i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Berghem
Tags:

De geboorte van een gemeenschap

vertelde op 30 mei 2009 om 11:08 uur

De 13e eeuw is in heel West-Europa een tijd van een grote bevolkingsgroei, ontginningen en bedijkingen. Graven en hertogen geven op grote schaal woeste gronden uit aan groepen onderdanen, die ze kunnen ontginnen en vervolgens gebruiken voor de landbouw en veeteelt. Dat zien we ook langs de Maas gebeuren.

In de twaalfde en dertiende eeuw woonden de mensen langs de rivier doorgaans hoog genoeg om het hele jaar droge voeten te houden, maar vanuit hun boerenbedoeninkje konden zij soms wel het water zien dat afkomstig was van een ongetemde rivier.

De bedijking van de grote rivieren begon in het westen van het land, waar de nood het hoogst was. Rond 1275 was men gevorderd tot ongeveer de uitmonding van de Dieze, ten noorden van 's-Hertogenbosch. In de jaren tachtig en negentig kwam de omgeving van Lith, Lithoijen en Oijen aan de beurt.

De indamming van de grillige regenrivier bracht een gevoel van veiligheid en rust in het Maasland. De Maas had geen vrij spel meer, hoewel verrassingen natuurlijk nooit uitgesloten waren. Voor het eerst konden ook ten noorden van de hogere zandgronden grotere percelen grond worden ingericht als bouwland en weiland. Dat was pure noodzaak, want in de dertiende eeuw groeide de bevolking gestaag, zodat er meer voedsel nodig was. Het ging dus niet alleen om veiligheid bij de aanleg van de Maasdijken. Ook de afwatering werd aangepakt, speciaal vanuit het hoger gelegen Land van Herpen.

Hertog Jan I, heer van Brabant, werkte van harte mee aan deze landinrichting door de inwoners van diverse dorpen de beschikking te geven over grote stukken weiland of heide voor gemeenschappelijk gebruik. Vandaar de benaming voor dit soort gronden: de 'gemeynt' of gement. Deze hertogelijke uitgifte was geen daad van menslievendheid, het was een zakelijke investering. De hertog vroeg er een jaarlijkse cijns (soort belasting) voor in de plaats. Dat was voor hertog Jan in het bijzonder ook nodig, want de oorlog met de aartsbisschop van Keulen en de graven van Gelre en Luxemburg was duur. Tegen de tijd dat deze drie tegenstanders van de hertog in de Slag bij Woeringen (1288) het onderspit gedolven hadden, was de bodem van de Brabantse schatkist duidelijk in zicht.

Op 6 december 1286 kregen de inwoners van Oss, Berghem en “Duren” (het Duureind, het oostelijke deel van Berghem) van Jan I de beschikking over een gement. Uit de omschrijving valt op te maken dat het gaat om de vrij drassige weidegronden tussen deze drie kernen en de latere Hertogswetering, van de grens met Geffen in het westen tot het Herpense gebied in het oosten. De jaarlijkse cijns bedroeg tien Leuvense ponden en moest daags na het feest van Sint-Willibrord, dus op 8 november, worden betaald.

Het toezicht op de gement was streng en werd uitgeoefend door of namens de schout. Mensen van buiten de drie dorpen mochten er hun koeien en schapen niet laten grazen, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de inwoners van Oss, Berghem en Duren. Hetzelfde gold voor eigenaren van grond binnen de genoemde dorpen die niet meebetaalden.

De oorkonde van 1286 is het oudste schriftelijke bewijsstuk voor het bestaan van een bestuurlijke en rechterlijke organisatie in Oss en Berghem. Dat blijkt alleen al uit het gegeven dat een zo uitgestrekte gement moet worden beheerd en dat er toezicht noodzakelijk is. Ofschoon het document daarover niet uitweidt, mogen we aannemen dat een kleine groep van invloedrijke grondeigenaars, de gezworenen, het beheer voerde. Wel wordt een schout (iusticiarius) genoemd, als de vertegenwoordger van de hertog in het kwartier Maasland van de Meierij.

De uitgifte van deze gement is de eerste van een hele reeks. In 1288 kregen de Lithoijenaren hun gemeenschappelijke weidegronden in eigendom en een aantal jaren later volgden uitgiften in Nistelrode (1296), Geffen (1298), Nuland (1299) en Rosmalen en Hintham (1300). Ook in die dorpen vormde zich een plaatselijk bestuur, overal ondersteund en gecontroleerd door de kwartierschout. Zo beginnen bij het begin van de veertiende eeuw zich de contouren af te tekenen van een bestuurlijk district Maasland, dat samen met Kempenland, Oisterwijk en Peelland de vier kwartieren vormde van de Meierij van 's-Hertogenbosch. Oss werd de hoofdplaats van Maasland en daarmee de zetel van de kwartierschout. 

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: