Archieven

 5120 Schepenbank Berlicum, -1811
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Historisch overzicht
sluiten
5120 Schepenbank Berlicum, -1811
Inleiding
Historisch overzicht
Organisatie en bevoegdheden
De schepenbank van Berlicum vormde het voornaamste element in het dorpsbestuur in de periode voor 1811. Samen met burgemeesters, gezworenen, armmeesters en kerkmeesters bestuurden de schepenen het dorp. In de tijd van het Ancien Regime hoorde het uitoefenen van de rechtspraak onlosmakelijk bij het lokale bestuur. Die rechtspraak was aan het college van schepenen toebedeeld. De schepenbank was in feite de lokale rechtbank voor het gebied van de heerlijkheid Berlicum en Middelrode.

De schepenbank bestond uit zeven schepenen, gekozen uit de bevolking en benoemd door de heer van Berlicum en Middelrode, op voordracht van de drossaard, die de heer vertegenwoordigde. Om als schepen te kunnen worden benoemd, diende iemand van een zekere welstand te zijn. De schepenen werden telkens voor een periode van één jaar benoemd. Aan de functie waren geen inkomsten verbonden, al kregen de schepenen wel presentiegeld voor hun aanwezigheid tijdens de zittingen van de schepenbank.
De schepenen waren bijna nooit juridisch geschoold. In moeilijke gevallen deden zij dan ook vaak een beroep op onafhankelijke juristen. In de loop van de 18e eeuw ontwikkelde het inwinnen van juridisch advies zich tot een vast element in de procedure. De schepenen werden verder bijgestaan door een secretaris.
Naast de schepenbank fungeerde de drossaard, als gezegd als plaatsvervanger van de heer. Hij vervulde een rol die men enigszins kan vergelijken met een combinatie van de moderne politiecommissaris en de officier van justitie.
De heer van Berlicum en Middelrode bezat de hoge jurisdictie. Dat wil zeggen dat de schepenbank bevoegd was recht te spreken in criminele zaken, ook als het om zogenaamde halszaken ging, misdrijven waarop de doodstraf stond. Een dergelijke bevoegdheid hadden niet alle schepenbanken: die van Vught bijvoorbeeld moest de berechting van criminele zaken overlaten aan de schepenbank van 's-Hertogenbosch.

Naast criminele zaken sprak de schepenbank van Berlicum ook recht in civiele zaken, dat zijn geschillen tussen burgers onderling. Zowel in criminele als in civiele zaken is sprake van een rechtsgeding. Er waren ook zaken, waarin geen sprake was van een geschil, maar wel van handelingen met rechtsgevolgen. Ook hierin mocht de schepenbank oordelen. Deze derde bevoegdheid wordt vrijwillige of voluntaire rechtspraak genoemd en omvat de bekrachtiging en registratie van allerlei transacties tussen burgers, zoals overdracht van (onroerend) goed, het opstellen van schuldbekentenissen, openbare verkopen, verhuringen en verpachtingen, testamenten, erf- of boedelscheidingen, attestaties, hypotheken en zo voort.

De schepenbank was tevens bevoegd in voogdijzaken, tenzij de schepenen daarvan bij testament waren uitgesloten. In principe waren de schepenen oppervoogd over alle wezen binnen de heerlijkheid. Dat hield in dat zij voogden benoemden, die belast werden met het welzijn van de wees of wezen en het beheer van de nagelaten boedel, zoals de wees minderjarig was. Over dit beheer dienden de voogden dan weer verantwoording aan de schepenen af te leggen. Ook voogdij- en boedelzaken vielen onder de vrijwillige rechtspraak.
Procedures
In criminele zaken verliep de procesgang als volgt:
Als de drossaard iemand verdacht van een misdrijf, vroeg hij toestemming aan de schepenen om die persoon te mogen arresteren. De drossaard bereidde, als een soort officier van justitie, de zaak dan verder voor door de verdachte te verhoren en bij eventuele getuigen informatie in te winnen. Het verhoor van de verdachte gebeurde in het bijzijn van twee schepenen, die daarvoor door de schepenbank waren aangewezen als schepen-commissarissen. Na het verhoor van de verdachte werd de zaak op de criminele rol gezet. De rol is het register van zaken die voor het gerecht behandeld moeten worden. In datzelfde register werd aangetekend wat er tijdens de behandeling van de zaak gebeurde.
Op de dag van de rechtszitting werd formeel de vierschaar of de bank gespannen. De drossaard trad vervolgens op als openbaar aanklager. Hij formuleerde de aanklacht en de strafeis, en vroeg de schepenen een vonnis te vellen. Tijdens de rechtszitting werd de verdachte opnieuw ondervraagd. Als de verdachte bekende schuldig te zijn aan wat hem of haar ten laste gelegd was, spraken de schepenen het vonnis uit. Dat vonnis was meestal voorbereid door onafhankelijke juristen (het zogenaamde preadvies). Als de verdachte niet bekende en het ging om een misdrijf waarop de doodstraf stond, dan kon de schepenbank besluiten de verdachte schaper te examineren, dat wil zeggen op de pijnbank te leggen en onder tortuur het verhoor af te nemen. Om daartoe te mogen besluiten was het wel nodig dat er een zware verdenking op de verdachte rustte. Men begon niet lichtvaardig aan een ondervraging op de pijnbank. Ook waren de schepenen verplicht om in persoon bij de marteling aanwezig te zijn. Een bekentenis die onder marteling op de pijnbank was afgelegd, was alleen dan rechtsgeldig, als de verdachte buiten ijzers, keien en pijn voor de schepenbank zijn bekentenis herhaalde. Zonder bekentenis kon de schepenbank geen doodvonnis uitspreken. Na de uitspraak door de schepenbank zorgde de drossaard voor de uitvoering van het vonnis. Tegen een vonnis in criminele zaken was geen beroep mogelijk.
In de processtukken van criminele zaken is regelmatig sprake van een zogenaamde aardvergunning. Doordat in Berlicum geen goede gelegenheid was om verdachten van een misdrijf op te sluiten, benutte men daarvoor de gevangenisfaciliteiten in 's-Hertogenbosch. Daar speelde zich dan ook bij voorkeur het proces af. Om de rechtsmacht te kunnen uitoefenen buiten het eigen grondgebied had de schepenbank dan een speciale vergunning nodig, waarbij een stukje Bossche bodem tot Berlicums grondgebied werd verklaard voor de duur van de rechtshandelingen. Op die manier kon de schepenbank formeel toch op eigen grond (aard) rechtspreken.

In civiele zaken verliep de procesgang enigszins anders:
Niet de drossaard maakte de zaak aanhangig bij de schepenbank, maar de eisende partij (de aanlegger). De zaak kwam dan op de civiele rol en de schepenen stuurden de gerechtsbode (de vaster) met een dagvaarding naar de tegenpartij, die in de stukken gedaagde of verweerder werd genoemd.
Tijdens de rechtszitting diende de eiser zijn eis of aanspraak in, waarop de tegenpartij antwoord diende te geven. Hierop diende de eiser weer van repliek, waarop de tegenpartij nog mocht reageren met een dupliek. Tenslotte sprak de schepenbank het vonnis uit. Tussen al deze stadia werden bepaalde termijnen in acht genomen. Door het tussentijds indienen van bezwaarschriften en het toepassen van allerlei beroepsmogelijkheden konden civiele procedures zich soms wel jaren achtereen voortslepen.
Het archief
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Inventaris
Strafzaken
Burgerlijke zaken
Vrijwillige rechtspraak
Overige stukken
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS