skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic

Bestaansmiddelen vanaf de 19e eeuw

Voor zowel Wijk als Aalburg vormde de agrarische sector de voornaamste bron van inkomsten. Landbouw, melkvee en de paarden- en rundveefokkerijen waren de voornaamste inkomstenbronnen. De dominantie van de agrarische sector blijkt ook uit de leerlingenaantallen in de negentiende eeuw.

In de zomerperiode werden met name de jongens van school gehaald. Zij hielpen hun ouders dan waarschijnlijk bij de oogst op het land.

Het grondgebruik zegt iets over het belang van de verschillende sectoren. In 1865 spande de veeteelt met ruim 796 bunders de kroon. Met 471 en 34 bunders kwamen de land- en tuinbouw en de bosbouw op respectievelijk de tweede en derde plaats. Slechts een kleine 9 bunders waren met gebouwen bebouwd. In de jaren dertig van de twintigste eeuw meldde het verslag dat het ‘overwegende grasland zich meer en meer richting bouwland beweegt’. In de loop van de twintigste eeuw werd de handel een steeds belangrijkere bron van inkomsten.

Land- en tuinbouw

Binnen de land en tuinbouw toont het grondgebruik een duidelijk zwaartepunt bij de verbouw van tarwe en aardappelen. In 1865 bezetten deze twee gewassen met respectievelijk 101 en 91 bebouwde bunders de plaatsen een en twee. Ze werden gevolgd door haver met 42, rogge met 28, bonen met 20, koolzaad met 18 en vlas met 16 bebouwde bunders.

Veel meer dan nu stonden de landbouwopbrengsten gedurende de negentiende eeuw onder invloed van de natuurlijke omstandigheden als weersinvloeden en plantenziektes. Zo woedde de aardappelziekte in de eerste helft van de jaren vijftig nog stevig, en in 1865 heette het in het landbouwverslag dat de nachtvorst in het voorjaar ongunstig was voor de opbrengst van de rogge en het koolzaad. Waarschijnlijk ook door deze nachtvorst mislukte de fruitoogst dat jaar ‘geheel’. In 1864 heette het nog dat de boomvruchten een goede opbrengst hadden.

Voor de landbewerking was het paard was het lokale trekdier. Trekossen ontbraken op de Wijk en Aalburgse boerderij.

Veehouderij

Binnen de veehouderij was de rundveehouderij in Wijk en Aalburg het meest toonaangevend. Tegelijkertijd zien we het belang van de pluimveehouderij ook toenemen. In 1925 werden er zelfs drie ‘hoenderparken’ opgericht.

Vanzelfsprekend vormden ook in de negentiende eeuw veeziektes een ernstige bedreiging voor het vee en de veehouders. Halverwege deze eeuw was een longziekte onder het vee een serieus risico voor de Nederlandse veehouders. In Wijk en Aalburg hadden ze er halverwege de jaren vijftig van de negentiende eeuw overigens weinig last van. Het landbouwverslag meldde toen telkens dat ‘de longziekte onder het vee zich weinig heeft doen ontdekken’. In de gemeente was toentertijd overigens geen veearts gevestigd.

De jaren tachtig van de negentiende eeuw werden gekenmerkt door een diepe landbouwcrisis. Ook Wijk en Aalburg ontliep de dans niet. Zo meldde het gemeenteverslag over 1893 nog dat ‘door de slechte opbrengst der landbouwproducten de landbouwers niet in staat zijn hunne bouwlanden te laten bearbeiden’. Daarom beperkten ze zich tot ‘het noodzakelijkste’. Ondertussen bleef de toestand van de ‘behoeftige klasse ongunstig’ en was het ‘gebrek aan werk’ hiervoor de voornaamste oorzaak. De gekelderde graanprijzen hadden de boerenstand aan de rand van de afgrond gebracht.

Ambachten en nijverheid

De aanwezige ambachten en nijverheid sluiten aan bij het agrarische karakter van Wijk en Aalburg. Opvallend is wel het grote aantal mandenmakers dat er rond 1922 plotseling is. Zij werkten aanvankelijk vooral in de winter en allemaal in de werkverschaffing van de eind negentiende eeuw opgerichte ‘Mandenmakerij de Vlijt’. In 1910 werd deze oorspronkelijk particuliere organisatie omgezet in een NV. Veel manden werden uitgevoerd naar Duitsland, maar tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam de uitvoer geheel stil te liggen. In 1923 staakte ‘de Vlijt’ haar activiteiten geheel.

In de 19e eeuw was er ook een kleine scheepstimmerwerf waar enkel schepen gerepareerd werden. De scheepswerf waar in 1867 nog een aak van 43 ton van stapel liep, werd nog datzelfde jaar gesloten.

Handel

Aan de Maas gelegen had Wijk en Aalburg een goede uitgangspositie als handelsplaats. Ook de landbouwproducten konden over de Maas makkelijk afgevoerd worden.

In 1851 gingen er vanuit Wijk regelmatig beurtschippers naar Rotterdam en Gorinchem. Het schip op Rotterdam had een vermogen van 34 en dat op Gorinchem een vermogen van 28 ton. Vanaf 1852 voer er een schip van 27 ton op ’s-Hertogenbosch. Vanaf 1855 verbeterde een ‘rijzen hoofd’ in de Maas de mogelijkheden voor het laden en lossen. Sinds 1881 voer er een schroefstoomboot op Rotterdam tot vervoer van passagiers, goederen en vee. Behalve de genoemde schepen hadden er rond 1900 nog vier schepen van meer dan 10 ton in Wijk en Aalburg hun thuishaven.

De handel beperkte zich hoofdzakelijk tot uitvoer van landbouwproducten en rieten manden die bij ‘De Vlijt’ vervaardigd waren. In 1854 meldde het jaarverslag dat er in de gemeente geen jaarmarkt was en dat de toestand van de groot- en kleinhandel ‘aangezien de menigvuldige bouwlieden die men alhier heeft’ van weinig belang is.

Wijk en Aalburg was sterk op zichzelf staand. De meeste producten werden zo dichtbij mogelijk afgezet. De in Aalburg verbouwde tarwe, gerst en haver werden onder andere door de Heusdense bierbrouwers en distillateurs opgekocht om als grondstof voor hun producten te dienen. Hooi uit Wijk en Aalburg werd rechtstreeks in de Meierij afgezet.

In 1911 meldde het gemeenteverslag dat de kleinhandel hoofdzakelijk bestond uit de verzending van fruit door ‘commissionaires van verschillende handelskantoren te Rotterdam en Dordrecht’ naar Engeland en Duitsland. Slechts enkele kooplieden dreven voor eigen rekening handel in fruit, inmaakuien en aardappelen op Rotterdam. In dat jaar was er een levendige handel in boter op Rotterdam, Dordrecht Tilburg en ’s-Hertogenbosch.

Over de winkelnering had het gemeentebestuur niet te klagen in het begin van de twintigste eeuw. Maar met de Eerste Wereldoorlog kwam de omslag. Het verslag over 1914 is nog positief, maar dan wel met de opmerking dat goede tijden slechts ‘tot den dag der mobilisatie zijnde 1 augustus 1914’ duurden. ‘De als toen ingetreden abnormale tijdsomstandigheden oefenden een zeer nadeligen invloed uit op dezen handel.’

Nog tot begin jaren twintig zou de handel in een malaise verkeren. De kleinhandel kwam er als eerste weer bovenop. Met name de kleinhandel in groenten en fruit zou de gemeente geen windeieren gaan leggen. Heel de twintigste eeuw zouden Wijk en Aalburgse handelaren in de wijde omtrek van de gemeente hun groenten en fruit aan de deuren uitventen.

Personenverkeer

Sinds het Interbellum is Wijk en Aalburg voor personenvervoer ook voortaan per autobus bereikbaar. De bussen op de lijn Gorinchem – `s-Hertogenbosch deden ook Wijk en Aalburg aan. Volgens het gemeenteverslag over de periode 1931-1935 voorzag deze lijndienst ‘ongetwijfeld in een grote behoefte daar deze gemeente geheel geïsoleerd ligt’. Vooral op marktdagen werd de lijndienst intensief gebruikt.

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:

Lees ook deze verhalen

Doe mee en vertel jouw verhaal!