skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Jaël Jonkman
Jaël Jonkman RA Tilburg
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Jaël Jonkman
Jaël Jonkman RA Tilburg

Archieven

 19 Raad van Brabant, 1586 - 1811
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
beacon
 
 
Inleiding
Historisch overzicht Raad van Brabant
Zoals in andere Nederlandse gewesten had ook in Brabant de rechterlijke organisatie zijn beslag gekregen tijdens de regering van de Bourgondische hertogen. De hoogste rechtsmacht was in Brabant toevertrouwd aan een afdeling van de hertogelijke raad, die aanvankelijk de naam raadkamer droeg en later de naam Raad van Brabant kreeg.
De opstand der Nederlanden tegen hun landsheer bracht een scheiding teweeg in Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De opstand veroorzaakte ook een scheiding in het hertogdom Brabant. De wapens hadden beslist dat één gedeelte onder de Spaanse koning bleef en het ander gedeelte aan de Staten-Generaal kwam. Tijdens de troebelen werd in het deel dat niet door de Spaanse troepen bezet was (in 1586 alleen de stad Bergen op Zoom) de uitoefening van de rechtspraak belemmerd door de onmogelijkheid van appelleren aan het hoogste hof nl. de Raad van Brabant. In Brussel immers zouden de inwoners van Bergen op Zoom als opstandelingen beschouwd worden. Daar men echter al anderhalve eeuw gewend was aan het instituut van appèl op gewestelijk niveau, richtte de rekenkamer van het markiezaat zich tot de gouverneur-generaal, de graaf van Leicester, met het verzoek in dit appèl-recht te voorzien. Prins Maurits, die sinds de dood van zijn vader in 1584 bewindvoerder was van het markiezaat, ontving in 1586 een machtiging van Leicester om voor bergen op Zoom een raad in te stellen als vervanger van de Brusselse Raad van Brabant. * 
In augustus van dat jaar benoemde Maurits om dat doel te bereiken een commissie van drie heren uit de Nassause domeinraad. Hierbij stond hij, als stadhouder van Holland, de commissie toe zich te Delft of Den Haag te vestigen. Tevens bereidde hij bij die gelegenheid de machtiging, die hem door Leicester was verleend, uit tot heel Brabant. * 
Op 18 november 1586 bekrachtigde het Hof van Holland de door de stadhouder verleende vestigingsvergunning voor Den Haag of Delft. *  Op 26 september 1591 tenslotte werd de Raad bij resolutie van de Staten-Generaal officieel opgericht. Het gezag van de Raad werd gelijkgesteld aan dat van de Brusselse Raad van Brabant. * 
Het einde van de Raad kwam in 1795: op 9 september 1795 werd de Raad officieel te kennen gegeven, dat de Staten-Generaal in augustus een Hof van Justitie over Bataafs Brabant te 's-Hertogenbosch hadden opgericht en dat daarmee de werkzaamheden van de Raad waren beëindigd. Zijn leden en bedienden werden van hun eed ontslagen. Nog op de avond van diezelfde 9e september ging de Raad voorgoed uiteen. * 
Erfgoedstuk
Samenstelling Raad
Jurisdictie
Competentie
Officie-Fiscaal
Leenhof
Hof Van Justitie (1795-1802) en departementaal gerechtshof (1802-1811)
Procesgang in criminele zaken * 
Procesgang in civiele zaken * 
19 Raad van Brabant, 1586 - 1811
Inleiding
Historisch overzicht Raad van Brabant
Procesgang in civiele zaken * 
Loovens onderscheidt drie manieren van procederen voor de Raad van Brabant, die in de procesdossiers terug te vinden zijn:
- communicatoir, wat inhoudt dat het proces geheel schriftelijk gevoerd wordt. Dit gebeurt met name in zaken tegen steden, drossaarden, schouten etc. en tegen edelen. Vooral in de 18e eeuw zijn echter ook in andere zaken de processen op deze wijze gevoerd. Zo vaak zelfs dat de rolzaken bijna verdrongen zijn. * 
- ter rolle, mondeling en in het openbaar, de meest gebruikelijke manier.
- voor commissarissen, achter gesloten deuren en dat in zaken tussen leden van één gezin onderling, tussen wezen en hun voogden. Verder in zaken van scheiding en deling van een erfenis, van surséance van betaling, van kwijtschelding van betaling, van beden, contributie en plaatselijke belastingen, kortom in alle zaken waarvan men het niet behoorlijk vindt dat zij in het openbaar behandeld worden en die bovendien meestal op korte termijn beslist moeten worden.
Elke zaak begint met een verzoekschrift aan de Raad, waarin uitgedrukt staat van wie men iets te eisen heeft en wat. Dit verzoekschrift moet opgesteld en ondertekend zijn door een bij de Raad geadmitteerde advocaat, en door een procureur worden aangeboden. In Brussel wordt zo'n verzoekschrift aangeboden aan Requestmeesters, maar deze functionarissen komen in de Haagse Raad niet voor, en daar moet het verzoekschrift aangeboden worden aan de Raad zelf. De Eerste Presiderende zal daar alle verzoekschriften verdeeld hebben onder de aanwezige raadsheren, die dan als requestmeesters optreden. In een apostille wordt dan beslist of de zaak aanhangig gemaakt kan worden, en zo ja, hoe geprocedeerd moet worden. Deze apostille moet los bewaard worden in de griffie, maar in de praktijk wordt zij alleen maar gesteld boven aan in de marge van het eerste blad van het verzoekschrift.
Luidt de apostille: zij dese requeste gecommuniceert aen partije omme etc.-en moet dus het proces communicatoir behandeld worden-dan heeft de procureur van de eisende partij (hier suppliant genoemd) de verplichting om voor toezending aan de wederpartij (de rescribent) te zorgen.
Daartoe licht hij het originele verzoekschrift en overhandigt dit aan een deurwaarder, die het aan de rescribetn overbrengt. Van zijn bevindingen moet de deurwaarder verslag uitbrengen en dit relaes stelt hij op de kopie van het verzoekschrift, die de procureur van de suppliant behouden heeft. De tegenpartij stelt tegen het verhaalde in het verzoekschrift een rescriptie op, die op dezelfde manier behandeld wordt als het verzoekschrift. De suppliant antwoordt dan met een repliek, de rescribent weer met een dupliek.
Is deze dupliek vergezeld van bijlagen, dan volgen nog een tripliek en quadrupliek. Meestal echter is de dupliek het laatste geschrift en dan moet zij geheim blijven voor de suppliant. De tijd die men heeft om op het geschrift van de tegenpartij te antwoorden, is de gewone termijn. In Brussel is dat acht dagen, maar in Den Haag voor de mensen uit Staats-Brabant twee weken en voor die uit de Landen van Overmaze drie weken. *  Wel kan men prolongatie of uitstel verzoeken, dat gewoonlijk voor ten hoogste drie termijnen verleend wordt. Vervolgens worden alle geproduceerde stukken gefurneerd, d.w.z. onder inventaris ingeleverd ter griffie, en daarna door de Eerste Presiderende ter hand gesteld aan een raadsheer. Deze (de rapporteur) heeft tot taak de zaak samen te vatten, in de Raad daarover rapport uit te brengen en het vonnis voor te bereiden.
De beide andere manieren van procederen verschillen onderling in details, niet in hoofdzaken. Daarom volgt hiet een korte schets van de procesgang ter rolle, waarna zal worden aangeduid, waarin de procedure voor commissarissen daarvan afwijkt.
Zodra de Raad de zaak ontvankelijk heeft verklaard, moet de procureur van de requirant (=hij die het verzoekschrift heeft ingediend) aan de griffier een mandement van daegsele verzoeken, d.w.z. een bevelschrift van de Raad aan de deurwaarder om de daging te doen. De deurwaarder gaat dan met dat mandement naar de tegenpartij, leest het daar voor en geeft aan wanneer de zaak zal voorkomen. Van het mandement laat hij een kopie achter bij de gadaagde, op welke kopie ook een aantekening staat van de datum waarop de zaak voor zal komen. Het mandement zelf geeft hij terug aan de procureur van de eisende partij, samen met zijn relaas.
Op de vastgestelde dag (de dienende dagh) zijn er vier mogelijkheden:
A. beide partijen verschijnen, en de zaak gaat voort zoals hieronder wordt beschreven;
B. geen van beide partijen verschijnt. Dan is de zaak van de baan en betaalt de eiser de proceskosten;
C. eiser verschijnt maar gedaagde niet. Zie hiervoor de verstekprocedure;
D. eiser verschijnt niet, maar gedaagde wel. Als de gedaagde dan middels de kopie van het mandement kan bewijzen, dat het de dienende dagh is, dan vraagt en verkrijgt hij oirlof van den Hove, d.w.z. ontslag van instantie. Kan hij dat niet bewijzen, dan wordt hem comparuit verleend en kan hij op een later tijdstip, na oproeping van de eiser om hem in de kosten te laten veroordelen, dat bewijs alsnog overleggen, waarna het ontslag volgt.
Ad A. Beide partijen verschijnen
Ad B. Geen van beide partijen verschijnt
Ad C. De eiser verschijnt, maar de gedaagde niet (het verstek) * 
Ad D. De eiser verschijnt niet, maar de gedaagde wel
Het archief
Resoluties Raad van Brabant
Leenboeken van het leenhof van Brabant
Verantwoording van de inventarisatie
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1586-1811
Vindplaats origineel:
BHIC 's-Hertogenbosch
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS