i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Alem, Maren en Kessel
Tags:

De Kesselse Hut

vertelde op 24 april 2009 om 11:28 uur

Tussen de Ossermeer en Gewande vormt het blauwe lint van de Hertogswetering de min of meer natuurlijke zuidgrens van de gemeente Lith. Het landschap is er kaal – je kunt er dus ver kijken. De torens van Berghem, Oss, Geffen en ’s-Hertogenbosch zijn allemaal te zien, en ook die van de dorpen langs de Maas.

Al vanaf de 16e eeuw bleef dit beeld nagenoeg onveranderd: de Beerse Maas moest hier onbelemmerd haar weg kunnen zoeken van de overlaten bij Beers en Cuijk tot de Empelsche Sluis bij de Dieze, en soms nog verderop, richting Waalwijk. ’s Zomers was dit gebied het domein van rundvee, hooiers en polderwerkers. De monotonie van het landschap werd enigszins doorbroken door het geboomte van de her en der aanwezige eendenkooien en door de hutten.

Voor de boeren en polderwerkers dienden deze hutten als een soort pleisterplaatsen. Zij konden er koffie drinken, maar ook een pintje of iets sterkers. Natuurlijk behoorden ook stropers, vissers, jagers, zondagse wandelaars, kermisgangers en landlopers tot de klandizie van de hutexploitanten, die meestal ‘hutners’ werden genoemd.

De Maaskantse hutten stonden op strategische plaatsen, namelijk vlakbij de bruggetjes over de Hertogswetering. In het westen had je de Wildse en de Rosmalense Hut en bovendien nog één bij Gewande. In het oosten stuitte de passant op de Oijense, Macharense en Lithoijense Hut en zo’n beetje in het midden van het gebied lag de Kesselse Hut. Ter hoogte van Maren lagen geen bruggetjes over de weteringen, daardoor ontbrak daar de hut.

Deze geïmproviseerde kroegen stonden er niet het hele jaar door. De zomersluiting van de overlaten in het Land van Cuijk duurde doorgaans van 15 maart tot 15 november en dat betekende dat buiten die periode alle obstakels moesten zijn verwijderd. Voor de hutten was die regel geen probleem, want ze waren van hout en demontabel. Omstreeks Allerheiligen werden de bouwsels uit elkaar gehaald en naar een hoger gelegen plek gebracht. Diverse generaties van de familie Van Kessel, de hutners van de Kesselse Hut, brachten de balken en planken aanvankelijk naar ‘het hoog’, de dijk in Het Wild “krek aan deze kant van het PNEM-huiske”, later naar Maren.

Daar woonde het hutnersgezin in de winter en men leefde van de opbrengsten van het voetveer over de Maas en van het ganzenvangen. Begin mei werd de boel weer op de kar geladen en verhuisde het gezin naar de polder. Soms konden de bouwmaterialen ook worden vervoerd met de aak van de Polder Het Laag Hemaal.

In 1941 heeft Theodoor van Kessel zijn hut voor het laatst afgebroken. Dat had zeker te maken met het ontbreken van een vergunning en het niet meer voldoen aan het inmiddels tot een waslijst aangegroeide aantal regels waaraan de horeca moest voldoen. Verder was de Lithoijense Hut kort tevoren afgebrand. Natuurlijk stond een en ander ook niet los van de definitieve sluiting van de Beerse Overlaat, die in 1942 een feit zou zijn. Een kleurrijk hoofdstuk in de Maaskantse geschiedenis werd daarmee voorgoed afgesloten.

Over de Kesselse Hut is nog veel meer te lezen in De Maaskroniek, 4e jaargang (1981), nr 7, pagina’s 11 tot en met 18.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:

Lees ook deze verhalen

vertelde op 1 september 2011 om 10:56 uur

De Hertogswetering