventualen zeer wankel geworden, sinds Heusden, het Land van Heusden en Altena en de Langstraat, waar van oudsher de meeste kloostergoederen gelegen waren, in vaste handen van de Staten van Holland en Westfriesland waren geraakt. In 1576 werd de kastelein-drossaard van Heusden, Nicolaas Blanckaert, door de Staten van Holland tot ontvanger van de geestelijke goederen in het kwartier van Heusden aangesteld, zoals Van Schilfgaarde en Breesnee vermelden. Blijkens de resolutie van de Gecommitteerde Raden van Staten de dato 16 maart 1611 deed deze Blanckaert, aldus voornoemde auteurs, eind 1610 afstand van het rentmeesterschap over de goederen van Mariënkroon en Mariëndonk; de administratie daarvan werd toen gebracht onder het Geestelijk Kantoor te Delft, dat zich belastte met het onderhoud van de vier nog overgebleven conventualen. *  Een en ander werd met inachtneming van de bepalingen van het Twaalfjarig Bestand geregeld: de Aartshertogen traden 's Lands aanspraken op de nog in Spaans-Brabant gelegen goederen met realiteitszin tegemoet. Zij gingen er in de zomer van 1611 mee akkoord, dat alle bescheiden over het goederenbezit in Holland en Brabant aan de Gecommitteerde Raden werden overgedragen, op voorwaarde, dat ten behoeve van het convent inventaris en vidimus-authentiek ervan werden opgemaakt door de Bossche schepenen.
Wat ook geschiedde: in twee merkwaardige delen, die we gemakshalve hebben genoemd "Hollands Boek van Vidimus" en "Brabants Boek van Vidimus" (inv. nos. 87 en 88) werden de meest belangrijke bewijsstukken gekopieerd. Elk deel werd voorzien van een akte van vidimatie (reg nos. 1978 en 1970), ondertekend door de Bossche stadsgriffier en bezegeld met het gemeen schependomszegel aan koorden, door het deel getrokken. We veronderstellen tenminste om meerdere redenen, dat koord en zegel, die thans aan het tweede deel ontbreken, destijds wel zijn aangebracht, maar later verloren zijn geraakt. * 
Aldus verzekerden de conventualen zich van het recht op alimentatie van staatswege *  en werd tevens vastgelegd, van welke goederen zij afstand hadden gedaan: het getij moest eens keren..... Overigens bleef het nodig, zolang Stad en Meierij van Den Bosch nog Spaans waren, om zelf orde op zaken te houden en ten dele eigen beheer en administratie te voeren. Ook dit in akkoord met het Geestelijk Kantoor te Delft, waarmee het convent- om een concreet geval te noemen- bij een verkoop van huizen en kamers in 's-Hertogenbosch in 1612 overeenkwam, dat het van de verkoopsom 1000 pond zou behouden en de rest zou afdragen. De Bossche notaris en schepen Hendrik van Zoerendonk behartigde vanaf november 1612 officieel de feitelijk nog resterende kloostergoederen. * 
Van het schamel en vergrijsd conventje in ballingschap stierf de een na de ander. Twee overleden voor 1609; prior Troch en twee senioren volgden. Prior de Cort sloot de rij en zijn sterfdatum 7 november 1624 *  betekende het feitelijk einde van de herenigde kloosters. * 
De huizingen in Den Bosch bleven voorlopig voor de orde gereserveerd. Meubilair, boeken en linnengoed, aanvankelijk in goede staat bewaard, werden echter in de periode na het Twaalfjarig Bestand van de hand gedaan. In 1627 liet de rentmeester-generaal van Stad en Meierij de drie huizen, die nog op naam van onze kloosters stonden, in beslag nemen, te weten: het refugiehuis bij de Zusters van Orthen, het huis De Vergulde Sleutel aan de Schapenmarkt (vroeger Zadelstraat) en het huis De Groenweyde in de Minderbroederstraat. *  Ook met de landerijen was het een aflopende zaak. Op 14 september 1629 ging de vestingstad Den Bosch over en de Staten-Generaal, die rentmeester Van Zoerendonk de facto lang hadden gerespecteerd, verboden hem in 1631 voorgoed de administratie en ontvangst. * 
In ordesverband bleef enige hoop op herstel bestaan en men benoemde titulair-prioren, "priores absoluti", oversten zonder convent. Ons zijn drie namen bekend: Rolandus Schotte, Gabriël Page en Johannes de Saisne, resp. leden van de zuid-nederlandse abdijen Villers, Ter Duinen en Cambron. Schotte schijnt nog voornemens geweest te zijn, zich in het noorden te vestigen; hij schrijft op 29 januari 1625 aan de abt van Villers: "J'espererois de restablir un petyt nouveau cloistre et recepvoir de jeusnes plantes pour l'accroissement de nostre ordre; car il n'y a plus nulz vivants dudit cloistre". *  Maar het kwam er niet meer van. De tweede prior-titulair Page woonde te Gent als rector van een zusterklooster en De Saisne verwierf het ere-ambt "afin de pourvoir subsister". *  In 1683 werd de instelling van de prior-absoluti, verworden tot een holle prebende, in de orde van Citeaux opgeheven bij algemeen kapittelbesluit. * 
Het archief
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS