Archieven

 5199 Parochie Sint Servatius Schijndel, 1544 - ca. 1990
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Historisch overzicht
5199 Parochie Sint Servatius Schijndel, 1544 - ca. 1990
Inleiding
Historisch overzicht
GESCHIEDENIS VAN DE SINT SERVATIUS-PAROCHIE.

a. Sint Servatius.

Geboren te Phestia in Armenië als zoon van Emiu en Memelia.
Emiu was de zoon van Eliud, de zoon van Esmeria en broer van Elisabeth de moeder van St. Jan de Doper. Emeria was de zus van Anna, de moeder van Maria, de moeder van Jezus Christus. Zo is Sint Servatius verwant met St. Jan de Doper en Jezus Christus. Deze voorstelling van zaken heeft veel invloed gehad in de beeldende kunst.
Al als baby openbaarde zich in Sint Servatius "een nieuw en nooit gezien bewijs van grote en wonderbaarlijke heiligheid. Zodanig was zijn soberheid en onthouding dat hij op z'n hoogst tweemaal daags de moedermelk dronk"l). Als kind hield hij zich niet bezig met flauwe spelletjes en dergelijke. Te Jeruzalem ontvangt Sint Servatius als jongeling een geestelijke opleiding onder toezicht van de patriarch en wordt hij bewaker en bewaarder van het graf van Christus. Hier ontvangt hij van een engel de opdracht om als nieuwe ridder de zorg voor West-Europa op zich te nemen. Via Spanje en Gallig trekt hij, begeleid door de engel, naar Octavia in Lotharingen, ofwel Tongeren.
In die stad had bisschop Valentinus vlak voor zijn dood de bisschoppelijke tekenen zoals mijter, staf en ring op het hoofdaltaar neergelegd, wachtend op de door God gezonden nieuwe bisschop.
Toen Sint Servatius als pelgrim met de engel de kerk binnenkwam, veranderde die engel in een verblindend-lichtende gestalte. De engel haalde de tekenen van het altaar en gaf die aan Sint Servatius (309,314 of 336). Als bisschop spreekt Sint Servatius de gelovigen toe in hun eigen taal, en is hij voor iedereen een voorbeeld: de zieken die zijn handen of voeten aanraakten werden terstond van hun kwaal verlost, wat van zijn handen vloeide schonk de zieken genezing, wanneer mensen die van de duivel bezeten waren iets nuttigden van de spijzen die hij had laten staan werden ze van het boze bevrijd.
Hij brengt de blijde boodschap in de Kempen, de Ardennen, de Eifel en de lage landen.
Hij is een fel bestrijder van het Arianisme, d.w.z. de lering van Arius (256-336) dat Christus geen goddelijk wezen is, dus van een andere natuur dan God; dat Christus de door God geschapen, aangenomen Zoon is, om door Hem al het andere te scheppen. Volgens Arius is er maar een God, omdat de Zoon en de Heilige Geest (als schepping van de Zoon), geen goddelijke personen zijn. Het Arianisme is dus een godsdienst zonder God-Mens, zonder genade, zonder offer, zonder sacramenten. 2).
Omdat in Tongeren het verzet tegen zijn 'vreemde' persoon groeit, reist Sint Servatius naar Maastricht. In die plaats bouwt hij aan het kerkje gebouwd door St. Maternus, toegewijd aan St. Pieter, een klein zaalkerkje, gevolgd door een bedecel en een onderdak voor hemzelf en zijn gezellen. Tijdens zijn verblijf in Maastricht krijgt Sint Servatius een vizioen en een boodschap van God: Hij zal de volkeren kastijden middels de aziatische horden o.l.v. Attila. Volgens de legende is de boodschap van God de aanleiding voor Sint Servatius om op te roepen tot een bijeenkomst van alle kerkelijke en wereldlijke overheden te Troyes aan de Seine. Een andere reden kan zijn geweest de strijd tegen het Arianisme.
Dit concilie namelijk zet Effrata bsp. van Keulen af. Effrata was een aanhanger van het Arianisme.
Of Sint Servatius door het bestrijden van het Arianisme, d.w.z. van de tegenstellingen binnen de christelijke kerk, te weinig tijd overhield om zich te wijden aan zijn missionaire taak wordt door de legende niet bevestigd. Zeker is dat de legende het optreden van Sint Servatius niet aanvechtbaar vindt. 3)
Het Concilie van Troyes stelt Sint Servatius aan tot delegaat. Op weg naar Rome draagt Sint Servatius te Metz een H.Mis op.
Na de consecratie en transsubstantiatie valt met donderend geweld een balk uit het gebint omlaag, die de altaarsteen splijt maar Lichaam en Bloed van Christus spaart.
Met zijn speeksel kleeft Sint Servatius de breukranden van de steen weer aan elkaar.
Via de Alpen reist hij verder naar Rome en wanneer hij aldaar op Goede Vrijdag bidt voor de St. Pieterskerk, gaat rond middernacht plotseling de kerkdeur open en kan Sint Servatius neerknielen bij het graf van Sint Petrus; biddend tot Maria om voorspraak en hulp bij haar Zoon. Op het graf in slaap gevallen krijgt Sint Servatius een vizioen: schitterend licht straalt uit de Hemel, waar op een saffieren zetel Christus troont met aan zijn rechterhand Maria en omringd door legioenen'gelukzaligen. Sint Stephanus verwerft voor Metz dat de kathedraal gespaard zal blijven, maar geen van de heiligen wil spreken voor Tongeren.
St. Petrus troost Sint Servatius en geeft hem een kunstvolle sleutel, en daarmee de macht om te binden en te ontbinden, de Hemel te sluiten en te openen. Wie ooit de hulp van Sint Servatius zal inroepen die kan op de sleuteldrager rekenen. Sint Servatius deelt nu in de sleutelmacht van Christus' plaatsvervanger, de Paus van Rome.
Tijdens de reis terug naar Maastricht gebeuren meerdere wonderen. Gevangen genomen door barbaren wordt midden in de nacht de cel van Sint Servatius fel verlicht. Geschrokken laten de barbaren hun gevangene vertrekken. Wanneer Sint Servatius, verder reizend, zich te ruste legt naast de weg, verschijnt er een arend die hem met een vleugel koelte toewiekt en hem met de andere vleugel tegen de felle zon beschermt. In Zuid-Duitsland aangekomen trekt Sint Servatius, gekweld door dorst, een kruis op de bodem. Meteen welt een bron op die later aan vele mensen genezing schenkt. Om zijn dorst te kunnen lessen krijgt Sint Servatius van een engel een drinkbeker.
Wanneer hij te Keulen arriveert blijkt de poort van de stad gesloten. Op de plaats waar Sint Servatius zich, buiten de stad, te ruste begeeft verschijnt een vuurzuil als van puur goud tussen Hemel en aarde. Dankzij die vuurzuil ontdekken de inwoners van Keulen de slapende Sint Servatius. Op de plek waar de zuil verscheen bouwt absp. Severinus een kerkje genaamd Porta Caeli, de hemelse poort.
Aangekomen te Maastricht heeft Sint Servatius niet lang meer te leven: op 13 mei 384 sterft hij, precies op het uur dat Christus aan het kruis de geest gaf in Vaders handen.
Gedurende drie uren straalde een nooit gezien licht uit de Hemel en over het stoffelijk overschot spreidde een engel een zeldzaam zijden kleed als bedekking uit. Op de achtste dag werd de bsp. ter aarde besteld. In 581 liet St. Monulphus te Maastricht een kerk bouwen voor het gebeente van Sint Servatius, op de plaats van het oude oratorium van St. Maternus.
Toen men eeuwen later wilde overgaan tot elevatie en translatie van het gebeente wist men niet precies waar het graf zich bevond. Op een bepaalde plek begon men de vloer op te breken en weldra steeg uit de aarde een aroma dat zich naar alle richtingen verspreidde. Men ontdekte het lichaam van Sint Servatius gewikkeld in lijnwaad en stof van zijde. Het kruis op de borst van Sint Servatius bevatte een partikel van het Christuskruis. Aan zijn rechterhand lag de kromstaf, aan zijn linkerhand de sleutel. Nadat het zijden kleed en de zweetdoek waren weggenomen, straalde het gelaat van Sint Servatius als een heldere zon.
Toen men het lichaam naar boven wilde brengen, bleken alle ledematen zo heet als ijzer. Pas na het zingen van het "Exsurge Domfine" nam de hitte af en kon het gebeente in een zerk worden gelegd die van binnen met zilver bekleed was en van buiten met goud. Tegelijkertijd straalde een ongekend licht in de kathedraal.
Drie jaar verbleef het gebeente van Sint Servatius te Quedlinburg in Saksen. Het gebeente was daarheen overgebracht op last van keizer Otto, die daartoe was aangespoord door zijn moeder. Aan het verblijf aldaar kwam een einde toen enkele inwoners van Maastricht het gebeente uit de kerk van Quedlinburg ontvreemden. Tijdens de reis terug naar Maastricht begeleidde een lichtende wolk de stoet met het gebeente en geschiedden vele wonderen. Zo begonnen bij aankomst te Maastricht de klokken vanzelf te luiden en de kaarsen in de grafzerk van Sint Servatius plotseling te branden.
Na de dood van Sint Servatius gebeurden er overigens talrijke, wonderen, waarvan we er hier enkele willen verhalen.
Door het werk van Satan waaide het houten dak van de kerk van Sint Servatius, maar desondanks viel er geen druppel regen of sneeuw in de wijdgapende opening.
Toen de Noormannen de kerk te Maastricht wilden platbranden, werden ze gestraft door God: velen vielen van het dak naar beneden, verbrandden of plakten aan de gevel.
De vrouw van hertog Gijsbrecht van Lotharingen, een dochter van keizer Otto, ontvreemdde uit de schatkamer van Sint Servatius een prachtige doek. De japon die zij van die doek liet maken droeg ze op het hoogfeest van de heilige. Tijdens de H. Mis viel ze in slaap en weldra hoorden de aanwezigen haar schreeuwen om hulp. Wakker geworden vertelde ze dat ze in een vizioen was gegeseld door een lugubere kerel, ijzingwekkend van huid en haar, die haar het kleed van het lijf wilde rukken. Ze smeekte om hulp en Sint Servatius strekte zijn hand uit en redde haar.
In de schatkamer van de Sint Servatiuskerk te Maastricht bevinden zich o.a. de sleutel, de drinkbeker, de bisschopsstaf, de arm van de apostel Thomas en de reliekbuste van Sint Servatius.

Noten:
1) De gegevens voor deze geschiedenis heb ik vooral ontleend aan de publikaties van J. Notermans, Legende van Sint Servatius. Naar een tekst uit de XVe eeuw bewerkt door J. Notermans. Heerlen 1948, 155 blz. en J. Notermans, Sint Servaas. Een Europese Figuur. Maastricht 1957, 45 blz.
2) R. Post,Handboek van de Kerkgeschiedenis. Deel I. De Geschiedenis van de Oude Kerk. 5e druk. Nijmegen/Utrecht 1962. blz. 119.
3 . J.G. Kikkert, De Brabanders. Oorsprong en geschiedenis van De Brabanders. Amsterdam/Brussel 1980. blz.55.
b. Parochie.

Wanneer we op deze plaats iets moeten vertellen over het ontstaan en de vroege geschiedenis van de parochie, kunnen we niets beters doen dan terugvallen op boeken zoals die van J.A. Coppens en L.H.C. Schutjes 1). Een bijkomend probleem is dan nog dat beide schrijvers het over dat begin van de parochie niet eens zijn met elkaar.
In 1331 wordt in de kerk van Schijndel het pastoraat of vicbria perpetua gevestigd. Bij die gelegenheid wordt de investiet Gherlacus genoemd, die aan de aartsdiaken van Kempenland als eerste vicaris Leonius van Erp voorsteld. Hetzelfde jaar, op 23 april, geeft Henricus van Amstel, pastoor van Dinther, als patroon der kerk van Schijndel, hieraan zijn goedkeuring.
De vraag of de kerk van Dinther nu wel of niet de moederkerk van de kerk van Schijndel is, kan met de huidige kennis niet beantwoord worden. Over de vroege geschiedenis kan pas met zekerheid meer gezegd worden na uitvoerig archiefonderzoek elders.
De eerste kerk brandde op 17 juli 1347 af. Op de Heikant werd toen een nieuwe kerk gebouwd, die echter in 1512 door de Geldersen in as werd gelegd. In de Kluis werd toen een nieuw kerkgebouw gebouwd dankzij grote geldelijke offers van de kant van de burgerij, geholpen door een pauselijke aflaat voor alle steunverleners. In 1540 was die nieuwe kerk gereed. De toren van die kerk dateert echter van voor 1500.
Op 4 december 1545 werd het personaatschap van de kerk van Schijndel door Philippus van Doorn (de Spina) overgegeven aan de Theologische Faculteit van de Universiteit van Leuven. Tot de inkomsten van dat personaatschap behoorden de tienden van Schijndel.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd de Schijndelse kerk meerdere malen leeggeplunderd en net zoals voor de andere katholieken in de Meierij zal voor de katholieken van Schijndel het leven niet gemakkelijker geworden zijn na de val van 's-Hertogenbosch in 1629.
In het archief is van dat alles echter niets terug te vinden. Ook niet van de gevangenneming op 13 april 1649 van pastoor Adriaan Rutgers van Berlicum door de Hoogschout Hendrik de Bergaigne. Dankzij de tussenkomst van Joachim Jansse van der Schoot, Gijsbert van den Bogaert en Nicolaes Peters van Grinsven werd de pastoor vrijgelaten op 16 mei 1649.
Sinds die tijd vertoefde de pastoor van Schijndel in Uden, in het 'vrije' land van Ravenstein. Hij en zijn opvolger Hachtenberg (of Haestenberch of Haesterberch) schijnen tot 1658 van de Veghelse kerk aldaar gebruik te hebben gemaakt 2).
In dat jaar, 1658, werd het contract gesloten tussen pastoor Haestenberch
en de priester Jan Verrijth, waarbij de pastoor dwars op het huis van de priester een nieuw huis mocht bouwen, dat kon dienen als kerkgebouw voor inwoners van Schijndel, Veghel en Sint Oedenrode en als schoolgebouw voor de kinderen uit Schijndel en Veghel.
Vanwege de inval der Fransen in 1672 versoepelde de houding van de Staten-Generaal tegenover de katholieken, met als direkt gevolg de toestemming tot het bouwen van schuurkerken in de eigen parochies.
De katholieken van Schijndel bouwden een schuurkerk op de Heikant. In 1771 verleenden de Staten-Generaal toestemming tot het bouwen van een nieuwe schuurkerk. (inv.nr.: 191).
Tegenover deze schuurkerk werd een pastorie gebouwd, die als zodanig dienst deed tot 1836, toen daarin het klooster werd gevestigd en de pastoor zijn nieuwe pastorie in de buurt van de kerk in de Kluis betrok. Uit inv.nr. 379 blijkt dat de R.K. Gemeente in 1766 het huis kocht dat eertijds werd bewoond door pastoor Idoleth.
Ook Schijndel kende zijn "paapse stoutigheden" en de gevolgen daarvan. Er werd tweemaal een interdiktie uitgevaardigd, beide keren tegen pastoor Idoleth. De eerste in 1740, de tweede in 1751. Van de eerste interdiktie is in het archief niets terug te vinden, van de tweede wel: inv.nr.: 19. Na de komst der Fransen in 1795 begon de strijd met de hervormden over het bezit van de parochiekerk. Die strijd werd beslist in het voordeel van de katholieken en wel middels Koninklijk Besluit van 1809. Van die strijd getuigen de inventarisnummers 29 en 30.
Het oudste archiefstuk betreffende de aanstelling van de pastoors dateert uit 1544. Het is de aanstelling van Andreas van Uden (inv.nr.: 215). Betreffende de aanstelling van kapelaans vinden we niets terug in het archief. Het oudste archiefstuk betreffende het kerkgebouw dateert uit 1809 (inv.nr.: 151). Het betreft de verplichting van de tiendheffers bij te dragen in de kosten van onderhoud van toren en kerk. Het oudste archiefstuk betreffende de tienden dateert van 1560, d.w.z. er bevindt zich in het archief een afschrift van de verpachting van de korentiende in dat jaar. Het afschrift dateert uit 1618 (inv.nr.: 436).
Voor de oudere geschiedenis van de parochie zijn zeker nog van belang de heiligenkalender (inv.nr.: 110), het stuk betreffende de beneficia van het Altaar van O.L.V. (inv.nr.: 250), het jaargetijdenboek (inv.nr.: 417) en het cijnsboek van de vicarie (inv.nr.: 453).
Voor de parochie-geschiedenis na 1800 biedt dit archief een schat aan informatie. Uitzonderingen daarop zijn ons inziens de stukken betreffende de stichting van nieuwe parochies en de armenzorg.
Veel informatie bevatten bijvoorbeeld de stukken betreffende de correspondentie (inv.nrs.: 1 t/m 92), de memorialen (inv.nrs.: 99 t/m 102), de diaria (inv.nrs.: 103 t/m 109), de stukken betreffende de gebouwen beheerd door het kerkbestuur en de inrichting daarvan (inv.nrs.: 151 t/m 214), de notulen van het kerkbestuur (inv.nrs.: 236 t/m 239), de stukken betreffende de broederschappen en godsdienstige verenigingen (inv.nrs.: 252 t/m 312) en de stukken betreffende de roerende goederen toebehorende aan de kerk (inv. nrs. : 415 t/m 471).
Genoemde inventarisnummers herbergen zoveel informatie dat het ons inziens ondoenlijk is in kort bestek een overzicht te geven van de geschiedenis van de parochie na 1800. Elk van de aangehaalde voorbeelden is een aparte studie waard, en wij hopen dat deze inventaris tot het plegen van verdere studie een eerste aanzet mag zijn.

Noten:
1) J.A. Coppens, Nieuwe Beschrijving van het Bisdom 's-Hertogenbosch. Deel III. Afd. 2. Hfdst. 7, blz. 203 e.v. 's-Hertogenbosch 1843; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het Bisdom 's-Hertogenbosch. St. Michielsgestel, 1870.
2). A. Meuwese, Kerkhuizen van Veghel en Schijndel op Udens gebied. In: Brabants Heem, jrg. VI. 1954, pag. 36 t/m 41.
Het archief
Bijlagen
Inventaris
Deel 1 door A. Prinsen
Deel 2 door A. van Dijk
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Openbaarheid:
Deze toegang bevat een of meer stukken die tot 1 januari 2024 niet zonder meer openbaar zijn.
Het precieze jaar van openbaarheid kun je per inventarisnummer vinden.

Bij vragen kun je contact opnemen met het BHIC.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS