Denkend aan de jaren vijftig….
Een verhaal door Henriëtte van de Graaf Elke zaterdagmiddag moesten we in de ketel.
Dat was onze badkuip, een robuust, naar beneden smal toelopend gevaarte, een soort eierdop maar dan veel groter. De ketel stond in het schuurtje, vlakbij de woonkeuken. De muren waren kaal, op een zand-zeep-en-soda- en een handdoekenrekje na. Twee emmertjes water halen was niet genoeg. Op en neer en heen en weer.
Aan de onderkant bevond zich het stookgat voor het hout om het badwater lekker warm te maken. Geuren van opvlammend hout en geuren van te lang gedragen kleding vermengden zich moeiteloos met de stank van ongelooide huiden in het werkhuis van de leerlooierij en de alom aanwezige geluiden van af en aan rijdende melkkarren aan de overkant bij de melkfabriek.

Het badwater voelde als een warm onthaal, maar koelde ook snel af. Reden om het vuur nog eens flink op te porren. Keer op keer plonsde er weer een ander Graafje in. Met blozende wangen of afhankelijk van het seizoen met bibberende blauwe lippen maakten we ons snel uit de voeten naar de keuken waar het fornuis brandde. De waterketel, de moor, die regelmatig geluiden uit zijn binnenste perste, klonk als een stoomlocomotief. Onze moeder schroomde niet, ook al was ze boven, in de tuin of aan de telefoon, om met luide stem te roepen: “ ‘t zingt!!” Ze bedoelde, het water kookt, doe er iets mee.
Behalve als badkuip diende de ketel ook als voorwasmiddel om de witte was te koken. De houten wasmachine was op maandag het draaiend middelpunt van de grote gezinswas. Water, overal water. Het ritmische geluid van heen en weer bewegend en tegen elkaar opspringend zeepsop leverde wekelijks een strijd met het wasgoed om het te bevrijden van allerlei soorten onzindelijkheid. En op volle toeren, de hele dag door. Het overhevelen van de was naar de wringer vereiste stuurmanskunst en dosering. Te dikke stukken liepen onherroepelijk vast, ook als er ongewild een stukje vinger meeging.
De ketel was ook goed voor het wecken van groente en fruit. Een proces van schoonmaken, schoner dan schoon, tot het vullen van de glazen potten met als sluitstuk de rubberen ring tussen het deksel met de beugel en de pot. De stoere thermometer stak als een trouwe wacht boven de ketel uit en deed zijn best om net niet boven het kookpunt uit te komen. Na afloop werden de weckflessen in de kelder neergezet. En altijd weer dat geluid van het openvallend raampje wanneer de deur van de kelder geopend werd.
Ik duw de laptop van me af.
Ik kijk door het raam.
Buiten valt de schemering.
Het regent of zijn het tranen?