skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Ans Holman
Ans Holman RA Tilburg
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Ans Holman
Ans Holman RA Tilburg

Archieven

 314 Bogaerde van Terbrugge en aanverwante families, 1359 - 1986
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
beacon
 
 
Inleiding
Geschiedenis
314 Bogaerde van Terbrugge en aanverwante families, 1359 - 1986
Inleiding
Geschiedenis
De familie Van den Bogaerde van Terbrugge

De familie Van den Bogaerde, *  oorspronkelijk afkomstig uit West Vlaanderen, is eeuwenlang in Brugge woonachtig geweest. Leden van dit geslacht vervulden voortdurend bestuursfuncties in het Vrije van Brugge. In 1705 respectievelijk 1717 werden Andries (II) en zijn neef Pieter van den Bogaerde in de adelstand verheven. Door het huwelijk in 1785 van André F.E. van den Bogaerde met M.J. van Larebeke, vrouwe van Terbrugge, werd "van Terbrugge" aan de naam toegevoegd. Een van de zonen van dit echtpaar, Andreas J.L. van den Bogaerde van Terbrugge, *  was van 1830 - 1842 gouverneur van Noord-Brabant. Daarvóór was hij achtereenvolgens lid van Provinciale Staten en Ridderschap van Oost-Vlaanderen (1816), burgemeester van Waasmunster (1818) en districtscommissaris van het land van Waas (1820). Hij woonde toen in de stad Sint-Niklaas. In 1828 werd hij districtscommissaris en militiecommissaris in Gent. Nog geen twee jaar bekleedde hij deze functies toen hij 4 februari 1830 goeverneur van Noord-Brabant werd. * 
Toen in november 1830 naar aanleiding van de gebeurtenissen in het zuiden alle zuidnederlandse ambtenaren werden ontslagen in het noorden, werd op voorspraak van de minister van binnenlandse zaken, Van Doorn, een uitzondering gemaakt voor Andreas J.L. van den Bogaerde "wiens goede gezindheid ik bij eigen ondervinding op prijs kan stellen en ten wiens aanzien ik menigvuldige berigten ontvang, dat men in de gezegde provincie (Noord-Brabant) hoogst tevreden met hem is en dat hij een bijzondere geschiktheid heeft om in de tegenwoordige moeilijke omstandigheden den publieken geest aldaar te leiden". * 

In 1830 opgenomen in de Nederlandse adelstand met de titel van baron, kocht hij in 1835 de grondheerlijkheden Heeswijk en Dinther *  en vestigde hij zich korte tijd daarna op kasteel Heeswijk. Al spoedig liet hij van zijn culturele belangstelling blijken: in 1830 reeds lid geworden van de Maatschappij van de Nederlandse letterkunde, werkte hij tevens mee aan de oprichting van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen van Noord-Brabant en verzamelde hij in zijn kasteel zeer vele waardevolle kunstvoorwerpen.
Erfgoedstuk
Als gouverneur van Noord-Brabant ging zijn bijzondere belangstelling vooral uit naar het aanleggen van wegen, naar ontginning en bebossing en naar het doen ontwikkelen van nijverheid. Op 20 april 1842 ontving hij eervol ontslag als goeverneur. * 

In de periode ca. 1835 - ca. 1895 werden door Andreas en zijn zoons Louis en Donat Alberic nog zeer veel andere onroerende goederen aangekocht, de meeste in Noord-Brabant (met een concentratie in Heeswijk-Dinther e.o.), maar ook enkele daarbuiten. Zo werd Andreas' dan nog minderjarige zoon Donat door koop bezitter van de heerlijkheid Moergestel. *  Hij noemde zich sindsdien Donat Th. Alberic van den Bogaerde-Moergestel. In 1852 verwierf Donat, samen met zijn broer Louis ook nog kasteel de Nemelaer te Haaren, waaraan vanouds het recht van jacht over een uitgestrekt gebied was verbonden. *  Bovendien bezat de familie ook nog veel eigendommen in België. *  Het overgrote deel van de verworven hoeven en landerijen werd verpacht.
De "pootmeester" verzorgde de administratie hiervan, inde de pacht etc., tenminste voor zover deze goederen in de Meierij van 's-Hertogenbosch gelegen waren. Hij had bovendien de leiding van alle werkzaamheden die door het personeel uitgevoerd werden op de niet-verpachte goederen. Kortom, aan de pootmeester was het dagelijks beheer van de bezittingen toevertrouwd. Hij woonde in een huisje bij het kasteel van Heeswijk. Er waren verder in de regel ca. 10 personeelsleden, waaronder een portier. Voor de verderaf gelegen goederen werd het beheer gevoerd door afzonderlijke rentmeesters. Boven allen stond de eigenlijke rentmeester van de familie. * 

In de 19e eeuw werd door de goeverneur en de jonkheren Van den Bogaerde een grote kunst- en antiekverzameling aangelegd, die uitgroeide tot de omvangrijkste van het land. Deze collectie was te bezichtigen, voor zover ze op kasteel Heeswijk berustte ("Museum van den Bogaerde"). Daarnaast werden boeken, kaarten, prenten, pamfletten, handschriften en archiefstukken aangekocht en eveneens in grote aantallen op Heeswijk en de Nemelaer bewaard. * 
Na het overlijden van Andreas in 1855 werden zijn goederen het gemeenschappelijk bezit van twee van zijn zonen, de al genoemde Louis en Donat Alberic. Laatstgenoemde werd de enige eigenaar na de dood van Louis (1890). *  Donat maakte op 12 maart 1891 voor notaris Van der Does de Willebois te 's-Hertogenbosch een, later berucht *  geworden, testament, *  waarvan de voor ons belangrijkste bepalingen waren:
- dat tot erfgenamen werden benoemd de kinderen (Guillaume en Henri Otto) van zijn neef Henri van den Bogaerde van Terbrugge (zoon van Donat's oudste broer Amedée), terwijl Henri's echtgenote Manuelle, prinses van Looz-Corswarem het levenslange vruchtgebruik kreeg van de nalatenschap;
- dat er gedurende een periode lopende van zijn overlijden tot het tijdstip waarop de jongste van zijn erfgenamen tachtig jaar zou geworden zijn, een bewind werd ingesteld; de bewindvoerder mocht alle maatregelen nemen die hij nuttig achtte voor alles wat onder zijn bewind was gesteld;
- dat de verzameling "kostbaarheden" in haar "tegenwoordige staat" moest worden onderhouden en, voor zover ze op het kasteel van Heeswijk berustte, voor iedereen te bezichtigen moest blijven;
- dat de kastelen Heeswijk en de Nemelaer gedurende de periode van het bewind onbewoond moesten blijven, tenzij door bewaarders door de bewindvoerder aangesteld. * 
Erfgoedstuk
Na het overlijden van Donat in 1895 ontstonden direct processen over de geldigheid van het testament. In hoofdzaak is het echter van kracht gebleven; alleen werd bepaald dat aan het testament geen verbod tot verkoop van de oudheden-verzameling kon worden ontleend. *  Deze collectie is dan ook ca. 1900 grotendeels geveild. *  Kasteel Heeswijk bleef echter voor publiek toegankelijk. Behalve door kasteelbewaarders zijn beide kastelen overigens inderdaad tijdens het bewind verder niet bewoond. De familie nam haar intrek in het koetshuis van kasteel Heeswijk.
Het bewind heeft geduurd van 1895 tot 1963. *  Bij het testament was tot bewindvoerder aangesteld mr. E. van Zinnicq Bergmann, advocaat en procureur te 's-Hertogenbosch. Deze werd in 1908 opgevolgd door zijn zoon mr. G. van Zinnicq Bergmann en die in 1953 door zijn zoon mr. E. van Zinnicq Bergmann. De familie Van den Bogaerde had gedurende het bewind officieel geen enkele zeggenschap over het beheer van hun bezittingen (voor zover uiteraard van Donat afkomstig), de bewindvoerder trad in deze volledig in hun plaats. Onder de bewindvoerder stond als "hoofd van de administratie" een administrateur. De pootmeester bleef ongeveer dezelfde bevoegdheden houden, alleen geschiedden de ontvangsten en betalingen nu soms door de administrateur. * 
Tijdens het bewind is het bezit aan onroerend goed niet verder uitgebreid. De verderaf gelegen bezittingen, die als voorheen beheerd bleven door aparte rentmeesters, werden langzamerhand afgestoten. *  Toch had de familie in 1957 in Nederland nog vele tientallen boerderijen in eigendom met in totaal ca. 750 ha. grond (inclusief de losse percelen). *  Na afloop van het bewind is een groot deel van de Nederlandse bezittingen - met uitzondering van slot Heeswijk en omliggende landerijen door de familie van de hand gedaan: de meeste goederen werden verkocht aan de toenmalige pachters. Kasteel de Nemelaer is in 1964 verworven door de stichting het Noordbrabants Landschap. *  Het zwaartepunt van de bezittingen van de familie Van den Bogaerde van Terbrugge ligt thans in het buitenland.

In 1974 overleed de tien jaar daarvoor weer naar kasteel Heeswijk teruggekeerde baron Guillaume (Willem) van den Bogaerde, het kasteel met de aanhorigheden nalatend aan zijn echtgenote, Albertina, barones van den Bogaerde van Terbrugge - Van Heeckeren van Kell. * 
Erfgoedstuk
De Gelieerde families

Met de familie Van den Bogaerde waren diverse andere geslachten door huwelijksbanden verbonden. *  Van deze families zijn eveneens archivalia, bij de een wat meer dan bij de ander, bewaard gebleven.
Verreweg het merendeel bestaat uit Zuid-Nederlandse, meest Vlaamse geslachten, grondbezitters, zoals de familie Van Larebeke, kooplieden, zoals de familie Van der Meulen, of juristen. Van de laatste categorie zijn de families Matelé en opnieuw de familie Van Larebeke, voorbeelden.

Voor de (Noord)nederlandse geschiedenis zijn o.a. de families Van de Meulen en Melis, met goederen in Zeeland, van belang. Als gevolg van het huwelijk van Livinus van Larebeke met Marie Melis, kregen ook de Van Larebekes door vererving de nodige bezittingen in Zeeland.

De familie Van Lockhorst, verwant met de Van Looz- Corswarems en via deze weer tenslotte met de Van de Bogaerdes, bezat nogal wat goederen in Holland, m.n. te Rijswijk.
De heerlijkheden Heeswijk en Dinther

De heerlijkheden Heeswijk en Dinther *  zijn voortdurend nauw met elkaar verbonden geweest. Ze hadden vrijwel steeds dezelfde heer. Aanvankelijk waren het allodia, maar in de loop van de 14e eeuw werden het lenen van het hertogdom Brabant. Met de helft van Dinther moet dit vóór 1378 zijn geschied. *  Heeswijk met de andere helft van Dinther werd in 1388 door Willem van der Aa opgedragen aan hertogin Johanna, die ze hem in leen teruggaf en er de andere helft van Dinther aan toevoegde. *  Het geheel werd nu als één leen beschouwd, maar in de 15e eeuw schijnt de ene helft van Dinther toch weer in een andere juridische positie dan de rest te hebben verkeerd. *  Vanaf 1479 werden Heeswijk en Dinther steeds als twee afzonderlijke heerlijkheden verheven. *  Gewoonlijk geschiedde zo'n verhef voor het Leenhof van Brabant te Brussel, maar na de tachtigjarige oorlog, als de Staten-Generaal in de plaats van de hertog zijn getreden, voor de Raad en Leenhof van Brabant in den Haag.
Een (onvolledige en enigszins onnauwkeurige) lijst van heren van (Heeswijk en) Dinther is gepubliceerd door Smit, we volstaan hier dan ook met een opsomming van de geslachten waartoe ze behoorden. *  Voor een uitgebreidere lijst: zie bijlage II.

Tussen ca. 1395 - 1472 traden leden van de familie Van der Leck op als heer. Daarna kwamen beide heerlijkheden door vererving aan de familie Van Vertaing (alias Boussies, 1472 - 1499). Door koop gingen ze vervolgens over in het geslacht Van Bergen (1499 - 1554). Eveneens door aankoop werden de heerlijkheden daarna het bezit van de graven van Oost-Friesland (1554 - ca. 1625) en van hen vererfden ze op Johan tSerclaes, graaf van Tilly. Na zijn bewind volgde ca. 1643 - ca. 1651 een zeer onstabiele periode waarin Heeswijk en Dinther tijdelijk niet dezelfde heer hadden. Ze werden weer in één hand verenigd door Mathijs van Asperen, die Heeswijk in 1649 en Dinther in 1650 door koop verwierf. *  Nadat beide heerlijkheden wegens diens schulden gerechtelijk verkocht waren, trad de familie Van der Houven in het bezit (1679 - 1740) en vervolgens via vererving de familie Speelman (1740 - 1835). Van deze werden beide heerlijkheden gekocht door de familie Van den Bogaerde van Terbrugge (1835 - heden).
De heren hebben over Heeswijk en Dinther steeds de hoge, middelbare en lage jurisdictie uitgeoefend, zodat de invloed van het hertogelijk bestuur gering was. Overigens schijnt de heer zich weinig met de dagelijkse gang van zaken bemoeid te hebben; dit werd aan de beide dorpsbesturen overgelaten. De heer benoemde de leden daarvan, nl. de drossaard, schepenen, burgemeesters, kerkmeesters, armmeesters en gezworenen, en tevens de secretaris en de vorster. Meestal oefenden de drossaard, secretaris en vorster hun ambten uit over beide plaatsen.

Behalve dit benoemingsrecht kwamen de heer uiteraard nog vele andere rechten *  toe, waarvan de jacht- en visrechten, het beschikkingsrecht over de gemene gronden, de rechten van houtschat en biergruit, en de rechten op cijns- en tiendheffing wel de belangrijkste waren. Tot de heerlijkheden behoorden ook een aantal lenen. Niet alle uitgeoefende rechten werden als onderdeel van een der heerlijkheden in leen gehouden, o.a. niet de tienden. Bij de cijns- en leengoederen dient men er rekening mee te houden dat deze lang niet alle onder Heeswijk en Dinther lagen, maar ook onder andere, vaak naburige, dorpen. Soms nog verder verwijderd: zo was de heerlijkheid Hoepertingen in Belgisch Limburg een leen van Heeswijk. * 
De omvang van dit complex van rechten is niet steeds hetzelfde geweest. Zo stond de heer van Heeswijk in 1284 het patronaatsrecht van de kerk aldaar af aan de abdij van Berne, *  die vanouds grote belangen heeft gehad onder Heeswijk en Dinther en sinds de vorige eeuw in Heeswijk haar hoofdzetel heeft. Daar staat tegenover dat wel eens uitbreiding plaatsvond: zo kocht Mathijs van Asperen in 1654 het recht om de grove en smalle tienden van Heeswijk te heffen. Dit tiendrecht had voorheen aan de abdij behoord, maar was door de Staten van Holland geconfiskeerd. *  Waarschijnlijk ca. 1800, zeker vóór ca. 1814, moet de heer ook de vele cijnzen, behorend tot het Hof ten Bogaert onder Dinther, verworven hebben. *  Al geruime tijd eerder had hij de cijnzen, die aan een kapel te Heeswijk verbonden waren, in bezit gekregen, evenals de cijnzen die voordien door de familie Eyndevoets (alias Entefouts) te Dinther geheven werden. * 
Een min of meer autonoom functionerende instelling was het Leen- en laathof van Heeswijk. Ofschoon de naam slechts op Heeswijk wijst, oefende het hof haar taken uit over beide heerlijkheden. Het was bevoegd in alle zaken betreffende de lenen van de heer van Heeswijk en Dinther en hield de administratie daarvan bij. Bovendien berechtte het overtredingen van het jachtrecht van de heer en vrijwel zeker ook geschillen over de betaling van cijnzen e.d. Ook de uitgiften van stukken der gemene gronden werden na ca. 1780 gepasseerd voor het Leen- en Laathof. *  De functionarissen van het hof (o.a. stadhouder, griffier, leenvinder, leenmannen - in dit verband ook wel "mannen van leen" genoemd - en laatmannen) werden benoemd door de heer; de personen die de drie eerstgenoemde functies vervulden, waren vaak tegelijkertijd resp. drossaard, secretaris of vorster bij de dorpsbesturen. *  Analoog aan het gebruik bij de schepenbanken inde de griffier op het eind der 18e eeuw in eerste instantie de 40e en 80e penning bij het passeren van bepaalde akten voor het hof. * 

Het bestuurlijk centrum van beide heerlijkheden was het kasteel van Heeswijk, *  dat deel uitmaakte van het leen Heeswijk. De heer bezat bovendien een, in uitgebreidheid variërend, aantal andere onroerende goederen in Heeswijk Dinther e.o., welke niet aan het bezit der heerlijkheden waren verbonden. Het beheer van deze bezittingen en van de inkomsten uit de heerlijkheden werd gewoonlijk opgedragen aan een rentmeester.
Vanaf de Franse tijd begint het begrip "heerlijkheid" aan betekenis in te boeten. *  De "eigenlijke" heerlijke rechten werden in 1798 centraal afgeschaft (o.a. alle leenrechten, echter niet het cijns- en tiendrecht), maar in 1814 volgde weer een gedeeltelijk herstel o.a. van de jacht- en visrechten. Voor de opgeheven rechten van benoeming, biergruit en houtschat ontving de heer van Heeswijk en Dinther nog enige tijd een schadeloosstelling. *  Het publiekrechterlijk karakter van de heerlijkheden, het uitoefenen van overheidsgezag, verdween definitief in 1848, maar ook toen bleven verschillende zakelijke rechten behouden. De "heren" van Heeswijk en Dinther konden het jacht- en visrecht blijven uitoefenen en de cijnzen en tienden blijven heffen. De cijnzen werden echter langzamerhand afgelost. Het tiendrecht en het jachtrecht werden resp. bij de Tiendwet 1907 en de Jachtwet 1923 afgeschaft. Het "heerlijk" visrecht werd blijkbaar nog medio 20e eeuw te Heeswijk-Dinther uitgeoefend. * 
De heerlijkheid Moergestel

Moergestel *  werd vroeger, ter onderscheiding van andere plaatsen met de naam Gestel, meestal aangeduid als "Gestel bij Oisterwijk." Aanvankelijk was het een bezitting van het Luikse St. Janskapittel. Na het uiteenvallen van haar goederen- en rechtencomplex alhier, droeg het kapittel het restant - wat praktisch alleen nog het patronaatsrecht van de kerk moet hebben ingehouden - in 1334 over aan de abdij van Tongerlo. * 

Uit 1325 dateert de oudste zekere vermelding van een heer van Moergestel. Deze, Willem Gerlach van den Bossche, moet in elk geval de lage en middelbare heerlijkheid in leen hebben gehouden van de hertog van Brabant en mogelijk ook een aandeel in de hoge heerlijkheid. *  Het is onbekend hoe deze leenband met Brabant ontstaan is. Willems opvolgers hebben blijkbaar alleen de lage en middelbare heerlijkheid bezeten, maar in 1391 kreeg Hendrik van der Leck ook de hoge heerlijkheid van de hertogin in pand. *  Doordat zijn dochter en opvolgster Johanna ca. 1435 een zware overtreding beging tegen de privileges van de stad Brussel en inbreuk maakte op de hertogelijke rechten, werd bij vonnis van de hertog aan deze in-pand-geving en die van de heerlijkheid Schijndel een einde gemaakt, zonder restitutie van de pandsom. Kort daarna echter, in 1437, kreeg Johanna de heerlijkheid Schijndel en de hoge heerlijkheid van Moergestel voor haar leven terug. * 
Na haar overlijden (1472) hadden de heren dus alleen nog maar de lage en middelbare heerlijkheid van Moergestel in leen. In 1561 veranderde dit weer: koning Philips II verkocht toen als hertog van Brabant de hoge heerlijkheid tot een erfelijk leen aan Jasper Schetz, die reeds de lage en middelbare heerlijkheid in handen had. *  Sindsdien hebben de heren de hoge én middelbare en lage heerlijkheid in leen gehouden. Evenals Heeswijk-Dinther ressorteerde de heerlijkheid Moergestel na de tachtigjarige oorlog onder de Raad en Leenhof van Brabant in 's-Gravenhage. Een lijst der heren van Moergestel kan men elders vinden; *  we volstaan hier met een opsomming der opeenvolgende geslachten. *  Van ca. 1380 - 1472 komen leden van de familie Van Polanen en hun jongere tak, de familie Van der Leck, als heren van Moergestel voor. Door vererving ging de heerlijkheid daarna over in de familie Van Vertaing, ook genaamd Boussies (1472 - ca. 1530). Vervolgens vererfde ze in de familie Van Rubempre (ca. 1530 - 1560). Door koop kwam de heerlijkheid daarna aan de familie Schetz - van Grobbendonck en de tak daarvan der graven (later hertogen) van Ursel (1560 - 1760). Vervolgens werd Moergestel verkocht aan Marcellus Bles (1760 - 1797) en van hem kwam de heerlijkheid door vererving aan de familie Bekkers (1797 - 1849). Tenslotte kwam de familie Van den Bogaerde van Terbrugge door koop in bezit der heerlijkheid Moergestel (1849 - heden).
Aan de heer kwam het recht van benoeming *  toe van de drossaard (in perioden waarin de heer de hoge heerlijkheid niet bezat, meestal aangeduid als schout), schepenen, secretaris en dienaar (vorster, tevens schutter). De voornaamste andere door de heer uitgeoefende rechten *  zijn: een aandeel in de heffing van de grove en smalle tienden in de herdgangen Heuvel en Heizen (met één of meer tiendschuren), *  de heffing van cijnzen (onder Moergestel en enkele onder Poppel), de houtschat, herenvond (verloren goederen), en de jacht en visserij. Ook lenen moeten aan de heerlijkheid verbonden zijn geweest, maar van het bestaan van een apart leenhof blijkt niet. Geschillen over de inning van cijnzen e.d. werden vermoedelijk berecht door de schepenbank. * 
Tot de heerlijkheid heeft, voor zover bekend, nooit een kasteel behoord, wel maakte een hoeve deel uit van het leen Moergestel. *  In 1761 kocht de toenmalige heer echter het niet ver van zijn hoeve gelegen kasteel de Nieuwenhof. * 
Het beheer van de heerlijkheid was ook hier in handen van een rentmeester. Tot zijn taken behoorde (zeker in de 18e eeuw) o.a. het innen der cijnzen *  en het jaarlijks verpachten van de tienden, houtschat, herenvond, jacht en visserij. *  Bovendien blijkt dat rond 1700 de, meestal in de Zuidelijke Nederlanden vertoevende, heer toezicht op de gang van zaken in Moergestel liet houden door een "agent", ook wel "stadhouder van de heer" genoemd. *  De inhoud van het begrip "heerlijkheid" slonk hier na 1798 op dezelfde wijze als bij Heeswijk-Dinther is vermeld. Evenals daar werden ook in Moergestel de cijnzen langzamerhand afgelost. *  Over het jachtrecht werden in het begin van de 20e eeuw voortdurend processen gevoerd, tot het tenslotte ingevolge de Jachtwet van 1923 opgeheven werd. *  De tienden zijn na 1810 en waarschijnlijk vóór 1828 uit het bezit van de heer geraakt, vermoedelijk door verkoop, of vererving in een andere tak van de families Bles of Bekkers. *  Blijkbaar werd het "heerlijk" visrecht nog in 1939 uitgeoefend. * 
Tenslotte moet nog op een andere belangrijke machtsfactor in Moergestel worden gewezen, nl. de familie van Brecht c.s. Deze familie bezat reeds in het begin der 14e eeuw het grootste deel van de tienden van Moergestel (te weten de grove en smalle tienden in de herdgangen Kerkeind en Over 't Water) als afzonderlijk hertogelijk leen. *  Bovendien hieven leden van dit geslacht tot het midden van de 17e eeuw een groot aantal cijnzen onder Moergestel (en ook enige onder Goirle en Haaren), de zogenaamde "hoendercijnzen". *  Het recht om deze cijnzen te heffen (dat blijkbaar niet in leen werd gehouden) moet ca. 1670 overgedragen zijn aan de toenmalige heer van Moergestel. * 
Het archief en verantwoording van de inventarisatie
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1359-1986
Vindplaats origineel:
BHIC 's-Hertogenbosch
Openbaarheid:
Deze toegang bevat een of meer stukken die tot 1 januari 2051 niet zonder meer openbaar zijn.
Het precieze jaar van openbaarheid kun je per inventarisnummer vinden.

Bij vragen kun je contact opnemen met het BHIC.
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS