i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: 's-Hertogenbosch
Periode: 1978 - 1994
Tags:

'Ach mevrouwtje, waarom blijft u niet thuis?' Vrouw en Werkwinkel in Den Bosch

vertelde op 11 februari 2020 om 13:55 uur

De deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt is in de afgelopen veertig jaar flink veranderd. Rond 1980 bungelde Nederland samen met Ierland nog onderaan de ranglijst wat betreft het percentage werkende vrouwen. Maar in 2019, zo blijkt uit cijfers van het CPB, behoort Nederland op dit gebied juist tot de koplopers in Europa.

Klik om te vergroten

Deelnemers aan de cursus 'Vrouwen en eigen bedrijf' van Vrouw en Werk, destijds gevestigd aan de Zuid-Willemsvaart. Angèle Goossens (onderste rij, tweede van rechts) en Marjo Andriessen (helemaal links) leidden deze cursus. Foto uit 1985.

‘We begonnen in een souterrain’

Met de opkomst van de Vrouwenbeweging ontstonden verschillende vrouwengroepen, die verandering nastreefden in de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Zij werden hierbij ondersteund door het feit dat, vanwege de ‘ontgroening en vergrijzing’, het ook hard nodig was dat meer vrouwen aan het arbeidsproces gingen deelnemen.

In Amsterdam en in ’t Gooi startten rond 1978 de eerste concrete initiatieven: de Vrouw en Werkwinkel. Enkele jaren later stelde het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid  de landelijke subsidieregeling ‘Vrouw en Werkwinkels’ in. Deze was bedoeld om in het hele land vergelijkbare initiatieven van de grond te tillen.

Een oprichtingsbestuur in Den Bosch haalde een subsidie binnen en in juni 1984 startte de Vrouw en Werkwinkel Den Bosch. We begonnen in een souterrain in de Verwerstraat en verhuisden enkele maanden later naar een kantoorpand aan de Zuid-Willemsvaart. Er waren twee betaalde medewerkers met een dienstverband van 25 uur: Maria Hornman en Angèle Goossens.

De volgende activiteiten werden opgezet: een spreekuur voor herintredende vrouwen, een cursus ‘Oriëntatie op opleiding en beroep’ en een cursus ‘Vrouwen oriënteren zich op het starten van een eigen bedrijf’. Daarnaast legde de Vrouw en Werkwinkel contact met het Gewestelijk Arbeidsbureau, de Kamer van Koophandel, instellingen voor beroepseducatie en financieringsinstellingen.

Dit alles met de bedoeling om de arbeidsmarkt, het volgen van opleidingen en ondernemerschap voor vrouwen toegankelijker te maken. Vrouwen in die tijd hadden namelijk te maken met nogal wat belemmeringen. Zo waren er behalve de peuterspeelzaal nog nauwelijks kinderopvangvoorzieningen. Schakelopleidingen en passende bij- en omscholingsmogelijkheden zouden vrouwen meer kansen moeten bieden.

Binnen het arbeidsbureau, de beroepseducatie en ook bij banken werkten vrouwen en een enkele man, die ‘de vrouwenzaak’ ondersteunden en die zich binnen hun eigen organisatie hard wilden maken voor het aanpassen van de ondersteuning en dienstverlening. Voor de Vrouw en Werkwinkel waren deze contacten echt heel belangrijk. We moesten het hebben van zulke mensen, die ons steunden. En op hun beurt voelden deze medewerkers zich ook door ons gesteund.

‘Je weet maar nooit met wat voor ideeën je vrouw terugkomt’

Op het spreekuur van de Bossche Vrouw en Werkwinkel kwam soms de echtgenoot mee. Want het was best eng om naar zo’n vrouwenclub te gaan en ‘je weet maar nooit met wat voor ideeën je vrouw terugkomt’. Tijdens de Oriëntatiecursus ‘Opleiding en Beroep’ was het krijgen van toestemming van een echtgenoot of partner dan ook een regelmatig terugkerend gespreksonderwerp. Cursisten worstelden met het dilemma: ‘Kies ik voor mijzelf en mijn eigen ontwikkeling of blijf ik dienstbaar aan man en kinderen?’

Dat deze keuze voor vrouwen, om een opleiding te volgen of werk te zoeken, niet ten koste mocht gaan van de zorg voor man, huishouden en kinderen, was een mening die je zowel bij mannen als vrouwen aantrof. Maar vooral de vrouwen hadden er last van. En wij probeerden ze dan ook van deze belemmerende overtuiging af te helpen. Onze cursus 'Opleiding en Beroep' maakte deelnemende vrouwen bewuster van hun situatie. Het feit dat ze in een groep zaten met gelijkgestemden, met vergelijkbare vragen en dilemma’s, werkte stimulerend. En uiteindelijk namen veel vrouwen ook daadwerkelijk die grote stap, door te kiezen voor een (schakel)opleiding of door te solliciteren voor een deeltijdbaan.

En ineens was je dan een ‘werkende vrouw’. Daar moesten de vrouwen zelf én hun omgeving vervolgens behoorlijk aan wennen! ‘Och mevrouwtje, waarom blijft U niet gewoon thuis’ was een heel gangbare opvatting.

‘Ik kan goed koken, dus ik kan wel een restaurant beginnen’

Vóór 1985 kwamen de meeste vrouwen, die een eigen bedrijf startten, uit een ondernemerstraditie. Zij hadden dus hun omgeving mee, kenden de ondernemerswereld en hadden zelf ook ondernemende kwaliteiten. Deze vrouwen wisten hun eigen steun wel te organiseren. Maar door de combinatie van hoge werkloosheid (vooral onder hoog opgeleide vrouwen) en emancipatie, durfde een steeds grotere groep vrouwen na te denken over een eigen bedrijf. Vrouwen, die juist geen vanzelfsprekende steun in de eigen omgeving vonden en dus geheel op eigen kracht hun weg in ondernemingsland moesten zien te vinden. Op deze laatste groep richtte zich de cursus ‘Vrouwen oriënteren zich op het starten van een eigen bedrijf’. 

Tijdens deze cursus ontwikkelden de deelnemende vrouwen een ondernemingsplan, dat zij toetsten op haalbaarheid. Dat zette vrouwen, die teveel op een roze wolk zaten, weer met beide benen op de grond. Zij leerden dat de overtuiging ‘ik kan goed koken, dus kan ik wel een restaurant beginnen’, volstrekt onvoldoende was.

De cursus leidde voor een aantal vrouwen tot een succesvol bedrijf. Enkele daarvan bestaan ruim dertig jaar later nog, zoals Lijstenmakerij Monart aan de Graafseweg in Den Bosch.

In 1987 stopte deze vorm van ondersteuning bij de Bossche Vrouw en Werkwinkel, om te worden ondergebracht bij de Bedrijfsregio[1] en vervolgens, na enkele jaren te worden geïntegreerd in de algemene dienstverlening.

Discussie over betaalde en onbetaalde krachten

In 1985 was de werkloosheid onder hoogopgeleiden hoog; er werd gesproken van een ‘verloren generatie’. Het was tegen deze achtergrond dat een aantal vrouwen, betrokken bij de Vrouwenbeweging in Den Bosch, bij de Vrouw en Werkwinkel solliciteerde. Enkele van hen meldden zich uiteindelijk bij ons aan als onbetaalde kracht.

Deze gang van zaken, het uitbreiden van ons medewerkersbestand met onbetaalde krachten, lijkt nu misschien vreemd, maar dat was het in die helemaal tijd niet. Onbetaald werken met een WW- of bijstandsuitkering was juist heel gangbaar. ‘Ik wil werk en inkomen, maar langs de gewone weg lukt dit niet. Dan maar zo!’, was de opvatting van veel vrouwen toen. De hoge werkloosheid, gecombineerd met de soepele regelgeving op het gebied van werken met behoud van een uitkering, maakte het mogelijk om deze uitkering in feite als ‘basisinkomen’ te zien.

Zo startte de Vrouw en Werkwinkel met twee betaalde en vier onbetaalde krachten. En daarmee haalden wij meteen discussies in huis over wie de meeste ‘rechten’ hadden. Omdat de betaalde krachten een beter inkomen en dus een betere positie hadden, moesten zij zich in een aantal opzichten bescheiden opstellen ten opzichte van de onbetaalde krachten, zo was de opvatting. Zo zagen de betaalde krachten af van hun recht om vrij te nemen tijdens schoolvakanties. Na enkele maanden maakte het bestuur een einde aan deze onwerkbare situatie, door het besluit te nemen niet langer met onbetaalde medewerkers te werken.

Van Den Bosch naar Noordoost-Brabant

De Vrouw en Werkwinkel zou tot 1994 als zelfstandige organisatie functioneren. Maar de oorspronkelijke banden met de Vrouwenbeweging in Den Bosch zijn gaandeweg verdwenen. In plaats van een stedelijke functie kreeg de Vrouw en Werkwinkel een regionale functie. Voortaan bediende deze heel Noordoost-Brabant, met spreekuren, cursussen en beleidsbeïnvloedende activiteiten in Den Bosch Veghel, Oss en Cuyk. Het aantal medewerksters werd daarom ook uitgebreid.

In 1993 werd de aparte subsidieregeling van het Centraal Bureau Arbeidsvoorziening stopgezet en besloten, dat alle Vrouw en Werkwinkels 'in het arbeidsvoorzieningsinstrumentarium zouden moeten worden ingepast’. Als een gevolg van dit besluit werd Vrouw en Werk Noordoost-Brabant, met haar zeven medewerksters, een aparte werkeenheid binnen de RBA (Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening) Noordoost-Brabant.

Gesteund en geholpen door de Vrouw en Werkwinkel hebben veel herintredende vrouwen, later ook vrouwen met een migrantenachtergrond, op een laagdrempelige manier hun weg naar opleiding en beroep gevonden. Daarnaast was Vrouw en Werk voor deze vrouwen ook een noodzakelijke spreekbuis, voor de erkenning van hun specifieke positie en behoefte aan ondersteuning.

______________________

[1] De Bedrijfsregio was een samenwerkingsverband tussen het Stadsgewest Den Bosch, een aantal gemeentes en de Kamer van Koophandel. Het doel was het versterken van de sociaal-economische positie van de regio.

Bronnen

CPB notitie Arbeidsparticipatie, 20 december 2018

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reacties (3)

Marilou Nillesen
Marilou Nillesen bhic zei op 13 februari 2020 om 10:12 uur

Heel bijzonder - en leerzaam - om dit te lezen, de worsteling die die generatie heeft doorgemaakt. En dat in de jaren tachtig: wel langer geleden, maar toch ook weer niet zo ver terug. Dank voor dit verhaal, Maria en Angèle!

Norah zei op 13 februari 2020 om 11:19 uur

Ik houd het niet voor mogelijk, en dat de echtgenoot ook nog mee kwam...;)

Thijs de Leeuw
Thijs de Leeuw bhic zei op 13 februari 2020 om 12:05 uur

@Norah: bedankt voor je reactie, en inderdaad je pikt er meteen een belangrijk issue uit : ) Het als kind behandeld worden eigenlijk, alsof je niet helemaal handelingsbekwaam bent...

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: