i

Dagboek van Jan de Quay, een inleiding

vertelde op 28 augustus 2019 om 10:11 uur

Vanaf 8 september 1944 hield Jan de Quay een dagboek bij. De eerste twee delen daarvan bestrijken de laatste maanden van oorlog en bezetting in Nederland. Ze lopen tot respectievelijk eind januari en halverwege mei 1945, kort na de bevrijding.

Jan Eduard de Quay (1901-1985) speelde een opmerkelijke rol in de Nederlandse geschiedenis van de twintigste eeuw. Hij werd geboren in ’s-Hertogenbosch in een gegoed katholiek milieu, als zoon van een beroepsofficier. Afgestudeerd als een van de eerste psychologen in Nederland, doceerde hij sinds 1928 aan de Katholieke Hogeschool in Tilburg. In 1933 werd hij er hoogleraar. Als lid van het Driemanschap gaf hij in 1940 en 1941 leiding aan de Nederlandse Unie, de grootste politieke beweging die Nederland heeft gekend. Nadat deze door de bezetter was verboden, werd hij in juni 1942 als gijzelaar vastgezet in kamp Haaren en nadien in Sint-Michielsgestel. In juli 1943 kwam hij daaruit vrij, waarna hij zich als reserveofficier moest melden voor krijgsgevangenschap in Duitsland. Hij dook echter onder en zocht contact met illegale organisaties. Na de bevrijding van het Zuiden won hij het vertrouwen van koningin Wilhelmina in Londen. Op de achtergrond was hij betrokken bij de vorming van het derde kabinet Gerbrandy. In april 1945 werd hij daarin minister van Oorlog. Van 1946 af beleefde De Quay zijn gelukkigste en meest succesvolle jaren als commissaris van de koningin in Noord-Brabant tot hij in 1959 – uit plichtsbesef, maar met tegenzin – bezweek voor de aandrang die op hem werd uitgeoefend om minister-president te worden. Tot 1963 gaf hij leiding aan het naar hem genoemde kabinet De Quay. Vervolgens zat hij van 1963 tot 1969 voor de KVP in de Eerste Kamer, met een onderbreking van ruim vier maanden waarin hij vicepremier was en minister van Verkeer en Waterstaat in het kabinet Zijlstra. In 1969 verliet hij de politiek, maar was nog geruime tijd actief als commissaris bij diverse grote bedrijven.

Jan de Quay en de Nederlandse Unie. V.l.n.r. L. Einthoven, De Quay, J. Linthorst-Homan. (Bron: Beeldbank WO2 / NIOD, coll. Verzetsmuseum Amsterdam, nr. 111166)

Vanaf 8 september 1944 hield Jan de Quay een dagboek bij. De eerste twee delen daarvan bestrijken de laatste maanden van oorlog en bezetting in Nederland. Ze lopen tot respectievelijk eind januari en halverwege mei 1945, kort na de bevrijding. Die maanden staan te boek als misschien wel de meest dramatische periode uit de Nederlandse geschiedenis. Na de aanvankelijke hoop op een snelle en moeiteloze bevrijding volgde eerst de desillusie van Dolle Dinsdag en drie weken later de mislukking van operatie Market Garden. Na die tegenslagen kreeg men in het Zuiden te maken met een maandenlange, vaak bloedige en verwoestende bevrijdingsstrijd. En boven de rivieren daagde langzaam het besef dat men er nog een hele lange winter van honger, gebrek en nietsontziende Duitse terreur voor de boeg had.

Natuurlijk beleefde het Zuiden voor een moment een intense bevrijdingsroes, maar daaruit ontwaakte het al na korte tijd. Op de ontlading volgden ontnuchtering, ontmoediging en niet zelden ook ontgoocheling. De bevrijding had in grote gebieden van Zuid-Nederland een spoor van verwoesting getrokken, had duizenden slachtoffers gemaakt en honderdduizenden van huis en haard verdreven. De Duitsers mochten dan verjaagd zijn, de oorlog was nog overal. Van herstel of wederopbouw kon alleen maar gedroomd worden, van een snelle terugkeer naar normale verhoudingen was geen sprake. Integendeel, door de omvangrijke schade, door tekorten aan voedsel, onderdak, brandstof, vervoer, bouwmaterialen en nog veel meer, door gebrek aan informatie en onduidelijke gezagsverhoudingen waren grote delen van het Zuiden volkomen ontredderd.

Jan de Quay in de achtertuin van de Hiersenhof in Beers, 1924 (foto: Mulder, bron: BHIC, coll. Jan E. de Quay en familie, 1656-1987, nr. 333-003600)In het dagboek zijn deze ontwikkelingen op de voet te volgen. Op zijn onderduikadres in het noordoosten van Brabant, dicht bij het familielandgoed De Hiersenhof bij Beers waar zijn gezin verblijft, beleeft De Quay al op de eerste dag van operatie Market Garden zijn bevrijding. Met grote betrokkenheid beschrijft hij de strijd en de gevolgen ervan, niet in de laatste plaats voor het nabije Nijmegen, waar familie en kennissen wonen. Al spoedig zoekt hij contact met de autoriteiten. Gezien zijn achtergrond ziet hij voor zichzelf een publieke rol in het verschiet liggen. Had generaal Winkelman hem immers niet al in mei 1940 benoemd tot Regeringscommissaris van de Arbeid? Had hij niet twee maanden later alom bekendheid gekregen door zijn rol bij de Nederlandse Unie en bij velen, zeker in Brabant en Limburg, ook waardering daarvoor? En inderdaad, eind oktober al wordt De Quay door het Militair Gezag aangezocht als voorzitter van het College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Nijverheid en Handel, dat in bevrijd gebied de hevig geknakte bedrijvigheid weer op gang moet zien te brengen. Het plaatst hem in een centrale positie bij de pogingen van het gezag om orde te scheppen in de chaos en de problemen van het bevrijde Zuiden en te voorzien in de nood van de bevolking.

Jan de Quay als onderduiker bij de familie Van den Broek in Sint-Hubert. V.l.n.r. Martien van den Broek, De Quay, vader Van den Broek, Cor van den Broek. (Bron: BHIC, coll. Jan E. de Quay en familie, 1656-1987, nr. BHC001002542)Naast de lijn van de moeizame levensomstandigheden in het bevrijde Zuiden loopt er nog een andere rode draad door de eerste delen van het dagboek, en wel die van de ‘vernieuwing’. Terwijl de massa van de bevolking noodgedwongen prioriteit moet geven aan de vaak overweldigende grote en kleine zorgen van alledag, kijkt een klein groepje maatschappelijk betrokken personen van uiteenlopende achtergrond al weer verder dan de dag van morgen. Zij hebben een ideaal. Ze willen afrekenen met de ‘hokjesgeest’, de traditionele opdeling van de vooroorlogse Nederlandse samenleving in levensbeschouwelijke zuilen. En ook met ‘de Antithese’, de tegenstelling tussen christelijke en wereldse partijen die de Nederlandse politiek vanouds heeft beheerst. De daaruit voortvloeiende verdeeldheid heeft, zo menen zij, geleid tot verstarring en verzwakking van de democratie en het maatschappelijk leven in Nederland. Daarom moet de verzuiling doorbroken worden, met gebruikmaking van de saamhorigheid die in de bezettingsjaren onder de bevolking gegroeid is. De radicale breuk die oorlog en bezetting hebben veroorzaakt, biedt immers een uitgelezen kans voor een nieuw begin, voor een ingrijpende vernieuwing van de politieke, maatschappelijke en geestelijke verhoudingen in Nederland. Zo kan uit de gruwel van de oorlog alsnog een betere wereld ontstaan.

Jan de Quay is een hartstochtelijk aanhanger van deze ideeën en idealen. Al voor de oorlog houdt hij, alhoewel trouw katholiek, zijn blik tot over de grenzen van de katholieke zuil gericht. Hij wordt dan ook, ondanks zijn politieke belangstelling en maatschappelijke betrokkenheid, geen lid van de RKSP. Zijn opvattingen en zijn optreden bezorgen hem een reputatie als aanvoerder van de katholieke jongeren die het isolement van hun geloofsgenoten willen doorbreken. Als de bezetting een politiek vacuüm creëert, grijpt hij met geestverwanten de kans om een nationale eenheidsbeweging te starten, de Nederlandse Unie, als een reactie op de vooroorlogse verdeeldheid en verzuiling. En al wordt een deel van de massaal toestromende aanhang vooral bewogen door weerzin tegen NSB en bezetter, De Quay ziet in het succes van de Nederlandse Unie een bevestiging dat Nederland er behoefte aan heeft om eensgezind een nieuwe richting in te slaan.

J.E. de Quay en de schilder Karel van Veen met het portret van De Quay in het gijzelaarskamp te Haaren of Sint Michielsgestel, 1942 (coll. BHIC, 1219-007257)Zijn verblijf in het gijzelaarskamp geeft nog meer voedsel aan die veronderstelling. Leidende figuren en intellectuelen van verschillende achtergrond – die voor de oorlog in goeddeels gescheiden werelden leefden – komen daar gedwongen door de omstandigheden met elkaar in contact. Ze gaan in Beekvliet in Sint-Michielsgestel met elkaar in gesprek over de inrichting van het naoorlogse Nederland. Daaruit groeien een gevoel van saamhorigheid en een drang tot vernieuwing, later bekend geworden als ‘de geest van Gestel’. Het zal niet verbazen dat ook De Quay daarvan vervuld raakt. Hij is een van de ‘Heeren Zeventien’, een gespreksgroep onder leiding van de vrijzinnig-liberaal Wim Schermerhorn en de hervormde predikant en sociaal-democraat Willem Banning, die de saamhorigheid vertaalt in het concrete voornemen om na de oorlog een nieuwe eenheidsbeweging te starten, de Nederlandse Volksbeweging, gebaseerd op een combinatie van christelijke en humanistische uitgangspunten en idealen. Die beweging moet op zijn beurt de basis leggen voor een progressieve volkspartij, die openstaat voor mensen van verschillende levensovertuiging, sociaal-democraten, protestanten, vrijzinnigen en katholieken, waarmee de doorbraak van het vooroorlogse partijstelsel daadwerkelijk gestalte kan krijgen.

Affiche van de Nederlandse Volksbeweging (bron: Beeldbank WO2 / NIOD, coll. NIOD, nr. 104547)Maar waar niemand rekening mee heeft gehouden is het bizarre verloop van de bevrijding van Nederland, waardoor de grote rivieren onverwacht verworden tot een formidabele grens die vrijwel zes maanden achtereen twee volkomen verschillende werelden van elkaar gescheiden houdt. Het brengt de vernieuwers in het Zuiden onder leiding van De Quay in een buitengewoon lastig parket. Wat te doen? Nu al met de Volksbeweging starten, met het risico dat deze het stempel krijgt van een Zuidelijk, en dus katholiek initiatief, wat het in de rest van Nederland al bij voorbaat verdacht maakt? Of wachten tot heel Nederland bevrijd is, met weer een ander risico, dat de oude, vooroorlogse organisaties de tijd krijgen om weer tot leven te komen? De dagboekaantekeningen werpen een scherp, bijna onbarmhartig licht op het dilemma van De Quay, zijn worsteling en tegelijk zijn gedrevenheid om ook in deze onvoorziene omstandigheden zijn idealen te verwezenlijken. Maar tussen de regels door blijkt ook de verantwoordelijkheid die hij voelt om waar mogelijk een richtingenstrijd te voorkomen binnen de katholieke gemeenschap waarmee hij zich verbonden weet. Daarmee biedt het dagboek een bijzonder inzicht in een tijd die inmiddels al twee, drie generaties achter ons ligt. Een tijd waarin mensen zich, gedreven door idealen, van harte inzetten voor een betere samenleving. Maar ook een tijd waarin religieuze bewogenheid en kerkelijke betrokkenheid nog een wezenlijke betekenis hadden, als basis en richtsnoer voor een persoonlijk leven, maar niet minder ook voor iemands publieke functioneren.

Het is nooit de bedoeling geweest van Jan de Quay dat de tekst van dit dagboek openbaar zou worden. Juist daarom is er alle reden om erkentelijk te zijn voor het besluit van zijn nazaten om alsnog in te stemmen met de onverkorte publicatie ervan. Want ook na vijfenzeventig jaar is het nog fascinerende lectuur. Via deze dagboeknotities krijgen we toegang tot de leefwereld van een betrokken en gedreven Brabantse, katholieke bestuurder, halverwege de twintigste eeuw. De leefwereld van iemand die persoonlijke ambitie combineerde met idealen en plichtsbesef. Iemand wiens inzet en keuzes hem, afhankelijk van standpunt en tijdgeest, soms populariteit bezorgden, en soms ook venijnige kritiek.

In het dagboek komt het allemaal voorbij. Daarmee werkt het in zekere zin als een spiegel, waarin ons bestaan, onze ervaringen en onze waarden plotseling in een verrassend perspectief worden geplaatst en daardoor verhelderd worden.

Vijfenzeventig jaar na dato zijn de omstandigheden en de situaties waar De Quay mee te maken heeft niet meer algemeen bekend en vanzelfsprekend. Daarom worden de dagboekaantekeningen op deze site per week voorzien van historische achtergrondinformatie: wat is er gaande, waar heeft De Quay het over?

Foto's

Jan de Quay en de Nederlandse Unie. V.l.n.r. L. Einthoven, De Quay, J. Linthorst-Homan. (Bron: Beeldbank WO2 / NIOD, coll. Verzetsmuseum Amsterdam, nr. 111166)

Jan de Quay in de achtertuin van de Hiersenhof in Beers, 1924 (foto: bron: BHIC, coll. Jan E. de Quay en familie, 1656-1987 nr. 333-003600)

Jan de Quay als onderduiker bij de familie Van den Broek in Sint-Hubert. V.l.n.r. Martien van den Broek, De Quay, vader Van den Broek, Cor van den Broek. (Bron: BHIC, coll. Jan E. de Quay en familie, 1656-1987, nr. BHC001002542)

Jan de Quay en de schilder Karel van Veen met het portret van De Quay in het gijzelaarskamp te Haaren of Sint Michielsgestel, 1942 (bron: coll. BHIC, nr. 1219-007257)

Affiche van de Nederlandse Volksbeweging (bron: Beeldbank WO2 / NIOD, coll. NIOD, nr. 104547)

Naar de Homepage

Klik hier om het handschrift te lezen of te bekijken

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: