Archieven

 19 Raad van Brabant, 1586 - 1811
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Historisch overzicht Raad van Brabant
Het archief
Resoluties Raad van Brabant
Leenboeken van het leenhof van Brabant
sluiten
19 Raad van Brabant, 1586 - 1811
Inleiding
Leenboeken van het leenhof van Brabant
NB. De personen-, plaatsnamen- en resolutie-indexen zijn online raadpleegbaar via 'Archieven en boeken' - 'Zoeken in specifieke databases' - 'Personen/ Plaatsen/ Resoluties Raad van Brabant'. Klik hier. BHIC

Op bladzijde 24 van de inleiding op de inventaris van het archief van de Raad van Brabant *  werd aangekondigd dat er een analyse van de inhoud van de resoluties van de Raad zou verschijnen en indices op de leenregisters. De publicatie over de resoluties kwam in 1984 gereed. Thans verschijnen de indices op de leenboeken van de Raad als voorlopig laatste onderdeel.
Het ligt in de bedoeling te zijner tijd een verhandeling te publiceren over het Haagse leenhof van Brabant. Daarom wordt in deze inleiding slechts zeer summier over het leenstelsel en de ontwikkeling, bevoegdheden en werkzaamheden van het hof gesproken. Voor nadere oriëntatie wordt naar deze verhandeling verwezen.
Historische inleiding

Het leenstelsel in het algemeen * 
Het leenstelsel ontwikkelde zich tussen de zesde en de tiende eeuw en heeft een grote invloed gehad op zowel het publiek- als het privaatrecht. Het is ontstaan uit een combinatie van beneficium en vazalliteit.
Beneficium, letterlijk weldaad, was het afstaan van onroerend goed door de eigenaar aan een ander om hem een gunst bijvoorbeeld voor bewezen diensten te bewijzen. Later ontwikkelde zich hieruit een zakelijk recht krachtens hetwelk men gebruik had van de grond en men verplicht was diensten te verrichten of geld te betalen. Kenmerkend voor het beneficium was de afhankelijke positie van de grondgebruiker ten opzichte van de grondeigenaar.
Vazalliteit ontstond doordat personen die zich onvoldoende beschermd achtten bescherming zochten bij machtiger personen. In ruil voor die bescherming konden allerlei diensten van hen gevraagd worden, op den duur ook militaire. Deze verhouding tussen beschermer en beschermde of vazal was een persoonlijke.
De verbinding tussen deze twee verschijnselen ontstond toen de beschermers hun vazallen een beneficium gaven, een gebruiksrecht van grond omdat zij diensten verrichtten voor hun heer, zoals de krijgsdiensten. Later deed zich het verschijnsel voor dat het gebruiksrecht van de grond erfelijk werd. Bovendien werden niet alleen gronden uitgegeven, maar ook allerlei andere rechten, zelfs tot het recht om (bepaalde vormen van) overheidsgezag uit te oefenen toe. De persoonlijke band zoals die oorspronkelijk tussen vazal en beschermer bestond verslapte, terwijl ook de militaire verplichting verdween. De leenverhouding evolueerde tenslotte tot een gewoon zakelijk vermogensrecht. Zodoende konden personen die niet tot militaire verplichtingen in staat waren, zoals vrouwen en geestelijken, een leenverhouding aangaan.
Wanneer men beleend werd met een bepaald goed of recht ontving men het recht op genot hiervan, terwijl men hulde en manschap deed, d.w.z. de belofte van trouw en de belofte zekere prestaties te verrichten, bijvoorbeeld goederen te leveren of krijgsdiensten te verrichten. Deze belofte werd gedaan aan de leenheer. Bij gelegenheid van de belening door de leenheer en verheffing door de leenman van het leen moesten door de leenman heergewaden en hofrechten worden betaald. De hofrechten waren een soort griffieleges. Het heergewaad diende als erkenning door de leenman van de rechten van de leenheer. Van de belening werd een verleibrief of leenakte opgemaakt. In deze akte stond dat hulde en manschap waren gedaan, en dat de hofrechten en heergewaden waren betaald. Verder werd omschreven waaruit het leengoed of recht nu precies bestond. Dit noemt men het denombrement. Vóór de leenverheffing moest de leenman zijn leengoed of recht duidelijk, uitgebreid en gespecificeerd omschrijven. * 
Dit gebeurde in de akte van denombrement die ter griffie van het leengerecht moest worden ingeleverd. Ook op andere momenten moesten akten van denombrement opgemaakt worden, zoals bij het optreden van een nieuwe leenheer of als de leenheer van tijd tot tijd wilde overgaan tot de inventarisatie van zijn leengoederen of rechten. Met behulp van de ter griffie berustende akten van denombrement werden de leenregisters opgesteld. Onder aan de bladzijde werd het leengoed of recht vermeld. Daarboven plaatste men de opeenvolgende leenmannen.
Het Haagse Leenhof van Brabant
Voordat het Haagse leenhof in 1591 werd opgericht, functioneerde in heel Brabant het leenhof van Brabant te Brussel. Wanneer dit hof precies is ontstaan is moeilijk aan te geven. Oorspronkelijk zal het zo geweest zijn dat bij de beleningsplechtigheid, naast de leenheer en leenman andere leenmannen en dienaren van de leenheer aanwezig waren als getuigen. Onder de dienaren van de leenheer waren personen die de beleningshandeling op schrift stelden. Hieruit ontwikkelde zich de functie van griffier van het leenhof. Later, zeker in de Bourgondische tijd, was de leenheer zelf vaak afwezig en liet hij zich vertegenwoordigen door een plaatsvervanger. Uit de figuur van deze plaatsvervanger ontwikkelde zich later het ambt van president van het leenhof. De leenmannen die oorspronkelijk als getuigen bij de beleningsplechtigheid aanwezig waren, ontwikkelden zich tot de rechters van het leenhof. Toen steeds meer delen van Brabant tengevolge van de opstand tegen de Spaanse koning in de macht van de Staten-Generaal te 's-Gravenhage raakten, en bijgevolg de leenzaken, die daar voorkwamen niet meer in Brussel behandeld konden worden, ontstond de noodzaak van een voorziening. Op 26 september 1591 richtten de Staten-Generaal definitief een raad en leenhof van Brabant op. *  In de plaats van de kanselarij en het leenhof van Brabant in Brussel, zo besloten de Staten, zouden zeven raden worden aangesteld om de taken van die lichamen over te nemen. Ook de competentie van de nieuwe raad en de regels waaraan ze zich te houden had zouden gelijk zijn aan die van de Brusselse raad en het leenhof aldaar. Voor wat betreft het Staatse gedeelte van Brabant, nam het Haagse leenhof de taken van het Brusselse hof over.
Het Haagse leenhof bestond uit een voorzitter, altijd de eerste presiderende van de Raad van Brabant, en twee leenmannen. Dit hele college werd vast benoemd. De leenmannen lieten zich soms vervangen. Ook kwam het wel eens voor dat er meer dan twee leenmannen optraden. Leenmannen moesten in ieder geval raadsheer zijn. *  Als griffier van het leenhof fungeerde de griffier van de Raad van Brabant. Verder maakte het leenhof ook gebruik van het overige personeel van de Raad, zoals deurwaarders, klerken en boden. De leenvinder echter was een functionaris die alleen het leenhof ten dienste stond.

De taak van het Haagse leenhof van Brabant was bijna geheel administratief. In het archief van het leenhof is nagenoeg niets over rechtspraak in leenzaken te vinden. Er zijn geen processtukken, geen rol en geen vonnisregisters. Kwesties over leenzaken werden namelijk gewoon als civiele zaak door de Raad behandeld. *  In twee katernen *  vindt men resoluties, sententies en beschikkingen die allen betrekking hebben op het opsporen van lenen, het dwingen van de bezitters of eigenaars van die goederen die te verheffen, en het administreren van gevonden, maar niet beheerde leengoederen.
De administratieve taak van het leenhof was des te belangrijker. Primair denken we hierbij aan het doen van beleningen en het registreren van de verheffing van lenen. Dit is neergelegd in de leenregisters en in stukken die ten nauwste met die leenregisters samenhangen. Alles bij elkaar is dit een aanzienlijk deel van het archief van het leenhof. Verder registreerde het hof rechtshandelingen met betrekking tot leengoederen en tenslotte poogde het zoekgeraakte lenen op te sporen en de rechthebbenden op deze goederen te dwingen deze voor het hof te verheffen.

Het leenhof vond zijn einde tegelijk met de Raad van Brabant in september 1795. Zijn taak werd overgenomen door het leenhof van Bataafs Brabant (1795 - 1811) dat eerst te 's-Hertogenbosch en later in Breda gevestigd was.
De indices

De leenregisters
Het archief van het leenhof werd bewaard met het archief van de Raad en heeft alle lotgevallen ervan gedeeld. Deze zijn beschreven in de inleiding op de inventaris van het archief van de Raad van Brabant, deel I, blz. 16. *  Of het als apart onderdeel bewaard en beheerd is geweest, valt niet na te gaan. Het archiefbeheer bij de Raad was nogal chaotisch en van een bepaalde orde was nauwelijks sprake. Bij de inventarisatie zijn alle stukken van het leenhof bij elkaar geplaatst.

Een groot gedeelte van het archief bestaat uit leenregisters. Deze bevatten een omschrijving van de leengoederen, met vermelding van de eerste leenman en zijn opvolgers, met aantekening van verheffing en belening. Het zijn de inventarisnummers 1111, 1125, 1129, 1130, 1131, 1138, 1139, 1144, 1145, 1146, 1147. Zij zijn hier geindiceerd. De inventarisnummers 1126, 1127, 1136, 1137, 1148, 1149, 1150, 1151 zijn klappers, uittreksels of bevatten anderszins gegevens die in de geïndiceerde leenregisters voorkomen. Zij zijn daarom niet verder toegankelijk gemaakt. De akten voorkomende in de registers van akten betreffende leenzaken, inventarisnummers 1115 - 1121, zijn belenings- en verheffingsakten. Deze akten werden ook geregistreerd in de leenregisters, zoals na uitgebreide steekproeven kon worden vastgesteld. Van lang niet alle beleningen en verheffingen die in de leenregisters staan is een beleningsakte terug te vinden in voornoemde registers. Ook deze registers zijn derhalve niet geïndiceerd.
Min of meer in verband met de taak van het hof van belening en verheffing van leengoederen en rechten staan de inventarisnummers 1112 en 1122. De inventarisnummers 1123, 1124, 1128, 1132, 1133, 1134, 1135, 1141, 1142, 1143 hebben betrekking op het opsporen van zoekgeraakte lenen, het dwingen van de rechthebbenden daarop om ze voor het hof te verheffen, het administreren van gevonden maar niet beheerde leengoederen en de strijd van het hof tegen de verduistering van lenen.

Wijze van indiceren
Meestal staat onder aan de bladzijde de omschrijving van het leengoed of recht. Daarboven staan de opeenvolgende leenmannen, van onder naar boven. De laatste leenman staat bovenaan, de oudste onderaan, vlak boven de omschrijving van het goed.

De nummers achter de vindplaatsen, maar voor het horizontale streepje verwijzen naar de inventarisnummers (nrs. 1111, 1125, 1129, 1130, 1131, 1138, 1139, 1144, 1145, 1146, 1147). De nummers na het horizontale streepje verwijzen naar de nummers van de bladzijden. Verwijzingen naar verschillende registers worden door een punt-komma van elkaar gescheiden. Bijvoorbeeld: "1111 - 208, 211 en 232; 1125 - 810 en 1128; 1145 - 2973."
De nummering van de bladzijden begint in het eerste register, inventarisnummer 1111, wordt voortgezet in de volgende registers en loopt door tot en met het laatste register, nummer 1147.
Rubriceren
- Leengoederen en rechten
Alleen leengoederen en rechten zijn geïndiceerd en niet hun belendingen, die ook vaak vermeld zijn. De namen van alle lenen in één gemeente staan bij elkaar. De gemeenten volgen elkaar op in alfabetisch-lexicografische volgorde. Uitgegaan is van de gemeentelijke indeling van 1828. Deze is samen met de namen van gehuchten en gemeentedelen te vinden in een alfabetische lijst van plaatsen, opgenomen op blz. 45 - 93, in de Historische Kaart van Noord-Brabant in 1795. *  Een aanvullende lijst is hier opgenomen op blz. 472. * 

Binnen het namenbestand van één gemeente staan eerst alle namen bij elkaar van lenen die niet in een gehucht of onderdeel van een gemeente gelegen zijn of waarvan dat niet bekend is. Daarna volgen de namen van lenen die thuisgebracht konden worden in een bepaald gehucht of
gemeentedeel. Wanneer niet duidelijk is in welke gemeente een bepaald gehucht ligt, beschouwen we het als een gemeente.

Binnen de hiervoor genoemde groepen namen van lenen is de orde zodanig dat eerst de leengoederen zonder speciale benaming komen, daarna die met een speciale benaming. Na de leengoederen volgen de leenrechten. Het eerst komen de vermeldingen waarin het complex heerlijke rechten als geheel wordt aangeduid. Bijvoorbeeld onder de leenrechten van Liempde, "het dorp", "de heerlijkheid", "de hoge justitie". Daarna volgen de leenrechten zonder nadere aanduiding of naam.
Vervolgens komen de leenrechten die wel nader aangeduid zijn. Soms was een nadere uitsplitsing noodzakelijk. De vindplaatsen die één recht of soort recht betreffen staan bij elkaar. Bijvoorbeeld onder de leenrechten van Liempde "visrecht in de Dommel", "visrecht in het Smalwater", en "grove tienden", "smaltienden", "tienden". Nu een voorbeeld van het geheel:
"de heerlijkheid.....
"jachtrecht
"molenrecht
"grove tienden
"smaltienden
"tienden
"tienden in de Cleyne Beemt
"tienden in de Molenakker
"visrecht
"visrecht in de Dommel
"visrecht in het smalwater
"warande"
Tenslotte volgen de cijnzen, maar dan alleen wanneer er niet vermeld staat dat zij uit bepaalde al dan niet met een speciale naam genoemde goederen komen. Bijvoorbeeld "een cijns te Aarle-Rixtel" valt onder deze categorie, "een cijns uit goederen te Aarle-Rixtel" echter niet. Dit laatste valt onder de categorie "leengoederen (zonder speciale benaming) te Aarle-Rixtel".
- Personen en instellingen
In de leenregisters komen meer namen voor dan die van beleende personen of instellingen zoals bijvoorbeeld van getuigen, procureurs, lasthebbers en buurlieden, die voorkomen bij de omschrijving van leengoederen. Deze namen zijn niet geïndiceerd. Niet alleen personen konden beleend worden. Dat was ook het geval met instellingen zoals kerken, kloosters en corporaties voor armenzorg. De voor deze instellingen optredende sterfmannen zijn wel geïndiceerd, evenals de instellingen zelf. Ze zijn opgenomen onder de plaats van vestiging.

Alfabetisering
De hoofdregel is dat alle namen volgens alfabetisch-lexicografische methode worden gerangschikt. IJ komt onder i en j behalve wanneer hij in combinatie met een andere klinker voorkomt. Dan wordt hij als Y beschouwd. Bijvoorbeeld "lijster" komt voor "linde" en "Leijten" komt na "Lensen". Buitenlandse namen worden in de oorspronkelijke spelling opgenomen.

- Leengoederen en rechten
De namen zijn in oorspronkelijke spelling opgenomen. Wanneer een naam verschillend gespeld wordt, is geordend op de meest voorkomende variant met daarachter de aanduiding van de andere varianten. Bestaat een naam uit meerdere woorden, dan is op het eerste woord geordend. Een uitzondering vormen de lidwoorden, voorzetsels en voorvoegsels. Bijvoorbeeld "Cleyne Beemt" staat onder de C. "Aen de Cleyne Beemt" staat ook onder de C. "'s-Hertogenbosch" is te vinden onder de H.
- Personen en instellingen
Zijn er meer instellingen in één plaats te vinden die beleend zijn, dan worden ze alfabetisch-lexicografisch geordend op het eerste zelfstandig naamwoord. Voorbeeld:
" 's-Hertogenbosch, de armenzorg van -
" 's-Hertogenbosch, de kerk van St. Jan te -
" 's-Hertogenbosch, de kerk van St. Pieter te -
" 's-Hertogenbosch, het klooster van St. Anna te -
" 's-Hertogenbosch, het klooster van St. Klara te -
" 's-Hertogenbosch, de tafel van de Heilige Geest te - "
Wanneer dezelfde naam verschillend gespeld wordt, staat die variant in de index welke het dichtst de tegenwoordige schrijfwijze benadert. De overige varianten zijn tussen haakjes daarachter opgenomen. Ook zij zijn in de index op hun alfabetisch-lexicografisch bepaalde plaats opgenomen, waarbij verwezen wordt. Bijvoorbeeld:
"Frederiks (Freecks) (Vredericks)"
"Vredericks, zie Frederiks"
"Freecks, zie Frederiks"
Personen met een achter- of familienaam, ook al is dat een patronym, zijn ook op die naam geordend. Wordt een persoon alleen met de voornaam genoemd dan is hij geindiceerd op die voornaam. Dat is ook zo in de gevallen waarin een voornaam genoemd wordt met daarachter een bepaalde (familie)relatie. Bijvoorbeeld: "Jan, de zoon van Peter Franssen". Geindiceerd is op "Jan". Verder is ook geindiceerd op "Franssen": "Franssen, Jan de zoon van Peter -, zie Jan".
Personen met een naam bestaande uit een meervoudig patronym zijn geindiceerd op het laatste patronym. Een verwijzing is geplaatst bij de overige en voorgaande patronymica. Bijvoorbeeld: "Jan Willems Jansen" is geindiceerd: "Jansen, Jan Willems -" en "Willems, Jan - Jansen, zie Jansen". De personen met dezelfde voornaam die gerangschikt zijn op het eerste patronym staan bij elkaar, dan volgen de personen met dezelfde voornaam die op het tweede patronym zijn gerangschikt, enzovoorts. Aanduidingen van familierelaties gaan aan patronymen vooraf. Voorbeeld:
"Aarts, Jan -
"Aarts, de kinderen van Jan -
"Aarts, de weduwe van Jan -
"Aarts, Jan - Adriaans
"Aarts, Jan - Willems
"Aarts, Jan Adriaans -
"Aarts, Jan Hendriks -
"Aarts, Jan Martens -
"Aarts, Jan Willems -"

Namen van keizers, koningen, stadhouders, hertogen, graven, baronnen en heren zijn geïndiceerd op de voornaam. Onder de naam van hun eerste of belangrijkste titel is een verwijzing geplaatst. Voorbeeld: "Nicolaas, graaf van Arberg en Vallangin". Geïndiceerd is op "Nicolaas" en op "Arberg en Vallangin, graaf van -, zie Nicolaas".

Bij dubbele of meervoudige achternamen is op het eerste gedeelte geïndiceerd, met een verwijzing bij het tweede deel. Voorbeeld: "Thuyll van Serooskerken" is geïndiceerd op "Thuyll van Serooskerken" en "Serooskerken, zie Thuyll van Serooskerken".
Gehuwde vrouwen of weduwen zijn geïndiceerd op hun meisjesnaam. Bij de naam van de man is een verwijzing te vinden. Indien ze slechts worden aangeduid als "weduwe van" of "echtgenote van", staan ze op de naam van de man. Wanneer er wel een voornaam bekend is dan staan ze onder die voornaam met een verwijzing bij de naam van de man. Wanneer personen aangeduid worden met "het kind van", "de zoon van", "de dochter van" of een andere familierelatie, dan wordt de hierboven beschreven methode gevolgd. Voorbeeld "Catharina van Vught, echtgenote van Gerard van Vlijmen" is geïndiceerd: "Vught, Catharina van -, echtgenote van Gerard van Vlijmen" en "Vlijmen, Catharina van -, zie Vught, van -". "Catharina, weduwe van Gerard van Vlijmen" is geïndiceerd: "Catharina, weduwe van Gerard van Vlijmen" en "Vlijmen, Catharina, weduwe van Gerard van -, zie Catharina". "De weduwe van Gerard van Vlijmen" is geïndiceerd: "Vlijmen, de weduwe van Gerard van -".

W.M. Lindemann, 1986
thumbnail
Verantwoording van de inventarisatie
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Inventaris
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS