skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Ans Holman
Ans Holman RA Tilburg
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Ans Holman
Ans Holman RA Tilburg

Archieven

 314 Bogaerde van Terbrugge en aanverwante families, 1359 - 1986
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
beacon
 
 
Inleiding
Geschiedenis
Het archief en verantwoording van de inventarisatie
314 Bogaerde van Terbrugge en aanverwante families, 1359 - 1986
Inleiding
Het archief en verantwoording van de inventarisatie
De familiepapieren Van den Bogaerde

Na de vestiging van de familie Van den Bogaerde van Terbrugge op het kasteel van Heeswijk in of kort na 1835 moet het tot dan toe gevormde familiearchief Van den Bogaerde naar dit slot zijn overgebracht. Veel van deze stukken van vóór 1835 hebben betrekking op het beheer door de familie van hun goederen en de uitoefening van hun rechten en ambten, in Brugge, Gent, Waasmunster en omgeving. De meeste bescheiden dateren uit de 17e-18e eeuw, minder uit de 16e eeuw. Ook bevinden zich in dit gedeelte veel stukken van de verwante families Van der Meulen (vooral 17e eeuw), Rotsart (18e eeuw), Van Larebeke (zeer veel, 17e - 19e eeuw), Matélé (18e eeuw), Papejans de Morchoven (18e - 19e eeuw) en andere. Ook na 1835 zijn er nog belangrijke aanwinsten geweest. In 1849 werd het heerlijkheidsarchief Moergestel verworven. In 1852 moet het archief van het kasteel de Nemelaer (met originelen teruggaand tot de 15e eeuw) in het bezit van Van den Bogaerde zijn gekomen. Dit archief is nog gebruikt bij de procedure over de afschaffing van het jachtrecht van de Nemelaer, maar bevindt zich thans blijkbaar niet meer in het huisarchief. *  Door het huwelijk in 1881 van Henri van den Bogaerde van Terbrugge met Manuela prinses van Looz-Corswarem *  werden ook stukken uit het archief van haar familie verworven (18e - 19e eeuw) en zeer veel bescheiden betreffende het geslacht van haar grootmoeder, Van Lockhorst (16e - 19e eeuw).
Erfgoedstuk
Tot de in omvang voornaamste onderdelen van het sinds 1835 in Heeswijk gevormde archief behoren de stukken die betrekking hebben op het beheer van de goederen (o.a. een massa koop- en pachtakten, en leggers) en de financiële administratie (o.a. kasboeken, pachtboeken, rekeningen). Verder zijn er bescheiden betreffende uitgeoefende ambten (o.a. het gouverneurschap van Andreas van den Bogaerde van Terbrugge), veel genealogische aantekeningen, en een zeer uitgebreide correspondentie (o.a. met het Koninklijk Huis). Tenslotte dient nog genoemd te worden de omvangrijke dossiervorming die ontstond in verband met de processen die gevoerd werden over de bezittingen van de familie Van Looz-Corswarem.

Bij de bestudering van de financiële administratie moet er rekening mee gehouden worden dat de pootmeester en (na 1895) ook de administrateur (echter niet de bewindvoerder) het rekeningjaar niet op 1 januari begonnen, maar op 27 december. *  Na 1895 werden de grootboeken, die naar hun voornaamste bestanddeel als "pachtboeken" aangeduid werden, in tweevoud bijgehouden, namelijk één door de pootmeester en één door de administrateur. *  De pootmeester hield in deze periode jaarlijks ook een "gespecificeerd kasboek" bij, waarvan een dubbel als bijlage bij de "Rekening en Verantwoording" van de bewindvoerder werd gevoegd. *  Behalve nota's en kwitanties op het beheer van de goederen in de Meierij van den Bosch betrekking hebbend, behoren tot deze bijlagen op hun beurt de rekeningen met bijlagen van de rentmeesters van de verderaf gelegen bezittingen.
Van een aantal nog niet teruggevonden rekeningen van de bewindvoerder is bekend dat deze indertijd bij de administrateur jhr. H. Verheyen op huize Weltevreden te Vught hebben berust. *  Ook kon nog niet een door de pootmeester over de periode 1926 - 1955 bijgehouden pachtboek achterhaald worden. Verder zijn er geen aanwijzingen dat er bij administrateur of pootmeester archief is blijven liggen.

Zoals boven vermeld, werden door de jonkheren Van den Bogaerde van Terbrugge ook archiefstukken aangekocht om opgenomen te worden in de verzameling van het "museum Van den Bogaerde". Gelukkig heeft er echter in het algemeen geen vermenging met het huisarchief plaatsgevonden. Deze "vreemde" archiefstukken (inclusief de van elders verworven kaarten, prenten, handschriften etc.) zijn ca. 1900 met de andere oudheden geveild *  en uit de veilingcatalogussen blijkt niet dat stukken uit het huisarchief van de hand zijn gedaan. * 
Over de bewaring van het archief op het kasteel in de tweede helft van de 19e eeuw weten we iets door de verslagen van enkele bezoekers. Craandijk maakt in 1883 melding van "een kamer, waar in een pronkkast de perkamenten charters met goed bewaarde zegels berusten". *  In 1885 vermeldt Werner dat de bezoekers in de vestibule hun naam in een "lijvig boek" moeten zetten en verderop: "de derde kamer of bibliotheek bevat eene menigte boeken en papieren en ook eene kast met glazen deur, waarin het oude archief van het kasteel geborgen is. De eerbiedwaardige perkamenten liggen daar allen op planken opgestapeld met de zegels in rood of groen was, afhangende aan francijnen staarten". *  Onlangs is door E.R.M. Hoffman een studie gepubliceerd over Noord-Brabant en de Belgische opstand van 1830. De kiem hiervoor werd gelegd tijdens de bezoeken die hij in zijn jeugd met zijn vader, die als huisarts de familie Van den Bogaerde van Terbrugge wel eens bezocht, aan kasteel Heeswijk bracht. Hij onderzocht later, in zijn studententijd, het huisarchief in een torenkamer van het toen lege slot. Het archief bleek belangrijke bronnen te bevatten voor genoemd onderwerp. * 
In 1847 werd een zeer beknopte inventaris opgesteld en letter- en nummeraanduidingen op de stukken wijzen op nog andere 19e eeuwse ordeningen. Van groter belang voor ons is het inventarisatieprojekt dat in 1959 werd afgesloten. Deze inventarisatie geschiedde door de heer R.H. de Bruin o.praem., van de abdij Berne. Hij heeft ca. 80% van het huisarchief bewerkt. Voor globaal de helft van het door hem geordende archief werd een inventaris in handschrift opgesteld met per doos een korte beschrijving per "dossier"; dit is meer een plaatsingslijst. Voor het andere deel van het archief maakte hij een inventaris op fiches, die enigermate in systematische volgorde stonden. Hierbij werd echter geen doorlopende nummering aangebracht; de stukken zaten meest in volgorde van hun voorlopig nummer. *  Bij controle bleek dat beschrijvingen van de "dossiers" veelal gemaakt waren aan de hand van het toevallig bovenop liggende stuk, zonder dat naar de rest gekeken was, als gevolg waarvan men dus niet te veel waarde kon hechten aan de beschrijvingen. * 
In 1968 werden door de erven Van den Bogaerde van Terbrugge een aantal delen uit het archief ten geschenke overgedragen aan het Rijksarchief in Noord-Brabant. *  Deze bescheiden hoorden thuis in de oud-administratieve c.q. oud-rechterlijke archieven van Heeswijk en van Dinther en werden ook daar naar toe overgebracht. * 

Door bemiddeling van de archivaris der abdij Berne, de heer H. van Bavel o.praem., werd in 1975 het gehele huisarchief door mevrouw Albertina baronesse van den Bogaerde van Terbrugge - van Heeckeren van Kell (weduwe van Willem baron van den Bogaerde van Terbrugge) overgedragen, echter met uitzondering van de vele bescheiden betreffende de familie Van Looz-Corswarem, die naar het Algemeen Rijksarchief in Brussel overgebracht zijn (de stukken betreffende het verwante geslacht Van Lockhorst zijn wel aan het Rijksarchief in Noord-Brabant overgedragen). Nadat er een scheiding aangebracht was tussen "het archief van de heerlijkheid Heeswijk-Dinther" en "het archief van de familie Van den Bogaerde van Terbrugge" werd het eerstgenoemde archief op 8 juli 1975 in eigendom gegeven en het laatstgenoemde op 6 november 1975 in bruikleen (zie bijlage IV). Tot het archief van de heerlijkheid Heeswijk-Dinther werden hierbij ook gerekend de stukken betreffende de heerlijkheid Moergestel.
Erfgoedstuk
De archieven van de gelieerde families

Naast de bescheiden van de familie Van den Bogaerde Van Terbrugge bevat het archief, zoals te doen gebruikelijk bij omvangrijke familiearchieven ook papieren van aanverwante familietakken. De aanvang en belangrijkheid hiervan is erg wisselend. Zoals in Par. 1.2 reeds is gezegd betreft het veelal Zuid-Nederlandse, Vlaamse geslachten. Verreweg het omvangrijkste archief hiervan is het archief van de familie Van Larebeke, via Marie J. terechtgekomen bij de Van de Bogaerdes. *  De Van Larebekes waren vooral aktief als juristen, m.n. als advokaten, en als grondbezitters zodat hun archieven veel stukken bevatten over het beheer van hun goederen alsmede over door hen gevoerde processen. De archieven van de overige gelieerde families bevatten in het algemeen veel minder materiaal. De stukken hebben in het overgrote deel betrekking op vermogensbeheer, vooral het beheer van onroerende goederen en daarnaast op juridische procedures en een enkele keer zaken van koophandel. Slechts heel zelden zijn ook stukken van persoonlijke aard aanwezig. Net als de papieren Van den Bogaerde zijn ook deze bescheiden aan het Rijksarchief in juni 1975 in bewaring gegeven.
Het heerlijkheidsarchief Heeswijk-Dinther

De stukken die in deze inventaris tot dit archief gerekend worden, zijn merendeels rechtstreeks afkomstig van het kasteel van Heeswijk en aangenomen mag worden dat ze daar vanouds doorgaans berust hebben, ofschoon daar weinig directe informatie over is. In een in 1847 opgemaakte beknopte inventaris wordt gezegd: "Serie D contiendra les vieux registres etc. d'Heeswyk, on a conservé la planche inferieur entièrement pour cela" in de archiefkast, welke kast ongetwijfeld op genoemd kasteel stond. De stukken worden in bedoelde inventaris overigens niet nader gespecificeerd en er zijn ook geen oudere inventarissen van het heerlijkheidsarchief aangetroffen.

Zo'n heerlijkheidsarchief werd normaal door de heer, rechtstreeks of via zijn erfgenamen, aan zijn opvolger overgedragen. We hebben hier wel enige gegevens over:
In 1650 verkocht Jan, graaf 't Serclaes de Tilly als voogd van zijn zoon Maximiliaan de heerlijkheid Dinther aan Matthijs van Asperen. Hierbij werd bepaald dat 't Serclaes aan van Asperen alle papieren en documenten betreffende de Heerlijkheid Heeswijk en Dinther zou overgeven. *  Het jaar tevoren, toen van Asperen de heerlijkheid Heeswijk kocht van Dirk van Cattenburg en Maria Hovelmans, de weduwe van Joost van Hedickhuysen, werd een vergelijkbare bepaling gemaakt. *  De dochter van het echtpaar van Hedickhuysen-Hovelmans verklaarde nog in 1663 dat haar moeder in 1650 "het comptoir" *  had laten onderzoeken en alle papieren rakende de heerlijkheid Heeswijk in een mand had laten leggen, welke mand vervolgens gebracht werd naar Mathijs van Asperen, die op het neerhuis van het kasteel van Middelrode logeerde.
Tijdens de onderhandelingen in 1834 over de aankoop door baron Van den Bogaerde van Terbrugge van Heeswijk en Dinther van jhr. H.M. Speelman Wobma, rechter te Leeuwarden, verklaarde laatstgenoemde: "alle stukken en bescheiden betrekkelijk de heerlijkheden zal ik gaarne aan Uw H.W.Geb. afstaan..." *  Nogal wat stukken, die tot het heerlijkheidsarchief gerekend kunnen worden, zijn echter in de loop der tijd afgedwaald en op andere wijze op het Rijksarchief terechtgekomen (zie bijlage IV). Verder werden in het oud-administratief archief der gemeente Heeswijk veel leenregisters aangetroffen (overgenomen in 1889 en 1903); in dat van Dinther zaten vooral losse bescheiden betreffende het Leen- en laathof (gevonden bij de in-bewaring- geving van dat archief aan het Rijksarchief in 1891 en de hernieuwde in-bewaring-geving en ordening in 1919-1920). In het oud-rechterlijk archief van Dinther bevonden zich o.a. veel stukken betreffende de cijnzen van Dinther (gevonden bij de ordening in 1916). Hoe al deze heerlijkheidsstukken in genoemde archieven terecht zijn gekomen, is onduidelijk. Misschien ten dele via Adriaan Boll, die in de Franse tijd zowel notaris, secretaris van Heeswijk en Dinther, griffier van het Leen- en laathof, als rentmeester van de heerlijkheden was, en de bescheiden, op deze respectievelijke ambten betrekking hebbend, dooreen bewaarde. *  Omgekeerd werden in het van het kasteel afkomstige heerlijkheidsarchief geen stukken meer aangetroffen die eigenlijk in een van de genoemde archieven thuis zouden horen; een aantal wel tot deze categorie stukken behorende delen was reeds in 1968 van het kasteel naar het Rijksarchief overgebracht.
Een groep heerlijkheidsbescheiden van allerlei aard was terechtgekomen in de handschriftenverzameling van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant; deze verzameling is in 1960 in bruikleen overgenomen door het Rijksarchief. Mogelijk zijn bedoelde stukken indertijd door het Genootschap verworven van baron Andreas van den Bogaerde van Terbrugge, die in 1837 één der oprichters en de eerste voorzitter van het Genootschap was. *  Ook op andere wijze zijn nog enkele bescheiden door het Rijksarchief verworven, zoals men in bijlage IV kan zien. Dat alle hier bedoelde stukken in het heerlijkheidsarchief thuishoren, bleek uit hun inhoud en soms ook uit dorsale nummeringen e.d. Laatstelijk waren deze bescheiden op het Rijksarchief voornamelijk samengebracht in het "Heerlijkheidsarchief Heeswijk en Dinther" en het "Archief van het Leen- en Laathof van Heeswijk." Ook door de familie Van den Bogaerde was al een van het heerlijkheidsarchief afgedwaald procesdossier verworven. * 
Toch zijn er in de loop der tijden nog aanzienlijke verliezen geleden, waarvan hieronder een aantal voorbeelden gegeven zal worden. Zo zijn er maar enkele akten van belening met de heerlijkheid Heeswijk aanwezig; die van Dinther ontbreken geheel. Deze situatie zal in elk geval ca. 1930 ook al zo geweest zijn, want bij de procedure in verband met de afschaffing van het "heerlijk" jachtrecht werden alle, ook nu nog aanwezige beleningsakten overgelegd en geen andere. Daarentegen is van de toen wel gebruikte stukken een gedrukte publicatie betreffende de voorgenomen publieke verkoop der heerlijkheden Heeswijk en Dinther in 1826 *  nog niets teruggevonden. De rentmeesterrekeningen, die in de regel elk jaar opgesteld werden, ontbreken nu op die van 1563/1564 na. Dit is de tiende rekening van rentmeester Johan Rave van Resyt voor Heeswijk-Dinther en zijn vierde voor Schijndel en Berlicum. *  Deze laatste heerlijkheden hadden sinds 1559 als pandheer de toenmalige heer van Heeswijk en Dinther. *  Het kwam derhalve voor dat de rentmeester van Heeswijk-Dinther die functie ook uitoefende in andere in het bezit van de heer zijnde heerlijkheden en dat hij de administratie van laatstgenoemde niet gescheiden hield van die van Heeswijk-Dinther. *  Mogelijk bevinden zich om deze reden in de archieven van die andere heerlijkheden nog rentmeesterrekeningen die ook het beheer van Heeswijk-Dinther betreffen.
Een van de vele processen die in het midden van de 17e eeuw gevoerd werden om het bezit der heerlijkheden Heeswijk en Dinther en daarmee verband houdende zaken, vond plaats tussen de boven reeds vermelde Maria Hovelmans en Mathijs van Asperen. Het werd gevoerd voor de Raad van Brabant te 's-Gravenhage en hield vermoedelijk verband met de koop in 1649 van Heeswijk door Van Asperen, waarbij Hovelmans één der verkopers was. *  In 1658 gelastte de Raad aan Van Asperen om aan Hovelmans "te leveren ... soodanige reeckeninge ende munimenten, waaruyt impetrante (Hovelmans) sal formeren een leenboeck van de heerlijckheyt van Heeswijck ..." en bovendien moest Van Asperen alle personen die jaarlijks cijnzen aan de heer dienden te betalen of goederen van hem in leen hielden, bevelen binnen zes weken hiervan opgave te komen doen om zodoende de registers te kunnen vernieuwen. *  In het archief bevindt zich geen cijnsboek van Heeswijk dat in 1658 of kort daarna is aangelegd. *  Het door Maria Hovelmans in 1658 samengestelde leenboek is in afschrift wel aanwezig, evenals de opgave van de daarbij gebruikte bronnen. * 
De meeste hiervan ontbreken thans zoals een "zeker oud register" waarin aantekeningen betreffende diverse lenen in de periode 1442-1551 moeten hebben gestaan. De overige nu ontbrekende bronnen zijn aantekeningen van enkele griffiers en stadhouders van het Leenhof, en vooral de rekeningen over 1625-1641 (met hiaten) van de rentmeester van Heeswijk-Dinther. * 

In 1663 verklaarde een dochter van Maria Hovelmans nog over een leenboek van Heeswijk: dat zij nog zeer goed wist dat in het jaar 1650, haar moeder het kantoor had laten onderzoeken en alle papieren betreffende de heerlijkheid Heeswijk in een mand had laten leggen. En ook dat zij toen zelf uit een "schribaen" die daar stond het oude leenboek van Heeswijk had gehaald en in de mand had gelegd. Deze mand had heer Matthijs van Asperen vervolgens met zich meegenomen naar het neerhuis van het Huis van Middelrode waar hij logeerde. waar de heer van Heeswijk het leenboek heeft gelaten, of waar het zich nu bevond, wist ze echter niet. * 
Over deze leenboeken van Heeswijk kan ook nog het volgende medegedeeld worden. Een in 1439 aangelegd leenregister werd vernieuwd in 1455. Dit laatste register was ca. 1650 nog in Heeswijk aanwezig. Beide leenregisters betroffen echter niet alleen de lenen van de heerlijkheden Heeswijk en Dinther, maar ook die van Moergestel en van Asten. *  Al deze heerlijkheden hadden toen Johanna van der Leck als vrouwe. Uit een leenboek van Asten dat van ca. 1575 dateert, *  blijkt dat dit aangelegd werd aan de hand van een leenboek van Peter van Vertaing, heer (sinds 1472) van Heeswijk, Dinther, Asten en Moergestel, welk laatste leenboek eveneens voor al deze heerlijkheden tegelijk dienst deed. We hebben hier dus een analoge situatie als met de rentmeesterrekeningen.
Bij het proces dat ca. 1795 gevoerd werd tussen de heer enerzijds, en het dorpsbestuur en een aantal ingezetenen van Dinther anderzijds, over de novale tienden van die plaats, werden ten bewijze van de rechten van de heer veel stukken uit het heerlijkheidsarchief (en ook uit de gemeentearchieven van Heeswijk en Dinther) afgeschreven. *  Deze bewijsstukken ontbreken momenteel bijna alle, *  evenals de ervoor gebruikte bescheiden die in origineel of afschrift toen in het heerlijkheidsarchief berust moeten hebben, zoals de boven reeds aangehaalde akte uit 1388, *  een akte betreffende de toewijzing van de heerlijkheden Heeswijk en Dinther in 1679 aan Elisabeth Lasson, weduwe van Gerrit Maas, een sententie uit 1714 van de Raad van Brabant "ten voordele van de heer", en andere. De beleningsakte van de heerlijkheid Dinther uit 1788 heeft men toen ook niet kunnen vinden; deze was "of door de omstandigheeden van den oorlog of door het overleyden van des decudents (bedoeld zal zijn de deducent, nl. C.J. Speelman, de heer) voormaligen bediende, advocaat Mr. J.L. Verster ... vermist geraakt". * 
Door dezelfde oorlogsomstandigheden waren vele verpachtingscondities van de novale tienden eveneens zoekgeraakt. *  Met deze oorlog wordt de Franse inval van 1794 bedoeld, waarbij de Franse generaal Pichegru op het slot Heeswijk zijn hoofdkwartier vestigde tijdens de belegering van 's-Hertogenbosch; tevoren waren op het kasteel troepen van de tegenpartij gelegerd. *  Overigens verklaarde secretaris Boll in 1799 in dit verband over het gemeentearchief van Heeswijk, dat door de laatste troebelen van de oorlog de meeste registers en papieren ter secretarie weggeraakt waren. *  In 1826 bevond zich op het kasteel van Heeswijk een memorie uit 1583 of kort daarna, over de aanslag door de graaf van Hohenlo in dat jaar op het kasteel; ook dit stuk is niet teruggevonden. *  Tenslotte ontbreekt momenteel ook een in 1835 nog wel aanwezig "manuscrit de la famille van der Hoeve", dat dateerde uit ca. 1710 en waarin gegevens moeten hebben gestaan over de opeenvolgende heren van Heeswijk. * 
De oorzaken van de geleden verliezen kunnen van velerlei aard zijn geweest, b.v. slechte bewaring, brand, plundering etc. Ook zullen de rentmeesters (Boll.) vaak archiefbescheiden (b.v. cijnsboeken) tijdelijk onder zich gehad en mogelijk nooit terugbezorgd hebben.

Voorts zal, wanneer er een geheel nieuwe familie in het bezit der heerlijkheden kwam, ondanks de beloftes waar we boven enkele voorbeelden van zagen, toch lang niet altijd het hele heerlijkheidsarchief zoals dat op dat tijdstip bestond, overgedragen zijn.
Het achterblijven van stukken bij verkoop van de heerlijkheid zal te meer optreden indien de verkoper nog meer heerlijkheden bezat (wat bij Heeswijk-Dinther meestal het geval was) met een min of meer centrale archiefbewaarplaats, b.v. op het kasteel waar de heer gewoonlijk verbleef. Een dergelijke situatie treedt mogelijk ook in ons geval op. In de eerste helft der 16e eeuw waren opeenvolgende leden van de familie Van Bergen, heer van Zevenbergen, Melin, Schijndel, Berlicum en Middelrode, en Heeswijk en Dinther. Het kasteel van Zevenbergen was hun eigenlijk stamslot. Het heerlijkheidsarchief van Zevenbergen maakt, voor wat deze periode (tot ca. 1650) betreft, deel uit van het familiearchief Van Arenberg (de latere heren van Zevenbergen), dat gedeeltelijk berust op het Algemeen Rijksarchief in Brussel, gedeeltelijk op het kasteel van Heverlee (Katholieke Universiteit Leuven), maar voor het grootste deel in het Capucijnenklooster te Edingen (B). *  De rentmeester-rekeningen van Zevenbergen die in het fonds te Brussel berusten, bevatten in elk geval posten die betrekking hebben op Heeswijk, *  mogelijk omdat de rentmeester van Zevenbergen deze functie ook in Heeswijk-Dinther uitoefende. * 
Het is niet uit te sluiten dat zich in het archief Arenberg nog vele andere bescheiden betreffende de heerlijkheden Heeswijk en Dinther bevinden, te meer omdat uit bedoelde periode in het hier geïnventariseerde archief vrijwel geen stukken aanwezig zijn.

Het heerlijkheidsarchief zoals dat op het kasteel van Heeswijk berustte, is aldaar zelden geraadpleegd voor historische onderzoekingen. Baron A. van den Bogaerde van Terbrugge verstrekte ca. 1840 inlichtingen voor A.J. van der Aa's Aardrijkskundig Woordenboek. *  In 1843 vermeldt de historicus dr. C.R. Hermans naar aanleiding van een van zijn "Oudheid- en Geschiedkundige Uitstapjes": "Ook de Baron van den Bogaerde bezit vele brieven betrekkelijk de Heerlijkheid Heeswijk en Dinther, waarvan hij mij het gebruik met alle bereidvaardigheid, in het belang der geschiedenis, heeft toegestaan", *  maar hier is mogelijk nooit wat van gekomen. Tenslotte wijdde in 1846 C.F.E. Robidé van der Aa één van de afleveringen van zijn tijdschrift Oud-Nederland aan het kasteel van Heeswijk, waarbij hij gebruik maakte van gegevens over de opeenvolgende heren die op zijn verzoek door genoemde baron waren verstrekt en aan het archief waren ontleend. *  In 1906 publiceerde pater G. v.d. Elsen gegevens over de heerlijkheid Hoepertingen, die hij gehaald had uit een "leenboek, dat eertijds berustte in het raadhuis van Heeswijk, maar later naar het kasteel schijnt verhuisd." Dit laatste heeft hij mis: het bedoelde leenboek was in 1903 door het Rijksarchief overgenomen. * 
Zoals al eerder aangegeven, werd op 8 juli 1975 het grootste deel van het heerlijkheidsarchief door mevrouw A. van den Bogaerde in eigendom overgedragen aan het rijksarchief. Een ander gedeelte berustte toen reeds op het rijksarchief, hetzij in eigendom, hetzij in bruikleen van het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen. Zie ook bijlage IV.
Het heerlijkheidsarchief Moergestel

Over de geschiedenis van het archief der heerlijkheid Moergestel zijn we aanzienlijk slechter ingelicht dan over dat van Heeswijk-Dinther, juist ook omdat de omvang van het in het huisarchief Heeswijk aangetroffen heerlijkheidsarchief nogal gering is. Het is best mogelijk dat deze bescheiden, voor zover ze van vóór 1760 dateren, voor het merendeel bewaard werden bij de toenmalige rentmeester, omdat in die periode de heer nooit in Moergestel resideerde, aldaar geen kasteel bezat, èn omdat de meeste hier aanwezige stukken van vóór 1760 op de cijnzen betrekking hebben, en die werden door de rentmeester geïnd. De bij deze hypothese van belang zijnde bepaling in het koopcontract, dat op 21 juni 1760 voor notaris J.B. Nueuwens te Brussel gesloten werd tussen Charles, hertog van Ursel en Marcellus Bles, houdt in dat daarbij de laatste verhefbrief van 1753 "met alle andere voorighe verheffen en denombrementen ende alle verdere tijtels en pampieren betreffende de gemelte heerelijkhijt" overgegeven werden aan Bles. *  In het licht van het voorgaande kunnen we bij de uitvoering van deze bepaling wel enkele vraagtekens zetten.
Zeker is een deel, mogelijk een belangrijk deel van het archief bij de hertogen van Ursel blijven berusten, en dit deel maakt nu - afgezien van eventuele verliezen na 1760 deel uit van het familiearchief Schetz-van Grobbendonckvan Ursel in het Algemeen Rijksarchief te Brussel. In elk geval worden, volgens een mededeling van de Algemene Rijksarchivaris te Brussel, *  in dit (summier geordende) fonds Ursel de volgende bescheiden betreffende Moergestel bewaard:
nrs. L. 1499-1503: cijnsboeken (1477-1645)
L. 1504-1514: rekeningen en kwijtschriften (1563-1701)
L. 1515-1518: varia (1384-1779)

Na de aankoop door Bles van het kasteel de Nieuwenhof zal het archief daar bewaard zijn. Als de kinderen van zijn kleinzoon M.A. Bekkers na diens overlijden de heerlijkheid in 1849 verkopen aan Donat Th. Alberic van den Bogaerde van Terbrugge, verklaren ze: "zoo meede van de titels en bescheiden daartoe specterende afstand (te doen)" ten behoeve van de koper. *  Onduidelijk is of het archief daarna direct naar Heeswijk is verhuisd. Mogelijk heeft het tijdelijk berust op het dichterbij gelegen kasteel de Nemelaer, waar Donat vaak verbleef.
Bij de vele processen die in het begin van de 20e eeuw over het jachtrecht van Moergestel gevoerd werden, zijn behalve de groep bescheiden betreffende het cijnsrecht, vrijwel alle overige nu nog aanwezige stukken als bewijsstukken voor de rechten van de heer gebruikt. Bovendien werden elders - vooral in het Rijksarchief in Noord-Brabant nog andere van belang zijnde bescheiden opgespoord en afgeschreven of uitgetrokken. *  Al deze bewijsstukken werden ingenaaid in omslagen en (waarschijnlijk door de rijksarchivaris) voorzien van een korte omschrijving van het betreffende stuk. Dit zo gevormde lijvige dossier *  berustte normaal onder de bewindvoerder Mr. van Zinnicq Bergmann, maar werd herhaaldelijk met de stukken van de al gevoerde processen in handen gesteld van de advocaten van de "heer". * 
Ook A. van Sasse van Ysselt moet na afloop van het proces tegen H.A.C. Reijnen in 1908 inzage in deze stukken hebben gehad voor een artikel over het jachtrecht van de heer van Moergestel. *  Later waren alle jachtbescheiden in gebruik bij de Jachtcommissie, die ze in 1935 terugzond aan Van Zinnicq Bergmann. *  In deze commissie had ook de Rijksarchivaris, Mr. J.P.W.A. Smit, zitting. In 1935 bleken de stukken betreffende het langdurige proces tegen M.A. Mommers (en na diens overlijden zijn weduwe) *  kwijt te zijn. Deze bescheiden waren in 1928 door Van Zinnicq Bergmann opgezonden aan Smit, maar die wist, toen Van Zinnicq Bergmann ze in 1935 terugvroeg, niet meer of hij ze na gebruik had verstuurd aan het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, aan de secretaris van de Jachtcommissie of aan Van Zinnicq Bergmann. *  Ook nu ontbreken ze nog.
In het archief zit maar één akte van verhef, uit 1618, en deze vertoont bovendien een eigenaardige redactionele vorm. *  Ten behoeve van de jachtprocessen is door de Rijksarchivaris indertijd ook een afschrift gemaakt van de akte uit 1560 waarbij Jasper Schetz met de middelbare en lage heerlijkheid van Moergestel werd beleend. Het afschrift werd genomen van een in het Rijksarchief berustende kopie, maar deze werd vergeleken met "een enigszins geschonden oorspronkelijk perkament bij de titels en bescheiden der heerlijkheid Moergestel". *  Dit charter is door ons niet teruggevonden. Het is overigens niet waarschijnlijk dat ca. 1905 nog andere beleningsakten aanwezig zijn geweest, anders waren ze wel gebruikt. In het archief werden geen rentmeesterrekeningen aangetroffen. Zoals boven vermeld, liggen in Brussel vermoedelijk zulke rekeningen uit de periode 1563-1701.
Tussen de aanwezige cijnsboeken van de heer uit 1501 en 1682 ontbreekt er zeker één (aangelegd in 1653), maar mogelijk meer. *  Deze situatie zal ca. 1790 ook zo geweest zijn. *  In een stuk uit 1727 wordt opgemerkt: "N.B. wert vermynt dat Jan van Ophuijssen nogh een oudt chynsboecke heeft, dat wederom moet geeven; Ot van Vaerle weet het wel". *  Deze Ot van Vaerle komt in 1714 voor als "stadhouder van de heer" *  ; de functie van Jan van Ophuijssen is onbekend. Er is ook sprake van een "cijnsboeck van het lester jaer (16 of 17 ?) 65", waarmee echter een kohier bedoeld zal zijn. *  Onduidelijk is of er cijnsboeken van de familie Van Brecht ontbreken. Er werden geen leenboeken in het archief aangetroffen. Ze moeten er wel geweest zijn: in 1702 is sprake van "een leenboek bestaande in differente items". *  hiervoor zagen we al dat de leenboeken uit de 15e eeuw gecombineerd waren voor Heeswijk, Dinther, Asten en Moergestel, die toentertijd alle dezelfde heer of vrouwe hadden.
Enkele afgedwaalde stukken konden met het archief herenigd worden. Bedoelde bescheiden berustten reeds op het Rijksarchief in het "Heerlijkheidsarchief Moergestel" en zijn indertijd uit particulier bezit aangekocht (zie bijlage IV). Dat deze stukken tot het heerlijkheidsarchief behoord hebben, bleek uit oude dorsale nummeraanduidingen. Een kaart van de pachthoeve van de heer van Moergestel en van het daarnaast gelegen kasteel de Nieuwenhof, werd eveneens bij het archief gevoegd. Deze kaart moet opgesteld zijn ten behoeve van de families Bles of Bekkers en is eveneens door het Rijksarchief uit particulier bezit verworven. * 
De verantwoording van de inventarisatie
De voorgeschiedenis

Op het in 1975 deels in eigendom, deels in bruikleen aan het Rijksarchief in Noord-Brabant overgedragen familiearchief Van den Bogaerde van Terbrugge bestond op het moment van overdracht geen bruikbare inventaris. De inventaris De Bruin was slechts een summiere en wat beschrijving betreft onbetrouwbare plaatsingslijst en de inventaris op fiches uiterst gebrekkig.
Daarom werd reeds spoedig besloten de inventarisatie van de Heerlijkheidsarchieven Heeswijk-Dinther en Moergestel, alsmede van een aantal bescheiden betreffende het goederenbeheer door de Van de Bogaerdes na 1835 in de vorm van een stage opdracht op te dragen aan de heer J.P.M. Buiks. In 1977 kwam deze hiermee gereed, waarna het inventarisatiewerk enige jaren stil lag.
Nadat enkele onduidelijkheden met betrekking tot de in-bewaargeving nader geregeld waren, kon de verdere inventarisatie van het nog resterende gedeelte aangepakt worden, aanvankelijk door ondergetekende, later tevens door mr. W. Lindemann.

Tijdens deze inventarisatiearbeid bleek m.n. de inventaris op fiches uiterst onbetrouwbaar. Het werk moest geheel worden overgedaan, wat bij een archief als het onderhavige een zeer arbeidsintensief karwei is. Bovendien bleken bij elkaar horende stukken in de loop der tijd geheel verstrooid geraakt te zijn.
Tot slot werden door de bewerkers de beschrijvingen van de heer Buiks van het heerlijkheidsgedeelte c.a. gestroomlijnd en ingepast in het geheel van de inventaris.
De indeling

Zoals reeds gezegd, moest het beschrijvings- en indelingswerk worden overgedaan. De oude orde was hierbij geheel verstoord, zodat het noodzakelijk was een nieuwe, logische indeling op te zetten.
Gekozen werd voor een indeling in drieën:
I Het archief van de familie Van den Bogaerde
II De archieven der verwante families
III De gedeponeerde archieven.
Onder I brachten wij alle papieren die wij konden herleiden als te behoren bij het archief van de familie Van den Bogaerde, onder II die van de aangetrouwde families en onder III de archieven der heerlijkheden Heeswijk-Dinther en Moergestel tot het moment van aankoop door de familie Van den Bogaerde. Toen de Van de Bogaerdes in resp. 1835 en 1849 deze heerlijkheden aankochten namen zij tevens de archieven hiervan over (zie 'Het heerlijkheidsarchief Heeswijk-Dinther' en 'Het heerlijkheidsarchief Moergestel' onder de paragraaf 'Het archief' van deze inleiding. BHIC).

Overeenkomstig de "Aanwijzingen voor het Inventariseren van Familie archieven" dienen dergelijke archieven beschouwd te worden als gedeponeerd. *  Het spreekt vanzelf dat de archieven die na aankoop gevormd zijn m.b.t. Heeswijk-Dinther en Moergestel opgenomen zijn in het familiearchief Van den Bogaerde.
Wat betreft de verdere onderverdeling nog het volgende. In het archief Van den Bogaerde hebben wij in feite overeenkomstig de bovengenoemde Aanwijzingen *  gekozen voor de volgende indeling:
1. Stukken van genealogische en heraldische aard.
2. Stukken van persoonlijke aard.
4. Stukken van zakelijke aard.
Om misverstanden te voorkomen hebben we echter gemeend, nog steeds in overeenstemming met de "aanwijzingen", de benamingen van rubriek 2 en 4 te wijzigen in:
2. Stukken betreffende personen
4. Stukken betreffende vererfde onroerende goederen en zakelijke rechten
Omdat het in de laatste rubriek m.n. gaat om deze categorie stukken. De stukken betreffende het persoonlijke vermogen en het beheer daarover hebben we steeds geplaatst bij de diverse personen onder de rubriek Vermogen en Vermogensbeheer.

Een opmerking nog over rubriek 3: Stukken betreffende het beheer over de nalatenschap van Donat Th. Alberic Van den Bogaerde. Het betreft hier stukken die betrekking hebben op het beheer over het vermogen van de familie na het merkwaardige testament van Donat, *  en zou indelingstechnisch dan ook eigenlijk thuis horen onder 2, Stukken betreffende personen en wel bij Guillaume A.L., Henri A.O. en Guillaume C.O. (althans grotendeels). Om praktische en om principiële redenen hebben wij echter dit complex aan beheersstukken bijeen gelaten en onder een aparte rubriek tussen de stukken betreffende personen en de stukken betreffende vererfde goederen en rechten in, beschreven.
De verdere indeling van de onder hoofdstuk I ressorterende rubrieken zal voor zichzelf spreken en geen verdere toelichting behoeven. Wat betreft hoofdstuk II, de Verwante families, zij opgemerkt dat wij hier de verdeling in stukken betreffende personen en stukken betreffende vererfde goederen hebben achterwege gelaten. Dit onderscheid was nl. gezien de aard van de stukken en de vaak fragmentarische overlevering der verschillende archieven in het algemeen niet goed aan te brengen. Verder zijn de verschillende geslachten beschreven in volgorde van liatie.

De indeling van de twee in het familiearchief als gedeponeerd opgevoerde heerlijkheidsarchieven (Heeswijk-Dinther en Moergestel) is tamelijk stereotiep en zal in de praktijk weinig problemen opleveren. De indeling is in essentie dezelfde als welke de heer Buiks in 1977 aanbracht en het toen door hem beschreven gedeelte.

Tenslotte bevat de inventaris nog een hoofdstuk "Stukken waarvan het verband niet gebleken is", een hoofdstuk dat in dergelijke archieven jammer genoeg niet te vermijden is.
De beschrijvingen

Een enkel woord nog over de beschrijvingen. We zijn hierbij uitgegaan van de volgende uitgangspunten. Allereerst hebben wij getracht deze beschrijvingen zo kort en bondig te houden als mogelijk was. Verder hebben wij geprobeerd, de archiefstukken in hun samenhang te beschrijven, daarbij de verleiding om elk stuk afzonderlijk op te nemen zo veel mogelijk vermijdend. Wij zijn van mening dat te vaak inventarissen van familiearchieven ontaarden in opsommingen van losse stukken waardoor de onderzoeker het zicht kwijt raakt op het geheel.

Tenslotte zal het de aandachtige beschouwer niet ontgaan dat de ontsluitingsintensiteit van de hoofdstukken I en III duidelijk hoger is dan die van hoofdstuk II, waar de beschrijvingen in het algemeen wat globaler zijn gehouden. De oorzaak hiervan ligt enerzijds in de aard van het materiaal, anderzijds ook in de constatering dat deze stukken voor de meeste nederlandse onderzoekers minder relevante gegevens bevatten. Na afweging van de benodigde inspanningen en vooral ook de vereiste hoeveelheid mens-jaren die het ontwarren van deze vaak zeer ingewikkelde "conglomeraten" zou kosten tegen het rendement die dit zou opleveren voor de onderzoekers, is besloten hier de ordening wat globaler te laten zijn dan bij de hoofdstukken I en II.

H.Th.M. Roosenboom, W.M. Lindemann en m.m.v. J.P.M. Buiks, 1988
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1359-1986
Vindplaats origineel:
BHIC 's-Hertogenbosch
Openbaarheid:
Deze toegang bevat een of meer stukken die tot 1 januari 2051 niet zonder meer openbaar zijn.
Het precieze jaar van openbaarheid kun je per inventarisnummer vinden.

Bij vragen kun je contact opnemen met het BHIC.
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS