i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Sint-Oedenrode
Tags:

Eén molen, driemaal maalrecht

vertelde op 30 maart 2010 om 15:21 uur

Een molen, ver van de bewoonde wereld op het “drielandenpunt” waar de grenzen van de drie dorpen Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode eeuwenlang bij elkaar kwamen: dat moet een molen met een bijzonder verhaal zijn. En dat was hij ook.

Aan de Koeveringsedijk staat een klein monument met molenstenen dat herinnert aan de molen die daar eeuwenlang gestaan heeft. Het was een rustieke plek vlak bij de Koeveringse bossen, het café met speeltuin “Koeverings Welvaren” en de Eerdse bergen. Vroeger lagen hier tot ver in de omtrek onafzienbare heidevelden en de woeste gronden tussen de naburige dorpen. Koevering ligt precies op de grens van de drie dorpen Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode, al viel het bestuurlijk onder de voormalige Rooise wijk Eerde en Everse.

Al in 1299 zag de hertog van Brabant de economische voordelen in van deze plek, vooropgesteld dat je het maar goed aanpakte. Zijn leenman liet er een hertogelijke windmolen plaatsen met één poot in Schijndel, twee poten in Sint-Oedenrode en één in Veghel.

Eén molen, driemaal het maalrecht: met recht drie vliegen in één klap. De inwoners van de drie gemeenten waren namelijk verplicht hun graan op deze hertogsmolen te laten malen. Dat heette een dwangmolen. En dat betekende voor de heer van het gebied extra inkomsten. Op een kaartje van 1590 staat bij de molen dan ook geschreven: de drie gemale (dat is overigens op de foto niet te ontcijferen, en in werkelijkheid ook bijna niet).

Wel is goed te zien hoe er drie (grens)wegen bij de molen bij elkaar komen. De molenaars in de dorpen hebben vaak geprotesteerd tegen deze in hun ogen oneerlijke concurrentie, maar altijd vergeefs.

De aparte plek van de Koeveringse molen heeft ervoor gezorgd dat de molen in de oude archieven telkens weer terugkomt als markering in de vele grenskwesties die de dorpsschepenen vaak jarenlang hebben beziggehouden. De foto van de molen uit 1940 is een van de laatste die er van gemaakt is. Bij de gevechten tijdens de bevrijding in 1944 is deze standaardmolen geheel verwoest en daarna nooit meer opgebouwd. Alleen het monumentje herinnert nog aan deze speciale plek.

Inmiddels zijn er echter plannen om de molen ter herbouwen. Een website is er al.

Henny van Schijndel stuurde ons de volgende foto's van de Koeveringse molen:

 
     

 

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reacties (5)

Willie Damen van de Mosselaer zei op 19 maart 2018 om 19:28 uur

Aanmelding als oorlogsslachtoffer 25 september 1944. Sedert 1941 zelfstandig.
Petrus A. F. Hoedemakers molenaar geboren 22 mei 1914 Venraij wonende Coevering E 152
Echtgenote van Cornelia van den Hove geboren 5 maart 1916, drie kinderen Theo van 1942, Marie van 1944 en Johanna van 1945. Cornelis van der Hove geboren 1885 en Maria van Holst geboren 1876.
Bijlage: Coevering E 152 mei 1946 Aan District-bureau Verzorging Oorlogsslachtoffers, gebouw C&A Markt te ’s-Hertogenbosch.
Mijne Heren,
Op 25 september 1944 werd mijn standaard molen staande te Coevering, door oorlogsgeweld in brand geschoten en geheel vernield, waardoor ik zonder inkomsten kwam en dus niet meer in mijn onderhoud en dat mijner vrouw kan voorzien. Mijn schoonzoon P. Hoedemakers, die bij mij inwoont vader van 3 kinderen, heeft zich een groot aantal malen ten gemeente huize te Sint-Oedenrode vervoegd en verzocht van een wekelijkse ondersteuning, doch steeds zonder resultaat. Tot eindelijk hij zich wendde tot Departement van Sociale Zaken, destijds te Eindhoven, met het gevolg dat hem tot einde maart 1945 een wekelijkse uitkering van fl. 15, - werd verstrekt. Absoluut ontoereikend om 2 grote gezinnen te onderhouden, terwijl aan molenaar Dufhuis te Schijndel-Wijbosch, naar verluidt een wekelijkse toelage van fl. 40, - werd gegeven. Mijn schoonzoon heeft zich veel ontzegt en zijn uiterste best gedaan om mij en mijn vrouw te onderhouden. Hij kan dit, bij gebrek aan voldoende inkomsten niet. Als oude man die nooit iets ander heeft uitgeoefend heeft als molenaarsbedrijf, moet ik thans om de brode hier en daar land- en tuin-arbeid gaan verrichtten, werk dat ik nooit geleerd heb en mij erg zwaar valt. Mijn molen is weg, en dus ook mijn kostwinning.
Het kan toch niet de bedoeling zijn dat mij alle steun onthouden wordt. Steeds heb ik mijn uiterste best gedaan om op eerlijke wijze den kost voor mijn gezin te verdienen en dan in den ouden dag gebrek lijden, zonder daarvan de schuld te zijn, ben ik zo vrij mij tot U te wenden, in den hoop dat U mijn toestand zult willen begrijpen en maatregelen zult willen nemen om deze te verbeteren. Reeds vooraf dank ik U voor door U te nemen moeite en hoop enig bericht van U te mogen ontvangen.
Hoogachtend C van den Hoven E 152 Sint-Oedenrode Coevering.
Toegang 7635 inventaris 889

Annemarie van Geloven
Annemarie van Geloven bhic zei op 20 maart 2018 om 10:46 uur

Hartelijk dank, Willie voor weer een aanvulling uit je archiefonderzoek. Het geeft de lezer een blik in de persoonlijke tragedie van deze molenaar. Het lot van vele oorlogsslachtoffers.

Willie Damen van de Mosselaer zei op 26 juni 2019 om 15:18 uur

Dat vierkante ding ‘De Koeveringse molen’.
Op maandag 11 juli 1803 komt Johannis van Heugten in de nabijheid van de Koeveringse molen in het huis van Johanna van Hoorn. Daar vraagt hij aan Johanna of haar dochter Mie op wie hij smoor verliefd is, misschien al is getrouwd ?
De moeder bevestigd dat, waarop hij dreigende en vloekende haar toeschreeuwde, dat hij haar huis en dat vierkante ding, wijzende met zijn vinger naar de molen in brand zou steken en de lucht in helpen. Ik zal jouw en je dochter ongelukkig maken als ik het kan, al staat de galg voor me klaar, ik ben mijn leven toch al moe.
De woensdag daarop is hij weer in het huis gekomen, daar hadden ze al bij geruchten gehoord dat het huis van Mie die getrouwd was met Jacobus de Groot, staande op het Brouwershuijs tot Vlierden reeds was afgebrand. Dat vertelde hij haar en hij was de dader. Daarop is hij vloekende weggelopen al roepende, nee lepe bliksem, ik zal er wel oppassen, die van Roode zullen mij hier niet pakken. Gelukkig heeft hij zijn dreigement niet uitgevoerd.
Bron: Schepenbank Toegang 7636, inventaris 296 folio 408

Toch gaat de molen verloren op het einde van de tweede wereldoorlog, door oorlogsgeweld is hij afgebrand. Onder de bevolking blijft de wens bestaan om de molen weer op te bouwen.
Maar helaas na tien jaren ijveren om de eeuwenoude molen te herbouwen is door het bestuur van de stichting ‘Koeveringse molen’, bekend gemaakt om 11 juni 2019 ermee te stoppen.
De Koeveringese molen, waarschijnlijk nu voor altijd verloren.

Marilou Nillesen
Marilou Nillesen bhic zei op 27 juni 2019 om 11:24 uur

Wat een verhaal, Willie! Niet alleen het aangrijpende relaas dat je in de schepenbank hebt gevonden, maar even zo goed het vervolg. Verdrietig dat het zo moet gaan, zeker gezien de imposante historie van de molen...

Helena zei op 27 juni 2019 om 23:38 uur

Het andere vervolg van wat er op Brouwhuis gebeurde [ al heeft dat niet meer met ' dat vierkante ding ‘De Koeveringse molen’ " te maken] ...

Uit artikel van Pieter Koolen in 'Brouwhuis, van Boeren tot Burgers' [ uitgave van de Heemkundekring Helmond, 1994, nummer 3] : De voorspelde brand.
Op dinsdag 12 juli 1803 ging de boerderij van de gebroeders de Groot op Brouwhuis in vlammen op. Daarvan maakten de schepenen het volgende proces-verbaal op:
'Schepenen van Vlierden verklaren dat zij op dato dezes zijn geweest ter requisitie van de burger Bernard Valkenburg, schout-civiel, op het Brouwhuis en daar hebben gezien en beschouwt of geëxamineert, dat zeker huyzinge en stallinge in eygendom toebehorende aan Jacobus en Wouter de Groot tgeen aldaer in 1802 nieuw is gevigeerd en opgebouwd, twelk nog niet bewoond is geweest, op den 12e dezer geheel en al totaal is afgebrand, uytgenomen dat enige binne en buytemuuren daar van zijn blijven staan'
22-7-1803 Vlierden RA 34 fol. 89

Maar hoe heeft dat kunnen gebeuren? De brand was het gevolg van een liefdesdrama. De boerderij was pas het jaar daarvoor nieuw gebouwd en nog niet bewoond. De brand was aangestoken door Jan van Heugten. Van Heugten had namelijke enkele jaren daarvoor enige tijd verkering gehad met een meisje van de Coeveringse hoeve onder St. Oedenrode. Zij verbrak de verloving. Toen zij later verkering kreeg met Jacob de Groot werd dat van Heugten teveel. Menig keer heeft hij Jacob verstaan gegegevn dat hij zijn verloving moest verbreken. Daarbij dreigde van Heugten met moord, doodslag en brandstichting. Dat het geen loze dreiging was blijkt uit de hierna volgende akte van 17 juli 1803.

Uit DocuDataDeurne: 17-7-1803 Vlierden RA 34 fol. 86 . Interrogatie.
1e dep. Jennemaria van de Loverbosch wed. Jan de Groot 75 jr.
2e dep. Jacobus de Groot 38 jr.
3e dep. Maria van Hoirn, huisvr. van voorn. Jacobus 26 jr.
4e dep. Wouter de Groot 32 jr
5e dep. Jan Vlemmings 31 jr.
6e dep. Michiel ter Horne 28 jr.
7e dep. Johannis van Gerven 24 jr.
8e dep. Hendrik van de Kruys 21 jr., 6 t/m 8 dienstboden bij:
9e dep. Catharina Beijers, wed. Michiel van de Heuvel 40 jr.
Allen zijn luyden van eer, staande ter goeder naam en faam, dewelke ter instantie en requisitie van den burger Bernardus Valkenburg, schout-civiel van het schoutampt dezer gemeente voor de oprechte waartheid verklaren waar en waarachtig te zijn:
1e dep. verklaart dat op dinsdag den 12e dezer maand july smorgens omtrent 9 uren ten haren huizen is aangekomen Johannis van Heugten dewelke aan Jennemarie heeft verzogt dat voor hem thee mogt worden geset hetgeen J. terstond in gereedheid heeft gemaakt, hetwelk hij met J. heeft gedronken en een boterham heeft gegeten, waaronder hij vraagde of haren zoon Jacobus de Groot en zijn vrouw Maria van Hoorn niet thuis waaren, hetwelk J. met neen beantwoordde; dat hij tegen J. zeide dat hij wel zoo veel gestoolen had, dat hij de galg wel verdiend had, maar dat niemand hem konde vangen, want dat hij te slim was, dat hij verder zeyde, dat hij Jacobus de Groot beklaagde want dat hij hem zoo arm zoude maaken als hij was, dat hij verder met brutaale woorden de deur is uitgegaan.
2e dep. verklaarde dat Johannis van Heugten omtrent een jaar geleden bij hem te Helmond is gekomen en dat hij, van Heugten, met hem in discours rakende van hem deponent fl. 500 heeft afgeëischt en indien hij deponent weigerde die som te geven, dat hij dan moet afwagten hoe hij daer meede zoude vaaren, dat hij hem, deponent, dan ongelukkig zoude maaken al moest hij ook agt dagen an de deur van den deponent hem opwagten, waarop zij als doen van elkander zijn gescheyden. Dat den deponent in den gepasseerden herfst is gekomen in de acker bij de hoeve de Vorst alwaar Johannis van Heugten bij hem is gekomen en hem vraagde of hij haast met Maria van Hoorn trouwde, dat hij deponent daar op antwoordde: "Dat zal ik doen als ik kan, dat zal ik om U niet laten", waarop denzelven van Heugten met veel drijgementen en brutaale woorden antwoordde dat hij of degeene die met haar trouwde ongelukkig soude zijn, want dat hij er niets om gaf wat hij deede, dat hij dog zijn vaderland moest ruymen, waarop hij met drijgementen, die hij, deponent, niet woordelijk heeft onthouden, is heen gegaan.
3e dep., de huisvrouw van Jacobus de Groot, verklaarde dat van Heugten circa 3 jaren geleden op de Koevering onder St. Oedenrode in de buurt van hare ouders bij Willem Cluytmans enigen tijd is in de kost geweest en toen ter tijd met haar, deponent, heeft trachten te converseeren dog zulks door haar afgebroken zijnde, heeft hij verscheijde reijsen op een drijgenenden toon te kennen gegeeven zich daerover te zullen wreeken, dat hij circa 1 jaar naderhand en vervolgens van tijd tot tijd haar heeft gedrijgt en gezegd indien zij, deponente, zich met een ander persoon dan hem in huwelijk begaf, hij zodanig persoon en ook haer zoude vermoorden en het mes in het hart omdrayen of haar huis boven het hoofd in brand steeken, dat hij den duyvel lijf en ziel gaf als hij zulks niet ten uitvoer bragt. Dat hij circa 2 jaar geleden bij haer deponente is gekomen en van haar fl. 500 het geëischt met belofte, zoo zij daeraen voldeede, dat hij zijne drijgementen die hij met sterke uitdrukkinge als hiervoor vermeld, herhaalde, als dan niet ten uitvoer zoude brengen. Dat hij circa 1 jaar geleden in het huis van der deponenten moeder op de Coevering is gekomen en tegen de deponente gezegd, dat indien zij hem niet te vreeden stelde, dat hij haar dan bij de eerste ocasie de beste den hals soude drayen of dood stekenof dat hij wenschte dat hem den duyvel haalde.
4e dep. verklaarde dat van Heugten den 12e dezer drijgementen had gedaan en hij yemand in den avond van dien dag in het duyster door de straet heeft zien lopen, ongerust is geworden, met den 6e, 7e en 8e deponent aan de huyzinge van de 1e deponente en aan het nieuw huis, hem deponent en zijne broeder competeerende, hebben gewaakt, dat terwijl zijn twee en twee de wagt hielden hij deponent op den hoek van het voirs. nieuw huis 's avonds omtrent 11 uren brand aan het dak ontdekte, waarop hij, deponent, met zijn bij zich hebbende manschap daer na toe liep en het huis in vlam vonden. Dat terwijl zij poginge aanwenden om den brand te blussen een manspersoon van het brandend huis is komen lopen, sonder hem vermids de donkerheid te kennen. Dat zij met behulp der bijkomende menschen het huis niet hebben konnen behouden, schoons de brandspuit met alle mogelijke spoed tot blussing is aangebracht, is hetzelve huis geheel afgebrand.
5e dep. verklaart dat hij tegen den avond op den 12e dezer in den acker heeft zien gaan een manspersoon, na zijn gedagten Johannis van Heugten. Dat hij, deponent, vermids hij gehoord had dat denzelven van Heugten drijgementen heeft gedaan den 4e deponent gewaarschuwd heeft om de huysinge te bewaaken.
6e deponent verklaart dat hij gezien heeft dat Johannis van Heugten, zoodra de vlam zich vertoonde van het brandende huis, is komen lopen en de weg na Stiphoud volgde.
7e deponent verklaart dat hij gezien heeft dat zoodra de vlam van het voirs. huis zich vertoonde een manspersoon van het brandende huis is komen lopen, na zijn gedachten Johannis van Heugten, dog dat hij vermits de donkerheid niet zeker heeft kunnen onderkennen.
8e deponent verklaart hetzelfde als de 7e deponent.
9e deponent verklaart dat op den 12e 's avonds om half tien ten haren huizen is ingekomen een manspersoon, na haar gedagten in de 20 jaren en knap van lede, hebbende aan een buysje, een ronden hoed op met een breed lint, denwelken zich gedroeg als of hij dronken was, dat een stuksken eten heeft gevraagd hetwelk de deponente hem heeft gegeven en gekookt, kernemelk heeft gedronken, dat hij aldaer tot ruym half 11 is gebleven, dat hij de deponente 4 stuyvers heeft gegeven en met een brandende pijp regt op de huysinge van Jennemaria van de Loverbosch is gegaan, dat zij enige minuuten daer na hurde roepen dat het huis van Jacobus en Wouter de Groot in brand stond, dat zij, deponente, den gemelde manspersoon niet kende. Alle deponenten ondertekenen zelf behalve:
+ merk van Johannes van Gerven
+ merk van Catharina Beijers
schepenen: Jan van Bree Joseph van Tilborg A. Ramaer.

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: