skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Hilde Jansma
Hilde Jansma Bhic
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Hilde Jansma
Hilde Jansma Bhic

Archieven

 335 J.M.C. Teppema, 1928 - 1978
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
beacon
 
 
Inleiding
Historisch overzicht
335 J.M.C. Teppema, 1928 - 1978
Inleiding
Historisch overzicht
Op 16 mei 1913 werd in de gemeente Mill en St. Hubert Joseph Maria Cornelis Teppema geboren. Zijn ouders waren Jakob Sybren Teppema en Anna Maria van den Kerkhoven.
Joseph ging naar de lagere school in Mill. Vasnaf de vijfde klas verbleef hij op de kostschool Instituut St. Nicolaas te Oss. Aan het Canisiuscollege te Nijmegen doorliep hij de h.b.s. In 1931 verkreeg hij het diploma h.b.s.-B. Van 1931 tot 1938 studeerde hij algemene economie aan de R.K. Handelshogeschool te Tilburg. Op 5 augustus 1942 trouwde hij met Cornelia Josephina Maria Wintermans, dochter van een sigarenfabrikant uit Eersel.
Voor de doctorandus in de economie was het moeilijk om een baan te vinden. Begin 1939 kreeg hij een aanstelling bij de N.V. Fabriek van chemische produkten Vondelingenplaat te Rotterdam. In mei 1940 verloor hij door het oorlogsgeweld deze betrekking. Enkele maanden later, op 1 september 1940, werd hij chef van de afdeling prijzen op het rijksbureau voor wol en lompen te Tilburg. Door een reorganisatie ontstond er in 1943 één rijksbureau voor de textiel, gevestigd te Den Haag. J.M.C. Teppema werd er directiesecretaris. Na de bevrijding van het zuiden van Nederland kwamen er plaatsvervangende regeringsorganen voor dat gebied. Voorzitter van het College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid voor het Bevrijde Nederlandse Gebied werd de vroegere hoogleraar van Teppema, prof.dr J. de Quay. *  Op voordracht van mr B.J.M. van Spaendonck uit Tilburg, onder wiens leiding Teppema na zijn studie ook enige tijd had gewerkt, werd de econoom Teppema secretaris van het College van Algemene Commissarissen. Op 31 december 1945, toen de regeringsinstellingen in Den Haag weer volledig functioneerden, hield het op te bestaan. Teppema was mede-liquidator van het College.
Door zijn functie bij het College was Teppema in contact gekomen met veel industriëlen. Op 1 januari 1946 werd hij secretaris van de Algemene Katholieke Werkgeversvereniging, met als standplaats Tilburg. Hij was in het bijzonder belast met de diocesen 's-Hertogenbosch en Breda. Deze functie nam hem slechts voor een deel van de week in beslag. Namens de Algemene Katholieke Werkgeversvereniging nam hij zitting in de looncommissie van de Stichting van de Arbeid. Eind 1946 werd hij secretaris van de Stichting Groothandelaren in IJzer. In diezelfde periode werd hij voorzitter van de afdeling Tilburg van de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP). Hoewel op 22 december 1945 de Katholieke Volkspartij opgericht was bleef men nog enige jaren spreken van de RKSP. Door het bekleden van deze functie was hij qualitate qua voorzitter van de kieskring voor de provinciale staten van Noord-Brabant. Later kwam Teppema in het bestuur van de Brabantse Commissie van de KVP.
Vlak na de oorlog bestonden er plannen in Nederland om het technisch-hoger onderwijs uit te breiden. Het besef was doorgedrongen dat de welvaart bevorderd werd door industrialisatie, vernieuwing en meer onderwijs. Op 11 april 1946 werd de staatscommissie tot reorganisatie van het hoger-onderwijs ingesteld. Minister Gielen van onderwijs stelde op 3 april 1947 de eerste commissie-Holst in, die tot doel had de mogelijkheid te onderzoeken voor het oprichten van een tweede instituut voor technisch hoger-onderwijs. In de zomer van 1946 werd in industriële kringen in Noord-Brabant en Limburg, met name door mr dr L.F.H. Regout, voorzitter van de Limburgse Katholieke Werkgeversvereniging, en mr E.D.M. Koning, directeur van de D.A.F.-fabrieken te Eindhoven, de gedachte gelanceerd een technische hogeschool in het zuiden van het land te vestigen. Op 26 november 1947 kwam de Stichting Technisch Hoger-Onderwijs in het zuiden tot stand. In het bestuur van de Stichting zaten: dr J.E. de Quay, commissaris van de koningin in Noord-Brabant, voorzitter; dr F.J.M.A.H. Houben, gouverneur in Limburg; ir. L.J.C.M.H. Lhoest, voorzitter van de Kamer van Koophandel in Maastricht; H.A.J. Mannaerts, voorzitter Kamer van Koophandel in 's-Hertogenbosch; dr ir. D.P. Ross van Lennep, lid van de directie van de Staatsmijnen; ir. F.J. Philips, vice-voorzitter van de Raad van Bestuur van de N.V. Philips Gloeilampen. Het bestuur benoemde mr H.G.J.M. Wagenaar, secretaris van de Kamer van Koophandel in 's-Hertogenbosch, tot secretaris-penningmeester.
In de zomer van 1948 stelde minister Gielen een tweede commissie-Holst in die moest onderzoeken waar en hoe een tweede technische hogeschool moest worden opgericht. Het was zaak voor de Stichting om van zich te laten horen. De Stichting had het plan een eerste deel van een rapport, waarin gepleit werd voor een technische hogeschool in het zuiden en waarin de stedebouwkundige, technische en culturele aspecten van zo'n instelling behandeld zouden worden, te presenteren. Mr Wagenaar stierf in juni 1948. Drs J.M.C. Teppema, secretaris van de Algemene Katholieke Werkgeversvereniging werd nu aangetrokken als zijn opvolger met name om bedoeld rapport te schrijven.
Praktisch Full-time heeft hij er enkele maanden aan gewerkt. Het eerste deel kon in september 1948 verschijnen. Het rapport had veel invloed op de leden van de tweede commissie-Holst. Het tweede deel van het rapport verscheen in december 1948. Het wees Eindhoven als vestigingsplaats van een technische hogeschool aan. Ook de regering stemde na enkele jaren in met deze plaats. De wet van 9 juli 1953 bepaalde dat er een tweede technische hogeschool in Eindhoven zou komen. Nog geen maand later stelde minister Cals van Onderwijs een commissie in onder voorzitterschap van mr H.L. 's Jacob die tot taak had de vestiging van de rijksinstelling voor technisch hoger onderwijs te Eindhoven voor te bereiden. Van een subcommissie die zich bezighield met studentenvoorzieningen en de inpassing van de technische hogeschool in de Eindhovense samenleving werd Teppema secretaris.
Hij had in Tilburg ervaring opgedaan met de zorg voor studentenvoorzieningen. Hij was bestuurslid van de stichting Eigen Huis van de Katholieke Economische Hogeschool Tilburg en voorzitter van de stichting Nostrorum Sanitas, die de gezondheidszorg, de sportvoorziening en de mensa voor de studenten in Tilburg verzorgde. In 1956 werd hij voorzitter van de Tilburgse Academische Kring. Toen de oprichting van de Technische Hogeschool Eindhoven een feit was, op 23 juni 1956, trad de Stichting Technisch Hoger Onderwijs in het zuiden in liquidatie. De gelden gingen naar een nieuw instituut: Stichting Eindhovens Hogeschoolfonds. Teppema werd ook secretaris van de nieuwe stichting. Het doel van het fonds was het bevorderen van de technische wetenschappen en het technisch hoger onderwijs in het algemeen en die van de Technische Hogeschool Eindhoven in het bijzonder. Het fonds kon onder andere bijzondere leerstoelen aan de hogeschool instellen. * 
Teppema was als secretaris van de Stichting Technisch Hoger Onderwijs in het zuiden de opvolger van Wagenaar, die secretaris van de Kamer van Koophandel was geweest. Teppema hield bureau in het kantoorgebouw van de Kamer van Koophandel te 's-Hertogenbosch om de rapporten voor de stichting te schrijven. Op 15 november 1948 volgde hij Wagenaar ook op als secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te 's-Hertogenbosch. Tot aan zijn pensionering, op 31 mei 1978, bleef hij in deze functie. * 
Als secretaris van de Kamer van Koophandel onderhield hij veel contacten met industriëlen en kapitaalkrachtigen. Verscheidene malen nam hij zitting in commissies en besturen van instellingen om geld te werven. Hij had in 1964 zitting in het ontvangstcomité voor kardinaal Gracias die een bezoek bracht aan Nederland in verband met het Internationale Eucharistisch Congres van de katholieke kerk te Bombay. Er werd een diner gegeven waarvoor men duizend gulden moest betalen om aan te zitten. Aan de kardinaal kon zo een flink bedrag aangeboden worden.
Van 1969 tot 1971 was Teppema voorzitter van het herdenkingscomité 100 jaar Rode Kruis 's-Hertogenbosch. Aan H.K.H. prinses Margriet zou als cadeau een ledenwerfcampagne voor het Rode Kruis aangeboden worden. De campagne verliep echter moeizaam. Er werden slechts zo'n 500 nieuwe leden gewonnen.
Bij de N.V. IJsstadion 's-Hertogenbosch heeft Teppema nooit in het bestuur gezeten. Wel heeft hij meegewerkt aan de oprichting ervan door kapitaal bijeen te garen. In het bestuur van de F.C. Den Bosch had hij evenmin zitting. Als lid van de commissie van goede diensten van de F.C. Den Bosch leidde hij echter in 1967 fusiebesprekingen om te komen tot een vereniging voor betaald voetbal in 's-Hertogenbosch.
Toen Teppema in 1948 secretaris van de Kamer van Koophandel werd bracht hij een aantal nevenfuncties mee. Zijn activiteiten zouden nog sterk uitbreiden. Het werd van hem verwacht dat hij zich inzette voor de industriële ontwikkeling van Noord-Brabant. Hij werd al spoedig directeur van de N.V. Maatschappij tot exploitatie van industriegebouwen in 's-Hertogenbosch (M.E.I.) en de N.V. 's-Hertogenbossche Industriegebouwenmaatschappij (B.I.M.). Eind 1957 kwam mr W.G.J. Lennaerts op de Kamer van Koophandel te werken. Hij was aanvankelijk min of meer de rechterhand van Teppema. De vele werkzaamheden voor de M.E.I. en de B.I.M. nam hij grotendeels over. Lennaerts kwam in 1958 ook in het bestuur van de Stichting R.K. Technisch Onderwijs voor 's-Hertogenbosch e.o. De archivalia hiervan zijn bij de stukken van Teppema gevoegd omdat hij de secretaris van de Kamer van Koophandel was. Lennaerts zou later secretaris worden van het provinciaal bureau van de Kamer van Koophandel in Noord-Brabant.
In 1777 werd in Haarlem de 'Oeconomische tak van de Hollansche Maatschappije der Weetenschappen' opgericht. De 'Oeconomische tak' werd weldra een zelfstandige vereniging. De naam veranderde een aantal keren. Op 1 september 1921 kreeg de vereniging de naam van Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel. Het doel van de Maatschappij was de vergroting van de welvaart door het bevorderen van de handel, de industrie, de landbouw en de mijnbouw. Om haar doel te bereiken heeft de Maatschappij in allerlei besturen van maatschappelijke instellingen op economisch terrein geparticipeerd. Ze richtte zich op het onderwijs en organiseerde congressen en tentoonstellingen. De Maatschappij kende twee groepen leden: bedrijven en particuliere personen. Plaatselijke en regionale belangen op het gebied van industrie, handel en verkeer werden behartigd door afdelingen van de Maatschappij, departementen genaamd.
De Maatschappij heeft circa 38 departementen gehad. Een van de grotere departementen, met zo'n 350 leden, was Oost-Brabant. De leden ervan kwamen voornamelijk uit Oss, Tilburg, Helmond, 's-Hertogenbosch en Eindhoven. Het aantal bedrijfsleden was ongeveer even groot als het aantal particuliere personen. Van 1949 tot 1978 was Teppema secretaris van het departement Oost-Brabant. Ieder winterseizoen organiseerde het departement zeven à acht lunchvergaderingen, meestal in 's-Hertogenbosch of Eindhoven. Tijdens de bijeenkomsten hielden sprekers van naam een lezing. Het landelijk hoofdbestuur heeft getuigschriften en legpenningen uitgegeven voor personen die een lang dienstverband hadden bij een bepaald bedrijf of instelling. Bij het departement moesten deze gedenkstukken aangevraagd worden. Het departementsbestuur organiseerde op de eerste plaats regionale bijeenkomsten. Goed onderling contact tussen de leden werd belangrijk geacht. De leden bestonden voor een groot deel uit industrilen, maar ook burgemeesters, notarissen, advocaten en directieleden van allerlei instellingen waren lid. De landelijke jaarvergaderingen werden ieder jaar door een ander departement georganiseerd. Eens in de vijf jaar was de vergadering in Haarlem.
In 1945 werden er in België, Nederland en Luxemburg comités opgericht onder de naam Belgisch-Nederlandse-Luxemburgse Samenwerking. De landelijke comités kenden plaatselijke afdelingen. Teppema was secretaris van de afdeling 's-Hertogenbosch en omstreken. Deze afdeling leidde een weinig bloeiend bestaan. Er waren zo'n 30 à 40 personen lid. Een of twee keer per jaar werd er voor de leden een bijeenkomst georganiseerd waarbij een lezing gehouden werd.
In Breda bestond een actieve Belgisch-Nederlandse Vereniging voor West-Brabant. Na een fusie in 1963 van de Bossche en Eindhovense afdelingen van het comité met de vereniging in Breda ontstond de afdeling Noord-Brabant van het comité Belgisch-Nederlandse-Luxemburgse Samenwerking. In de jaren zeventig kwamen de activiteiten van de afdeling Noord-Brabant op een zeer laag pitje te staan. 's-Hertogenbosch kende na de Tweede Wereldoorlog twee ziekenhuizen waar religieuzen de scepter zwaaiden. Het ziekenhuis St. Joan de Deo met zo'n 90 bedden werd geleid door de broeders van St. Joan de Deo en had alleen mannelijke patiënten. Het Carolusziekenhuis, ook wel ziekenhuis Het Plein genoemd, had 130 bedden en was bestemd voor vrouwen. De zusters van de Heilige Carolus Borromeus zorgden hier voor de verpleging. Om het hoofd te kunnen bieden aan de ontwikkelingen in de gezondheidszorg gingen de twee ziekenhuizen in 1951 een gemeenschappelijk bestuur vormen onder de naam De Ziekenhuisstichting St. Joan de Deo en St. Carolus Borromeus. Teppema werd secretaris van de stichting. In het bestuur zaten naast vijf leken de moeder overste en de broeder overste van respectievelijk het klooster St. Joan de Deo en St. Carolus Borromeus. Een belangrijk bestuurslid was dr J. Loeff. Hij was secretaris van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap, een soort landelijke bisschoppenconferentie. Loeff had deswege grote inv.loed op moeder-overste en broeder-overste. De Ziekenhuisstichting had met twee problemen te maken in verband met de modernisering van het ziekenhuiswezen. Er moesten nieuwe medische specialisten aangetrokken worden. De specialisten die in de twee ziekenhuizen werkten wilden aanvankelijk geen nieuwe medici toelaten.
Door De Ziekenhuisstichting werden ze toch gedwongen hun alleenvertoningsrecht op te geven. Een ander probleem was de opleiding van verpleegsters. Het Carolusziekenhuis kon geen volwaardige verpleegstersopleiding verzorgen omdat het geen mannelijke patiënten verpleegde. Afgesproken werd dat de toekomstige verpleegsters ook een tijd mannen zouden verplegen in het ziekenhuis St. Joan de Deo.
Met de opheffing van het ziekenhuis St. Joan de Deo in 1964 werd ook De Ziekenhuisstichting ontbonden. Er kwam een nieuw bestuur alleen voor het Carolusziekenhuis. Dit ziekenhuis zou alle afdelingen van een modern ziekenhuis gaan krijgen.
Mede op initiatief van dr G. de Gruyter, voorzitter van de Kamer van Koophandel in 's-Hertogenbosch, werd in 1948 de Vereniging het Brabants Edelambacht opgericht. Teppema werd in 1949 penningmeester. Het was een vereniging voor pottenbakkers, zadelmakers, goud- en zilversmeden en andere kunstzinnige ambachtslieden.
Maar al spoedig werd de vereniging omgezet in de Brabantse Stichting voor Beeldende Kunsten en Edelambacht, gewoonlijk Brabantse Kunststichting genoemd. Nu werden vooral schilders, tekenaars, beeldhouwers en wandkledenmakers lid. *  In 1967 verliet Teppema het bestuur van de stichting.
In 1905 waren er diocesane comités opgericht om geld in te zamelen voor de oprichting van een katholieke universiteit. A.B.S.M. Brekelmans, sinds 1946 verbonden aan de Kamer van Koophandel, aanvankelijk als boekhouder later als administrateur, verzorgde jarenlang de administratie van de gelden die bij het diocesane universiteitscomité van het bisdom 's-Hertogenbosch binnen kwamen. Na de oorlog was Brekelmans tot 1965 secretaris van het afdelingsbestuur Vught van de KVP.
Om de financiële consequentie van de volledige uitbouw van de katholieke univestiteit te Nijmegen te financieren werd door het episcopaat het Centraal Fonds voor Katholiek Hoger Onderwijs opgericht. J.F.E.M. Aghina, hoofd van de afdeling public relations van de Nederlandse Spoorwegen, werd directeur van het fonds. Teppema werd later secretaris en penningmeester van het fonds. In 1968 fuseerde het Centraal Fonds voor Katholiek Hoger Onderwijs met de Sint-Radboudstichting. De stichting ging nu Radboutstichting Wetenschappelijk Onderwijsfonds (R.W.O.) heten. Het doel van het nieuwe fonds was het scheppen van voorwaarden voor de vorming van katholieke academici. Door middel van geldinzamelingen, het toewijzen van subsidies aan katholieke studentenparochies en -organisaties, het vestigen van leerstoelen, het laten houden van voordrachten en het bevorderen van deelname aan het wetenschappelijk onderwijs door katholieken probeerde men het doel te bereiken. Van 1968 tot 1978 was Teppema penningmeester van de R.W.O.
De Stichting Vrienden van het Brabants Orkest kwam in 1947 van de grond om de oprichting te bevorderen van een Brabants Orkest. Op 5 oktober 1950 ging de Stichting Vrienden van het Brabants Orkest de stichting Het Brabants Orkest vormen. Het bestuur daarvan werd gevormd door drie leden van de Vrienden en door vertegenwoordigers van de provincie en de subsidiërende gemeenten Breda, Eindhoven, 's-Hertogenbosch en Tilburg. De Stichting Vrienden van het Brabants Orkest ging zich nu richten op de instandhouding van Het Brabants Orkest. Ze zamelde daartoe geld in van gemeenten, bedrijven en particulieren. Ze droeg bij in de concertexploitatie van Het Brabants Orkest en het Brabants Kamerorkest en gaf grammofoonplaten uit. Teppema werd in 1950 secretaris van de Vrienden. De in 1969 opgerichte Stichting Karel Bouman stimuleerde de ontwikkeling van muzikaal talent in Noord-Brabant. Veelbelovende conservatoriumstudenten, zowel vocalisten als instrumentalisten, konden subsidie van de stichting krijgen. De secretaris van de Stichting Vrienden van het Brabants Orkest was tot 1982 J.M.C. Teppema. Hij was tevens qualitate qua voorzitter van de 'Stichting Karel Bouman'. *  In 1968 werd Teppema ook bestuurslid van het Zuidelijk Toneel Globe. Van het moderne toneel dat Globe bracht had hij naar zijn zeggen te weinig verstand. Slechts een achttal jaren zou hij bestuurslid zijn. * 
De secretaris van de Kamer van Koophandel in Maastricht was gecommitteerde voor het vak kennis van het Nederlandse culturele en maatschappelijke leven bij de eindexamens van kweekscholen. In 1959 verving Teppema hem wegens ziekte. De daar op volgende 20 jaar zou Teppema gecommitteerde blijven.
Vanaf 1966 zat Teppema als gewoon bestuurslid in de Stichting Openbare Bibliotheek en lectuurvoorziening 's-Hertogenbosch. Hij zou een zes-tal jaren bestuurslid blijven. In de jaren zestig moest er een nieuw pand gebouwd worden voor het kantoor van de Kamer van Koophandel te 's-Hertogenbosch. Als secretaris van de Kamer had Teppema veel bemoeienissen met de nieuwbouw. Omdat hij de nodige ervaringen opgedaan had werd hij voorzitter van de bouwcommissie voor de nieuwe openbare bibliotheek te 's-Hertogenbosch.
In 1966 werd op initiatief van het bisdombestuur van 's-Hertogenbosch de diocesane financiële adviescommissie opgericht om de financiën van het bisdom te reorganiseren. Het eerste jaar was Teppema voorzitter van de commissie. De adviescommissie hield zich bezig met de verkoop van de seminaria en regelde de pensioenvoorziening voor priesters. In de jaren zeventig, toen de commissie feitelijk haar werk had verricht, stierf ze min of meer een langzame dood.
Teppema was sinds 1957 ook voorzitter van het Steunfonds voor R.K. Kerken in 's-Hertogenbosch, St. Lambertus-Fonds. Het fonds verstrekte tot eind jaren zestig renteloze leningen voor de bouw en het onderhoud van kerken. In de parochie St. Petrus Banden te 's-Hertogenbosch was Teppema broederheer van het Broederschap van het Hoogheilig Sacrament des Altaars. In 1980 bestond deze broederschap, die eertijd in de St. Janskerk was opgericht, 500 jaar. Het bestuur van deze broederschap wordt gevormd door 14 broederheren. De proost is voorzitter van het bestuur. Teppema is drie jaar proost geweest onder andere in 1980 toen het grote jubileum gevierd werd. De broederheren en de leden van de broederschap luisterden iedere derde zondag van de maand de heilige mis en het lof op in de kerk waarin de broederschap was gevestigd. Op bepaalde bijzondere feestdagen waren zij ook present. *  Na de sluiting van de kerk van St. Petrus Banden werd de broederschap gevestigd in de Capucijnerkerk te 's-Hertogenbosch.
Van circa 1961 tot 1971 zat Teppema in het kerkbestuur van de parochie St. Petrus Banden. De laatste jaren was hij penningmeester. De parochies van de binnenstad van 's-Hertogenbosch moesten fuseren. Er kwam een parochie binnenstad 's-Hertogenbosch. Van 1971 tot eind 1973 was hij voorzitter van het bestuur. Hij was de eerste leek in het bisdom die voorzitter werd van een bestuur van een katholieke parochie. Eind 1973 moest hij zijn functie neerleggen omdat hij naar Rosmalen verhuisde.
In het archief van Teppema berusten stukken over waterschappen in Noord-Brabant van de periode 1971-1978. De betrokkenheid van Teppema met het bestuur van de waterschappen dateerde echter al van vroegere datum. Van 1953 tot 1981 had hij bestuursfuncties in het waterschap De Aa. Hij zat zowel in het dagelijks- als in het hoofdbestuur. De laatste jaren was hij loco-watergraaf. Vanwege die hoedanigheid had hij ook zitting in het bestuur van de Gemeenschappelijke Technologische Dienst Oost-Brabant van de waterschappen De Aa, De Dommel en De Maaskant. Hij was ook enige jaren hoofdingeland en twee jaar heemraad van het waterschap De Maaskant. Ook stukken voor de industriële hoofdingelanden, die namens de Kamer van Koophandel zitting hadden in de besturen van de waterschappen, berusten in het archief. Van ondermeer twee organisaties waarvan Teppema in het bestuur zat vinden we geen stukken in de inventaris beschreven. Vanaf de oprichting eind jaren vijftig tot 1978 had hij zitting in de Brabantse Produktiviteitscommissie. Deze commissie werd door de Brabantse Kamers van Koophandel ingesteld voor de bevordering van de produktiviteit in het bedrijfsleven. Vanaf 1972 was Teppema secretaris van de Stichting Concours Hippique International in Noord-Brabant. Hij vergaderde in de stichting met de paardenliefhebbers over het jaarlijks te organiseren concours hippique in 's-Hertogenbosch. Het secretariaat van de stichting werd grotendeels gevoerd door een secretaresse. Zij beheert ook het archief.
Teppema ontving een aantal onderscheidingen. Voor zijn werkzaamheden voor het College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid voor het Bevrijde Nederlandse Gebied kreeg hij in 1946 de onderscheiding van ridder in de orde van Oranje Nassau. In 1973 toen hij 25 jaar secretaris van de Kamer van Koophandel in 's-Hertogenbosch was werd hij officier in de orde van Oranje Nassau. Bij het afscheid van het kerkbestuur van de parochie binnenstad te 's-Hertogenbosch werd hij ridder in de orde van de Heilige Gregorius de Grote. Bij zijn afscheid als secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in 's-Hertogenbosch in 1978 ontving hij een gouden legpenning van de Kamer in 's-Hertogenbosch. Toen hij, in 1974, 25 jaar secretaris was van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel, departement Oost-Brabant kreeg hij een zilveren legpenning. Bij zijn afscheid van het bestuur werd hij erelid van de Maatschappij.

Rijksarchief in Noord-Brabant, 1997
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlage: bestuursfuncties van J.M.C. Teppema
Kenmerken
Vindplaats origineel:
BHIC 's-Hertogenbosch
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS