i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Oudenbosch
Tags:

en maakt ook deel uit van:

Atlas: Brabant door de ogen van de Commissaris van de Koningin

De Commissaris van de Koningin over Oudenbosch

vertelde op 1 april 2009 om 15:23 uur

Tussen 1894 en 1928 was Mr. A.E.J. baron Van Voorst tot Voorst Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant. Een van zijn taken was het regelmatig bezoeken van alle gemeenten in de provincie. Van die werkbezoeken hield hij nauwkeurig verslag bij. Dit had hij in al die jaren over Oudenbosch te melden:

Nieuwsgierig naar zijn handgeschreven tekst? Lees die dan hier.

Oudenbosch

Den 18den. Mei 1896 bezocht ik de gemeente Oudenbosch; ik was per spoor gegaan tot Seppe, en vond daar een rijtuig, waarmede ik naar Oudenbosch reed. Ik kwam te Oudenbosch te omstreeks 9.15 aan en vond voor het raadhuis eene groote menigte, die mij opwachtte; de harmonie was daar ook opgesteld, en speelde continueel tot mijn vertrek (12 uur) en deed mij nog tot buiten het dorp uitgeleide.

De burgemeester ontving mij met zijne wethouders in de versierde raadszaal; eene verhoogde zetel, waarop men mij wilde doen plaats nemen, liet ik wegruimen. De verstandhouding tusschen den burgemeester en diens wethouders (van wie de een boomkweeker is, terwijl de andere eene suikerfabriek heeft) schijnt uitstekend; die tusschen B. en W. en den gemeenteraad minder goed.

Oudenbosch is het type van een plaats, waar het Katholiek leven sterk ontwikkeld is; wat de pastoor wil, moet geschieden. De burgemeester loopt niet aan den leiband van den pastoor, en heeft overwegenden invloed in het College van B. en W.; in den raad worden zij echter overstemd.

Op mijne audiëntie verschenen vele geestelijken. De pastoor, Jesuiten uit het klooster, Broeders uit het Gesticht St. Louis, eenige rectors enz.; allen kwamen te gelijk, en lieten door den pastoor het woord doen. Daarna kwam het nieuw gekozen lid der “Provinciale Staten”, de Heer Berends (opvolgers van A.A. Raaijmaakers), eene commissie uit het College van Regenten van het Elisabethsgesticht, en ten slotte een paar menschen, die hunne belangen kwamen voordragen.

Na de audiëntie ging ik eene wandeling maken door het dorp; ik bezocht de kerk (in handen van Bernardijnen) voor ± 15 jaar gebouwd. Deze kerk is eene nabootsing van de St. Pieter te Rome, op 1/3 der ware grootte; de voorzijde is echter die van St. Jan van Lateranen; het geheel maakt eene grootsche indruk, maar is eene ware belasting op de gemeente, daar zeker nog twee geslachten zullen moeten contribueeren, vóór dat de kerk klaar is; het kruis op de spits staat 82 Meter boven den grond.

Vervolgens bezocht ik op verzoek van den burgemeester het gesticht St. Louis; daar waren de jongens in een groote zaal vereenigd, en moest ik een speech aanhooren van een jongen, Westerman uit Leeuwarden. Er werd vervolgens wat gezongen, terwijl ik bij mijn vertrek een halven dag vacantie vroeg voor de jongelui. De burgemeester had een dejeuner aangericht op het raadhuis, waaraan B. en W. de secretaris, de ontvanger en Klasens mede aanzaten. Na de gebruikelijke toasten stond ik om 12 uur op, teneinde mij te begeven naar Standdaarbuiten.

De administratie ter secretarie was in zeer goede orde; ook die van den ontvanger. Over belegging van f.7.000,- bij den kassier maakte ik eene opmerking. Ik ontbeet eens vrij goed te Oudenbosch in de herberg van Kouwenberg.

Oudenbosch, Molenstraat, 1900 (WBA, RAW014011649)De Molenstraat rond 1900 (collectie: West-Brabants Archief)

Den 15 October 1901 kwam ik weder in de gemeente; ik had mij weer per rijtuig aan het station Seppe laten halen. Thans was er gelukkig geen drukte gemaakt van mijne ontvangst; niets dan een enkele vlag. Op het raadhuis vond ik burgemeester Berends, met zijne twee wethouders, Dirken en Settels.

Ik hield hen in de eerste plaats voor, dat zij de scheepvaartgelden van de haven niet in de gemeentekas moesten doen vloeien, en dat zij de opbrengst uitsluitend in het belang van de havens moesten gebruiken. Vervolgens raadde ik hen aan – gelijk aan zoovele andere gemeentebesturen – dat ze moesten komen tot de gemeenschappelijke aanstelling van een deskundige voor de gasfabriek, een soort van inspecteur, van technisch adviseur, voor B. en W. en voor den raad. Mijne woorden schenen in goede aarde ta vallen.

Omtrent het Collegium Berchmanianum, in het gemeenteverslag genoemd, vernam ik, dat daar Jesuiten zijn - eene onderafdeeling van Maastricht - ; Deze vestigden zich daar, toen in 1879 het klein seminarie (dat ook destijds daar gevestigd was geweest) vandaar werd overgebracht naar de Groote IJpelaar te Ginneken.

Omtrent het ontstaan van “St. Louis” werd mij medegedeeld, dat die inrichting met bijv. de gelijknamige te Brussel niets te maken had; dat de pastoor van Oudenbosch, Hellemonds genaamd, omstreeks 1840 het gesticht begon in een klein nederig huisje; er kwamen een pr broeders, o.a. frater Vincentius; deze gaven aanvankelijk alleen onderwijs in den catechismus; later begonnen ze een dagschool; nog later een kostschool, waar thans 350 tot 400 jongens zijn. Aanvankelijk had men met groote geldelijke bezwaren te kampen; later kwam men die te boven vooral met behulp van den Heer Van den Dries, destijds burgemeester van Oudenbosch en tevens lid v.d. Eerste Kamer.

Het klein seminarie zag de ontwikkeling van St. Louis met leede oogen aan; er ontstonden moeielijkheden met den Bisschop, vooral over de regelen, waarnaar de Broeders van St. Louis in hunne congregatie moesten leven. Ten slotte keurde de bisschop die regelen goed. Een professor van het Klein Seminarie – Mgr. De Kraes – werd rector van St. Louis, en van toen af was alles in orde.

Op mijne audientie verscheen v. Engelen, de opzichter v.d. provincialen waterstaat, van wien ik vernam, dat hij solliciteerde om gemeente-architect te Breda te worden op eene wedde van f. 2.500 + vrij wonen; Pastoor Rovers met twee broeders van St. Louis, die mij eenvoudig kwamen complimenteeren; het bestuur van het St. Elisabethgesticht, dat ook uitsluitend om die reden kwam; en een pr menschen – onder wie de armlastige Aerts – die hunne belangen kwamen voordragen.

Oudenbosch, Het station met een arriverende trein, 1905 (WBA, RAW014012166)Het station met een arriverende trein, 1905 (collectie: West-Brabants Archief)

Den 26 April 1905 kwam ik weer in Oudenbosch; vanuit Roosendaal ging ik per trein naar Zevenbergen, alwaar ik mijn rijtuig vond. Achtereenvolgens bezocht ik Klundert, Standdaarbuiten en Oudenbosch, vanwaar ik per trein naar Roosendaal terugkeerde. Ik verleende audientie aan den Pastoor met zijne twee kapelaans, aan den Conrector van St. Louis met twee broeders. De Heeren hadden niet veel bijzonders te vertellen, behalve dat de fondsen voor het onderhoud van de kerk thans wel voldoende waren, om de kerk werkelijk te onderhouden, eene bewering, die later door B. en W. in twijfel werd getrokken, vooral met het oog op de noodzakelijke vernieuwing van den koepel der kerk.

Pastoor Helmonds stichtte in 1840 St. Louis; in 1866 begon hij met den bouw der kerk, welke bouw in 1880 door hem voltooid werd. Zijn opvolger, pastoor Rovers begon toen de kerk te meubelen; daarmede gaat diens opvolger, de tegenwoordige pastoor de Wit, langzaam voort.

De gronden van Oudenbosch zijn voor 2/5 in handen van uitwonende eigenaren; dat neemt thans wel af; als er gronden verkocht worden, dan komen die gewoonlijk in handen van inwoners. Gewoonlijk verhuren die inwoners de gronden dan weer, meestal aan boomkweekers.

De boerenstand in Oudenbosch is niet groot; eigengeërfde boeren zijn er bijna niet. Op de boomkweekerijen vinden een 500-tal arbeiders werk; men vreest zeer voor de toekomst, nu het, tengevolge van de nieuwe tariefwet, bijna niet doenlijk zal zijn om naar Duitschland planten enz. te verzenden, terwijl Duitschland weleer de grootste afnemer was. Men zal nu moeten trachten een ruimer afzetgebied te vinden in Engeland en Amerika.

Maar ook, wanneer dat gelukt, zal het bedrijf van de boomkweekers geheel moeten veranderen, omdat Duitschland groote, zware, krachtige planten en heesters vroeg, terwijl in Amerika en Engeland slechts zeer jonge plantjes gevraagd worden. De Duitsche tariefwetgeving was voor Oudenbosch wel een zware slag, hoewel men toch niet vreesde, dat het bestaan der kweekerijen daardoor onmogelijk gemaakt werd.

Oudenbosch, De Wagenhoek met zicht op de Zandeweg, 1905 (WBA, RAW014013702)De Wagenhoek met zicht op de Zandeweg, 1905  (collectie: West-Brabants Archief)

Toen de suikerfabriek Granpré Moliere in 1903 stop werd gezet, en de fabrieken van Daverveldt, Binck en Co en die van v. Rossum beweerden ook niet te kunnen blijven werken, heeft de gemeente het tarief van het havengeld met 1/3 verlaagd, zulks om het groote belang, dat de gemeente bij het voortbestaan van de suikerindustrie heeft. De burgemeester heeft daarvan thans spijt, omdat, terwijl er vroeger van de drie fabrieken ± f. 15.000 werd ontvangen, thans door de twee fabrieken niet meer dan ± f. 7.000 betaald wordt; het jaar 1904 was voor de fabrikanten buitengewoon voordeelig; ook 1905 belooft dat te zijn; maar de gemeente kan voorloopig geen hoogere rechten heffen.

Wethouder Settels kwam in de plaats van wijlen den wethouder Binck. Settels is iemand, die zich geweldig voelt, voortdurend vóór den burgemeester heensprak, en juist deed, alsof hij nr 1 was. Wethouder Dirken is blijkbaar een boomkweeker; hij maakte mij een goeden indruk. Gemeente had vroeger mooie bezittingen (weiland) en maakte dat bezit te gelde, om den weg naar Seppe te kunnen betalen.

Den 22 Mei 1908 kwam ik weer in de gemeente. Boomkweekerijen. Het gaat den boomkweekers weer vrij goed, ze leveren vooral aan Amerika, dat wel hooge prijzen wil betalen; men moet daar echter voorzichtig zijn met zijn relaties, omdat ook daar vele flesschentrekkers wonen; men is genoodzaakt om een agent daar te hebben, hetgeen nogal kostbaar is. Ook de handel op Duitschland wordt weer tamelijk levendig; coniferen en veredelde boomen kan men daar echter niet leveren omdat het inkomend recht te hoog is; men hoopt, dat de behoefte den Duitschen afnemers op den duur zal noodzaken, de conifeeren en veredelde boomen duurder te betalen, en daardoor het inkomend recht feitelijk te vergoeden.

De voornaamste boomkweekerij is die van Looymans; dan volgen J.G. v.d. Bom; H.W. v.d. Bom en Co; en H.W. v.d. Bom. De zaak van H.W. v.d. Bom is als handelszaak na Looymans de grootste. H.W. v.d. Bom en Co is in protestantsche handen nl. Heersma van Voss en Schwellengrebel.

Haven en havenrechten. De concessie tot het heffen van havenrechten verloopt einde 1908. B. en W. geraden, te trachten het volle tarief van eertijds weer te kunnen heffen. Om dat gedaan te krijgen, zou men, wat aan haven ten koste moet gelegd worden, - 400 M. nieuwe beschoeiing, een werk van ± f. 8.000 – ineens moeten besteden, en de daarvoor te sluiten leening in 4 à 5 jr aflossen. Dan is het gevaar niet zoo groot, dat, als de industrie zich mocht verplaatsen, de gemeente met eene groote schuld, ten behoeve van de haven aangegaan, blijft zitten. Met de ondervinding, opgedaan bij het afbreken van een der drie suikerfabrieken, die van Grandpré Molière, is de vrees voor het zich verplaatsen van de industrie werkelijk niet ongegrond.

Gasfabriek bestaat 60 jr; was oorspronkelijk eene particuliere onderneming; werd voor 15 jr door de gemeente overgenomen, en geheel vernieuwd voor f. 30.000. De fabriek dekt zich; f. 12.000 uitgaven; f. 14.000 ontvangsten; bovendien straatverlichting + verlichting raadhuis en scholen, geëvalueerd op f. 1.500, vrij. Jaarlijks wordt f. 1.000 afgelost. St. Louis, het zustersklooster en de Jesuiten zijn de grootste afnemers; als die een eigen fabriekje opzetten, dan is de gasfabriek een lastpost voor de gemeente.

Oudenbosch, Kade, 1920 (WBA, RAW014011669)Kade (collectie: West-Brabants Archief)

Den 13 April 1912 kwam ik weer in Oudenbosch; ik was tevoren in Standdaarbuiten geweest; later ging ik nog naar Hoeven. Ik maakte den tocht per auto, vanuit Roosendaal. Ik verleende audientie aan pastoor De Wit. Hij wil eene bijzondere jongensschool oprichten, en daarvoor de gemeenteschool overnemen. Ik heb getracht hem aan zijn verstand te brengen, dat zulks onmogelijk was. Gedep. Stat. kunnen een besluit, tot opheffing van de openbare school te Oudenbosch niet goedkeuren, tenzij die school leeggeloopen is, doordat de leerlingen zijn overgegaan naar de bijzondere school; en die leerlingen kunnen niet naar de bijzondere school overgaan, voordat die school er is.

Om die reden is het onmogelijk, dat G.S. zeggen, dat eene openbare school niet meer noodig is, terwijl die nog door ± 250 kinderen bezocht wordt. De Pastoor had toen nog allerlei distinguo’s, waarop ik hem gezegd heb, dat ik met al die distinguo’s niets te maken had; dat de wet in deze beslissend was; dat G.S. de eed op de wet hadden gedaan, en dat de wet in dezen den weg wees.

De opzichter van den Provincialen Waterstaat Heesterman kwam eenvoudig zijne opwachting maken. Er heeft zich eene bouwvereeniging gevormd, St. Joseph, ter voorziening in de volkshuisvesting. Deze vereeniging wil 18 arbeiderswoningen bouwen + 8 burgerwoningen, samen voor f. 43.000. Ik heb den Heeren te kennen gegeven, dat m.i. de woningwet niet het oog had op den bouw van burgerwoningen – huurprijs ± f. 200; zij, die daaraan behoefte hadden, konden zich m.i. op andere wijze, bijv. door coöperatie helpen.

Men heeft groote behoefte aan goed drinkwater; nu de groote waterleiding voor westelijk Noordbrabant – het idee van Dr. Bruinsma – mislukt is, wil men trachten zich met Roosendaal te verstaan, om vandaaruit geholpen te worden. De gasfabriek blijft goed gaan; de bate bestaat in gratis straatverlichting, gratis cokes op de school, en f. 1.000 in de gemeentekas. Voor het gebruik van de Oudenbossche haven werd in 1911 ± f. 10.000,- aan havengeld ontvangen.

De Duitsche tariefwet doet geen nadeel meer aan de boomkweekerijen; deze maken minstens even goede zaken als vroeger; er gaat thans veel naar Amerika; ook Duitschland trekt thans even sterk als vroeger; het geleverde plantsoen is echter zooveel duurder, dat de afnemers het Duitsche inkomende recht betalen; alleen coniferen gaan niet meer naar Duitschland.

Oudenbosch, Saint Louis. De grote kapel, 1921 (WBA, RAW014013714)Leerlingen St. Louis voor de grote kapel, 1921 (collectie: West-Brabants Archief)

St. Louis is langzamerhand eene kolossale inrichting geworden; er zijn 390 leerlingen; bovendien 80 leerlingen op de kweekschool; 120 broeders voor al die jongens. Het gemeentebestuur wil het kerkbestuur ter wille zijn door afstand van een stukje grond, waarop een pomp staat en eene put ligt. Om die pomp en die put, die van algemeen belang zijn, maakten G.S. bezwaar, de transactie goed te keuren. Toen B. en W. het gesprek daarop brachten, vertelde de burgemeester, dat hij de Gedeputeerden Mol, Bressers en Van Dam had uitgenoodigd, om naar die pomp te komen kijken, en betreurde hij het, dat de Heeren dat niet hadden gedaan. Ik heb daarop den burgemeester een zeer scherp antwoord gegeven, zóó scherp, dat hij zijn mond verder niet meer heeft durven open doen.

Den 9den Augustus 1917 kwam ik weer in Oudenbosch; tevoren had ik Klundert en Standdaarbuiten bezocht. Burgemeester beklaagt zich bitter over den secretaris; deze is vóór drie jaar buiten de aanbeveling van B. en W. om door den Raad benoemd tot gemeentesecretaris. Hij is geruimen tijd belast geweest met de directie van de distributie der levensmiddelen; en met het uitbetalen der inkwartieringsgelden. In beide schijnt hij oneerlijk te zijn geweest; de justitie heeft heel wat stukken in beslag genomen en ter onderzoek naar Breda gebracht; en heeft anderzijds de brandkast ten gemeentehuize verzegeld. Burgemeester heeft gemeend, den secretaris voorloopig niet te moeten schorsen; want dan zou het later heeten, dat anderen zijne stukken enz. hadden weggemaakt. Hij verwacht echter, dat secretaris in de gevangenis zal eindigen.

Er is op het moment veel werk in de gemeente; armoede wordt er niet geleden. De vooruitzichten zijn echter niet goed: de boomkweekerijen gaan slecht; ééne suikerfabriek wordt stopgezet; daardoor komt er zeer veel minder werk. Er is gebrek aan woningen; vooral ook, door dat gemobiliseerde en tijdelijk in Oudenbosch ingekwartierde militairen, hunne vrouwen laten overkomen; er zijn er op dit moment 15! Meest pas gehuwd, en in het bezit van eene door het Rijk betaalde bijdrage voor levensonderhoud.

Van den landbouw is het vet af; bij de veeteelt moet geld bij; op paarden is niets meer te verdienen; de handel is totaal gedaan. De tuinbouw begint echter te bloeien, vooral doordat zooveel boomkweekers zich noodgedwongen op den tuinbouw beginnen toe te leggen. Sinds 6 weken is er eene dagelijksche veiling, waar zeer veel wordt aangevoerd; daar moet geveild worden, gedeeltelijk voor het binnenland en gedeeltelijk voor het buitenland.

Oudenbosch, De Fabrieksdijk met de haven en rechts de gasfabriek, 1916 (WBa, RAW014011664)De Fabrieksdijk met de haven en rechts de gasfabriek, 1916 (collectie: West-Brabants Archief)

Gasfabriek gaat slecht; in de tegenwoordige omstandigheden moet er geld bij. Doordat er een suikerfabriek weg gaat, zullen de havenrechten ook wel sterk verminderen; tot nu toe brachten die jaarlijks netto ± f. 2.500,- op. Er is aanvankelijk veel gesmokkeld; thans is dat gedaan; de menschen zijn bang naar Veenhuizen te worden gezonden.

Oudenbosch is de standplaats van de staf der IIIde. Divisie; voortdurend veel inkwartiering; thans 1.500 man. De verhouding tot de militairen is wel goed, maar het duurt zoo ontzettend lang! Wethouder Dirken maakte mij een goeden indruk; de burgemeester schijnt tegenwoordig meer actief, dan vroeger. Toch meen ik, dat er van hem meer moest uitgaan. De man schijnt echter te geven wat hij heeft.

Den 6den Juni 1921 kwam ik weer in Oudenbosch. Dienzelfden dag bezocht ik nog Oud Gastel en Standdaarbuiten. Het Bestuur van Oudenbosch is zeer behoudend; gemeenschapszin heeft het slechts dan, wanneer dat aan de gemeente niets behoeft te kosten. Vandaar, dat men niets doet tot voorzieningen in den woningnood, waarvan men erkent, dat die zeer nijpend is, omdat daaruit later voor de gemeente finantieele bezwaren kunnen voortvloeien.

De uitvoering van de lager onderwijswet 1920 brengt de moeielijkheid, dat op St. Louis 400, en bij de zusters 200 kinderen van buiten de gemeente lager onderwijs ontvangen. Moet nu op kosten van de gemeente voor die kinderen gebouwd worden? Zoo ja, hoe moet gemeente dan de gemaakte kosten verhalen op de gemeenten, uit welke die kinderen afkomstig zijn?

De boomkweekers hebben het nog hard te verantwoorden; zij leveren nog niet weer naar het buitenland. Gelukkig dat de afzet naar het binnenland plaats heeft tegen vrij loonende prijzen. Er is in gemeente nog ééne suikerfabriek van de Centrale Suiker Mpij; het is nog onzeker, of die dit jaar zal werken. Aan dividend- en tantièmebelasting beurde gemeente over vorig jaar ± f. 16000.

Oudenbosch, De operatiekamer in het St. Elisabethgesticht, 1930 (WBA, RAW014011711)De operatiekamer in het St. Elisabethgesticht, 1930 (collectie: West-Brabants Archief)

Het geheele distributiebedrijf kostte ruim f. 80.000; in 1924 is die schuld geheel afgelost. Het verpleeggeld van armlastigen in het St. Elisabeths gesticht werd verhoogd van f. 0,.80 tot f. 1,50 per dag. Tijdens de oorlogsjaren zijn de boomkweekers groenten en fruit gaan verbouwen; daarvoor werd eene veiling in het leven geroepen, welke thans nog bestaat, en in eene groote behoefte van Oudenbosch en omstreken voorziet.

Den 10den Juni 1925 kwam ik, na Hoeven te hebben bezocht, weer in Oudenbosch. Van B. en W. – met wie ik 2½ uur zat te praten want er was niemand voor audientie – hoorde ik, dat er sinds 1 Januari reeds 300 aansluitingen waren aan de drinkwaterleiding – 100% boven de raming; vóór 1 Januari 1926 verwachtte men er nog 100. Van het eerste jaar af aan heeft het electriciteitsbedrijf jaarlijks eene kleine winst gegeven; men heeft een klein voordeelig net, alleen de kom; maar men is in hooge mate afhankelijk van de Broeders van St. Louis, die de grootste afnemers zijn, en thans een tarief moeten krijgen, waardoor het voordeelig saldo misschien heelemaal verdwijnt.

De gasfabriek is goed in orde en levert goed gas tegen 13 cnt voor licht en 14 cnt voor muntgas, en tegen een afzonderlijk tarief voor verwarming. Daardoor wordt betrekkelijk weinig stroom verkocht; de menschen zien te veel tegen den vuilen rommel van den aanleg op. De gasfabriek maakt een winst van f. 9 tot f. 10.000.

Geen woningnood; door het sloopen van de drie suikerfabrieken verlieten nogal eenige gezinnen Oudenbosch. Dat sloopen is eene ramp voor de gemeente: om die drie fabrieken ontwikkelde zich in den loop der jaren eene zeer uitgebreide arbeidersbevolking. Thans zijn de fabrieken weg, en bleef de geheele arbeiders bevolking – om zoo te zeggen zonder arbeid – achter. Gemeente geniet bijna geen inkomsten meer van het havengeld: in 1926 f. 1.600 à f. 1.800; geen opbrengst uit de opcenten op de dividend en tantième belasting enz.

De boomkweekerijen werden ingekrompen tot ± 75 H.A. Het gaat den boomkweekers gelukkig buitengewoon goed; maar doordat – ten gevolge van den oorlog – de bedrijven zoo werden ingekrompen, kan veel, waarnaar groote vraag is, niet geleverd worden, omdat het er niet meer is, en er jaren noodig zijn, voor men weer leverbare waar heeft. Wethouder v. Aken is boomkweeker; vóór den oorlog had hij 11 H.A. in cultuur; omstreeks 1920 was dat nog slechts 4 H.A. thans heeft hij zich weer uitgebreid tot 7 H.A. Van 1 November tot 1 Mei had hij – vooral voor de verzending – 36 menschen in dienst; thans slechts 10 groote menschen en een stuk of acht jongens, vooral voor schoon houden en wieden.

Behalve eene stroohhulzenfabriek, die aan ± 40 arbeiders werk geeft, is er heel geen industrie meer. Tuinbouw wordt tegenwoordig sterk gedreven; de tuinbouwcursussen gegeven door v.d. Hout (theorie) en Onrust (praktijk) doen ontzaggelijk veel goed; zoowel groenten als fruit (aardbeien – zwarte bessen – frambozen) worden veel gekweekt, en aan de veiling verkocht; in den drukken tijd wordt er tweemaal daags geveild.

In den Raad zitten 6 burgers, 2 boeren en 3 arbeiders. Men heeft 70.000 mooie porfierkeien 13 x 20 aangekocht; daarmede gaat men de gemeente nieuw bestraten; tegelijkertijd laat men het profiel van de straat, waar die het hoogste lag 25 à 30 c.M. zakken. Gemeente is slechts partieel gerioleerd.

De vleeschkeuringsdienst en de warenkeuringsdienst worden zeer gewaardeerd; beide diensten waren zeer noodzakelijk. In gemeente is heel geen openbaar onderwijs; de jongens gaan op school bij de broeders van St. Louis, die in ons land nog op een zestal plaatsen huizen hebben. De meisjes zijn allen op school bij de Zusters. Op een teekenschool gaan 70 kinderen; buitengewoon nuttig. B. en W. slaan dat onderwijs veel hooger aan dan dat op de lycea te Roosendaal, waar nogal kinderen uit Oudenbosch naar toe gaan.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: