skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic

De Commissaris van de Koningin over Made en Drimmelen

Tussen 1894 en 1928 was Mr. A.E.J. baron Van Voorst tot Voorst Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant. Een van zijn taken was het regelmatig bezoeken van alle gemeenten in de provincie. Van die werkbezoeken hield hij nauwkeurig verslag bij. Dit had hij in al die jaren over Made en Drimmelen te melden:

Nieuwsgierig naar zijn handgeschreven tekst? Lees die dan hier.

Made en Drimmelen

Den 30n Mei 1896 bezocht ik de gemeente Made. Van Zwaluwe komende, was ik te omstreeks 4 uur aan het gemeentehuis (een groot gebouw) waar ik B. en W. vond. De harmonie was voor het Raadhuis opgesteld, en had veel volk op de been gebracht. De burgemeester schijnt weinig invloed te hebben, hetgeen wel jammer is, daar hij het goede wil. Alle voorstellen, welke geld kosten, worden regelmatig door den Raad verworpen. Hij heeft een secretaris, die te veel schijnt te drinken; een type van een oberkelner. Op de audiëntie verscheen slechts de Roomsche geestelijkheid.

Na de audiëntie bleef ik met B. en W. wat praten; ik maakte enkele opmerkingen, die soms bij de wethouders in goede aarde schenen te vallen; daarna nam ik de secretarie in oogenschouw, en constateerde daar, dat o.a. de provinciale bladen vanaf 1888 niet ingebonden waren! Ik nam afscheid van B. en W. en reed over Wagenberg en Terheijden naar Breda. Mevrouw de Girard de Mielet van Coehoorn had mij ten eten gevraagd; voor hare beleefde uitnoodiging had ik bedankt.

De administratie van den ontvanger liet zeer veel te wenschen over; hij scheen niet alleen vreemd aan de werkzaamheden van zijn ambt, maar aan zijn ambt zelf. Wat de administratie van den secretaris betreft, deze maakte eenen hoogst ongunstigen indruk; niet alle feiten en gebreken konden tijdens mijn betrekkelijk vluchtig bezoek ontdekt en geconstateerd worden; maar wat ontdekt en geconstateerd werd, toonde voldoende aan, dat de administratie op verregaande wijze verwaarloosd werd.

Den 16 October 1901 kwam ik weer in de gemeente Made; aan het station liet ik mij halen door een rijtuig van Krommers uit Raamsdonkveer, een goede landauer met goede paarden. Op het raadhuis vond ik B. en W.; de wethouders Van der Made en Jansens had ik ook in 1896 te Made aangetroffen. Ik informeerde naar den tegenwoordige secretaris, Van Sleeuwen, en naar Kerssemakers, den tegenwoordige burgemeester van Raalte; tot mijne niet geringe verbazing vernam ik, dat Kerssemakers te Made zooveel schuld had nagelaten, welke pas in den allerlaatsten tijd vereffend was; dat hij blijkbaar geen eigen middelen had gehad, en met zijn tractement als secretaris – f. 750 – blijkbaar niet had toe gekund. Toen ik den burgemeester er mijne verbazing over te kennen gaf, dat hij mij zulks niet had bericht, toen ik hem om advies had gevraagd, (bij de burgemeestersvacature te Someren) antwoordde deze, dat als ik tusschen de regels van zijn bericht had gelezen, ik het wel had kunnen veronderstellen!!! Ik voegde hem toe, dat ik aan dergelijke berichten niet veel had.

Ik maakte eene bemerking op de wijze, waarop het gemeenteverslag was saamgesteld; daaraan was blijkbaar niet veel moeite besteed. Toen ik vernam dat in Drimmelen nog al eens typhus heerschte tengevolge van het slecht drinkwater, en dat er met betrekkelijk weinig kosten goed drinkwater uit den Amer zou zijn te verkrijgen, spoorde ik B. en W. aan, om toch niet al te zuinig te zijn, waar zulke groote belangen op het spel stonden!

Een van de veldwachters is 69 jr oud en praesteert niet veel meer; ik gaf in bedenking, om zijn eventuelen opvolger tegen een bepaalden leeftijd een pensioen te verzekeren bij eene Maatschappij; de gemeente en de titularis zouden beiden daarmede gebaat zijn. Voor mijne audientie had zich niemand aangemeld.

Op de secretarie controleerde ik, of aan mijn bezwaren en bedenkingen van voor 5 jaren was tegemoet gekomen; dat was gelukkig het geval. Ik liet mijn rijtuig voorkomen, en reed met B. en W. naar Drimmelen, om te zien, welke werken daar moeten worden uitgevoerd, om te Made aan de schippers eene veilige ligplaats voor hunne schepen te verzekeren. De burgemeester meende, dat de haven te klein zou worden; hij vertelde nog, dat het zoo jammer was, dat de sluis van den Emiliapolder om militaire redenen niet verwijd mocht worden; er ligt daar nl. een breede vaart tot Oud-Drimmelen; die ware zoo prachtig in te richten geweest tot een ruime binnenhaven. Nu echter konden de schepen niet door de sluis.

Aymery  Raijmond Philippe Victor Baron Girard de Mielet van Coehoorn is burgermeester van Made en Drimmelen, 1898 (90526, RAT)

De burgemeester heeft blijkbaar niet heel veel invloed op het bestuur en den gang van zaken in de gemeente, hij wil wel het goede, maar is niet in staat de leden van den raad te overtuigen, wanneer er geld moet worden uitgegeven. Hij had echter gedaan gekregen, dat de raad de uitgaven voor de haven voteerde; ook, dat de grintweg van Drimmelen tot de halte Made gaandeweg veranderd wordt in een keiweg; dit jaar waren in den Haag voor dat doel weer voor f. 1.500 oude keien aangekocht, welke keien nu langs den weg lagen opgestapeld.

In Made is de pastoor bezig het liefdehuis uit te breiden; het wordt bepaald eene kolossale stichting, voor ouden van dagen, weeskinderen, meisjesschool, bewaarschool en pensionaat voor meisjes. Ik reed van Made naar Geertruidenberg, al waar ik ontbeet bij Santbergen.

Den 27 April 1905 kwam ik weer in Made; vanuit Roosendaal ging ik per spoor naar Zevenbergen. Na die gemeente bezocht te hebben reed ik eerst naar Zwaluwe, en daarna naar Made. Vandaar ging ik per spoor naar Waalwijk, alwaar ik overnachtte. De burgemeester klaagde zeer, dat de twee veldwachters te veel dronken en veel te veel in de herbergen kwamen. Toen de twee wethouders zich bij die klachten aansloten, heb ik de veldwachters binnen laten komen, en hen er op gewezen, dat ze het verbod van den burgemeester, om de herbergen te bezoeken moesten gehoorzamen. Als de burgemeester zich met ernstige klachten tot mij wendde, zou ik gedwongen zijn hen te ontslaan; ze konden best goede menschen zijn, en toch niet geschikt zijn voor veldwachter te Made.

Men doet erg zijn best om een notaris te Made te krijgen; nu de omliggende plaatsen, waar een notaris gevestigd is, aan deze slechts een karig bestaan opleveren, kon ik hen geen uitzicht geven op de vervulling hunner wenschen. De burgemeester klaagde bitter over den gemeente-secretaris Van Sleeuwen; welke grieven hij tegen hem had, vertelde hij echter niet; hij hoopte echter, dat Van Sleeuwen, die nog jong is, zich zou beteren. Van Verdijk hoorde ik later, dat Van Sleeuwen de secretarie bepaald buitengewoon goed in orde had, beter als waar ook; het schijnt dat de burgemeester niet gemakkelijk te voldoen is.

De nieuwe haven te Drimmelen kan ± 90 scheepjes boven de 25 ton bevatten; de heele vloot uit Made kan er op zijn best in, terwijl de schepen voortdurend breeder worden en grooter. Op den duur zal de haven te klein blijken. Men hoopt, dat de Staat later de haven zal overnemen. Het plan voor de haven werd ontworpen door den ingenieur Van Wamel; er moeten kapitale fouten aan kleven, vooral aan den dam, tengevolge waarvan schepen en booten heel dikwijls niet kunnen binnenvallen. De haven was begroot op f. 15.000, waarvan Rijk en Provincie ieder 1/3 betaalden; de haven kostte echter f. 25.000, zoodat gemeente f. 15.000 te betalen had. Mevrouw van Coehoorn had de vriendelijke attentie mij een kop thee met een koekje te laten brengen.

Stationsweg Drimmelen, 1906 (91805, RAT)

Den 5 Mei 1908 kwam ik weer in Made. Ik verleende audientie aan eene deputatie uit de vereeniging “gemeentebelang” die steun kwam vragen voor haar request aan den Raad om een intercommunaal telefoonkantoor. Ik bracht hun verzoek aan B. en W. over, maar ondervond daar nogal tegenstand. Hoewel de burgemeester toegaf, dat het zoo goed als niets zou kosten, wilde hij er toch niet aan, omdat hij het niet noodig vond. Hij vond het al heel mooi, dat men naar Geertruidenberg kon telefoneeren en van daaruit kon laten telegrafeeren; de zaken van de requestranten waren er niet naar, dat zij een intercommunaal telefoonkantoor noodig hadden! Blijkbaar zijn Blijlevens c.s. nog al eens in de oppositie. Uit antipathie tegen die menschen wil hij hen – zoo komt het mij althans voor – niet helpen. De wethouders gaan natuurlijk gaarne met den burgemeester mede.

In Oosterhout had de voorzitter der Gezondheidscommissie mij geklaagd over de weinige medewerking welke de Commissie ondervond van het Gemeentebestuur van Made bij de voorziening in de behoefte aan drinkwater op de openbare school te Drimmelen. Omdat er op de school geen drinkwater was, had de Commissie voorziening gevraagd; na lang tegenstribbelen had het gemeentebestuur eindelijk toegegeven, en had een regenwaterpomp met tapkraan laten bouwen in de woning van het hoofd der school! B. en W. moesten erkennen, dat het werkelijk zoo was!

De veldwachters hebben zich sinds 1905 niet gebeterd; zij drinken nog veel te veel; den burgemeester er hard over gevallen, dat hij daaraan geen einde heeft weten te maken, en de menschen anders voor ontslag heeft voorgedragen. Hij had nota bene wel in Januari 1908 aan den kantonrechter gerapporteerd, dat de veldwachters te veel drank gebruikten en ongeschikt waren! De burgemeester verschuilt zich achter den Raad, achter de wethouders; hij maakt een hoogst onaangenamen indruk. Ik heb hem ten slotte eene reprimande gegeven en hem gezegd, dat hij er voor aansprakelijk was, dat zijne politie niet deugde. Bij missive dd 16 Mei 1908 A nr 1ste Afd. 1ste Bureau den burgemeester deswege nogmaals de les gelezen. Bij schrijven dd 19 Januari 1912 Ag nr 8 Kabinet aan den burgemeester eene ernstige waarschuwing gegeven, naar aanleiding van diens schrijven van 3 Januari 1912 nr 172, over het gedrag van zijne veldwachters.

Den 30 April 1912 kwam ik weer in de gemeente; tevoren was ik in Zwaluwe geweest. Ik maakte den tocht van uit Den Bosch. Voor de audientie had zich niemand aangemeld. Burgemeester Van Coehoorn is hard ziek geweest; hij ziet er nog ellendig uit, is blijkbaar niet geheel hersteld; zijn borst schijnt niet in orde; hij is uitermate zenuwachtig. Over het politietoezicht en de veldwachters heb ik niet gesproken; ik zou dan den burgemeester in tegenwoordigheid der wethouders moeten hard vallen; dat wilde ik liever niet doen.

Van den tram Breda-Terheyden-Wagenberg-Made-Geertruidenberg komt waarschijnlijk niets; van Marle vraagt thans het dubbele, van wat provincie en gemeenten toezegden; het is niet aan te nemen, dat die bedragen beschikbaar komen. En wanneer zulks wél het geval mocht zijn, dan blijft f. 300.000 aandeelenkapitaal te plaatsen, en dat bedrag is zeker niet te vinden; de naast belanghebbenden, de kapitalisten in de gemeente, zullen geen enkel aandeel nemen, omdat alle vertrouwen in de finantieele resultaten van de onderneming ontbreekt; er zal zeker geen dividend verdiend worden.

De vluchthaven te Drimmelen is veel te klein; voldoet niet aan de behoefte; alle schepen uit de gemeente kunnen er niet in. De armen wonen over het algemeen nog al goed; meestal op hun eigen. Het schijnt nog al gemakkelijk te zijn, om op redelijke voorwaarden aan geld te komen om te bouwen; slechts weinigen slagen er in, later de schuld geheel af te lossen. Als het gezin zich uitbreidt, komen er meer zorgen, ook finantieele. Zonder dat er bepaalde partijen zijn, spant het toch erg bij raadsverkiezingen; dan wordt er veel met drank gewerkt.

Het drank gebruik en misbruik in gemeente is nog heel erg. De helft van de bevolking bestaat uit polderwerkers; die komen met Kermis (einde September) met een vollen geldbuidel tehuis, en weten dan van brooddronkenheid niet, wat ze doen zullen, dan wordt er veel geld verbrast. Burgemeester heeft quaestie met de wethouders; hij wil met de Kermis een bioscope hebben, om de menschen een gepast en fatsoenlijk vermaak te geven. Wethouders willen dat niet, omdat bioscope veel geld trekt, dat uit de gemeente wordt mede genomen; zij achten zich jegens de inwoners verplicht geldwinnende zaken als de bioscope enz. te weren; dan blijft het geld in de gemeente en wordt in de herbergen verteerd! Vooral wethouder Janssens verdedigde die meening sterk.

De haven van Drimmelen, 1931 (64886, RAT)

Den 4 Augustus 1917 kwam ik weer in Made; dienzelfden dag bezocht ik nog Zwaluwe en Geertruidenberg. Ik word ontvangen door den burgemeester, wethouder Van der Veeken en den plaatsvervangenden wethouder van der Reyt. Wethouder Janssens is ziek. Burgemeester maakt ook thans weer den indruk zeer prikkelbaar te zijn. Het verwondert mij niet, dat er zoo weinig van hem uitgaat, dat hij van den Raad zoo weinig kan gedaan krijgen. De manier waarop hij met zijn wethouders omgaat, hen toespreekt, en aan mij zijn nood klaagt over den Raad – dus ook over zijn wethouders – is niet de manier om vertrouwen te wekken, om medewerking te verkrijgen. Met recht kwamen de wethouders tegen hem in verzet.

Ook in Made is woningnood; in den laatsten tijd werd er weinig gebouwd; het is te duur. Een woning met een lapje grond komt thans op ± f. 1500. Bij raadsverkiezingen spant het nog erg; meestal gaat de strijd: boeren tegen burgers, v.v.; hoewel tijdens de stemming de herbergen gesloten zijn, wordt er veel met drank gewerkt. De politie is thans goed; de ontslagen veldwachter Lambrechts bleef in Made wonen. Er zijn thans twee doctoren in de gemeente; zij nemen ook de verloskundige praktijk waar; eene vroedvrouw is er niet.

Het gaat den menschen thans goed in Made; armoede wordt er niet geleden; jammer, dat er zooveel gebruik – zooveel misbruik van sterken drank gemaakt wordt. Van gelegenheid om zich te ontwikkelen, wordt weinig of geen gebruik gemaakt; herhalingsonderwijs wordt gegeven aan slechts enkele leerlingen; de Hanze cursus genoot weinig belangstelling; slechts enkelen profiteerden; en een landbouwcursus werd wel gegeven, maar slechts drie leerlingen volgden den cursus ten einde toe. De levensmiddelen distributie zal jaarlijks ± f. 10.000 aan de gemeente kosten.

Den 2den Mei 1921 kwam ik weer in Made, Zwaluwe en Geertruidenberg. Het gaat hier vrij goed; er is niet veel strijd. In den Raad zitten 2 burgers, 3 boeren, 3 arbeiders, 1 wilde, en voor Drimmelen 2 protestanten, een vrijzinnig democraat en een antirevolutionair. Ook hier woningnood; er is eene vereeniging, die 15 arbeiderswoningen zal bouwen; bovendien werd voor den bouw van 17 woningen een Rijkssubsidie van f. 2.000,- aangevraagd. Over het algemeen gaat het den menschen goed en is er geen armoede. Toch zijn er 40 werkloozen, die tijdelijk uit de werkloozen kas gesteund worden.

Veel drankmisbruik; dat wordt geweten aan de te groote verdiensten van de werknemers. Van gelegenheden tot ontwikkeling: herhalingsonderwijs, hanze cursus, landbouwonderwijs wordt ruim geprofiteerd. De politie is tegenwoordig goed. Nog 2 doctoren; dokter Kleyn is gehuwd met een zuster van den burgemeester. Het electriciteitsbedrijf zal zich in 1921 dekken. Veel liefhebberij voor de burgerwacht: 80 leden.

Het Raadhuis is voor een gedeelte (nl. de secretarie) verbouwd en gerestaureerd; het andere gedeelte, de raadszaal komt gelukkig ook aan de beurt; het is meer dan noodzakelijk. G.S. hadden een ontwerp klaargemaakt voor eene vereeniging van Waspik, Raamsdonk, Geertruidenberg en Made tot ééne gemeente. Daartegen wordt sterk geopponeerd; er zal wel niets van komen. Daarentegen zou Made gaarne zien, dat de gehuchten Stuivezand en Hoogerheiden (thans Oosterhout) bij Made gevoegd werden. Ook daarvan zal wel niets komen: Made behoort kerkelijk onder Den Bosch, Oosterhout onder Breda; de Bisschop van Breda verzet zich tegen den afstand van gedeelten van de parochie Den Hout aan Made, dus aan het Bisdom den Bosch!

Den 18 Juni 1925 kwam ik – na Geertruidenberg te hebben bezocht – weer in Made. Aangezien er zich niemand voor de audientie had aangemeld, was ik 2½ uur aangewezen op B. en W. De burgemeester ergerde mij herhaaldelijk door zijne onjuiste, oppervlakkige, apodictische beweringen. Tot 4 maal toe heb ik hem gezegd, dat beweringen als hij deed, wel in een herberg aan een biertafel geuit werden, maar dat die toch niet voor ernstig konden worden opgenomen. Hij weet alles, en hij weet het alleen!

Er was indertijd wel woningnood; om de kosten deed de gemeente niets. Met Rijkspremie werden later een 25 woningen gebouwd. Thans voorziet het particulier initiatief voldoende in de behoefte. Voor de Philipsfabrieken werden verscheiden groote gezinnen naar Eindhoven overgebracht. Zij werden tevoren in Made gekeurd, en alleen aangenomen wanneer het er bij hen in huis erg zindelijk uit zag.

Bij de laatste Raadsverkiezing kwamen er twee nieuwe Raadsleden. De raad bestaat uit 7 burgers, 2 boeren en 2 arbeiders. Voor Drimmelen zitten 2 protestanten: 1 antirevolutionair en 1 vrijzinnig democraat. De 100 schippers en vele arbeiders stemmen op de burgers. Een boer betaalt niet graag; daarom hebben de schippers gewoonlijk weinig met hem op.

De bouwterreinbelasting brengt een kleine driehonderd gulden op. De belasting werd ingevoerd, om enkele menschen, die groote terreinen hebben en die niet willen verkoopen – terwijl er aan die bouwterreinen groote behoefte bestaat – er toe te brengen om die terreinen niet altijd te willen vast houden. De groote oppositie gaat vooral uit van Hoosemans en van Gastel.

Het electriciteitsbedrijf gaat goed: f. 3.000 winst; licht 30 cnt; kracht een afloopend tarief met als maximum 20 cnt. Drimmelen is pas aangesloten; daar heeft men f. 1.500 moeten garandeeren. Op drinkwaterleiding reeds 150 aansluitingen; 2 standpijpen in Made en 2 in Drimmelen; in verband daarmede het brandwezen gereorganiseerd. Bij een groote rietbrand in Drimmelen kon men – dank de waterleiding – groote onheilen voorkomen; heel Drimmelen had wel kunnen afbranden! Het brandweermateriaal, dat men aanschaft is van andere afmetingen dan dat in de nabuurgemeenten zoodat men elkaar niet kan helpen: verkeerd inzicht van den burgemeester, die zijn eigen weg verkoos te gaan!

Twee doktoren: dr. Klein, zwager van den burgemeester, is al 25 jr gemeentedokter. 90% van de arbeiders moet buiten de gemeente zijn brood gaan verdienen. In den winter 1924/25 geen werkeloosheid. De industrie in de gemeente is van weinig belang en vraagt bijna geen werkkrachten. Finantieel staat gemeente er nog al goed voor; 2½% gemeentelijke inkomsten belasting, niet progressief! Made blijft langzaam vooruit gaan. De beide wethouders Van der Veeken en Van der Reyt maakten een goeden indruk: kalme, beredeneerde, verstandige menschen!

Dorpsstraat Drimmelen bij de klok, 1928

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:
Doe mee en vertel jouw verhaal!