i

Dit verhaal gaat over:

Periode: 1975 - 2001
Tags:

De Stichting Vrouwen en Medicijngebruik

vertelde op 8 april 2019 om 11:09 uur

Op 20 juli 1980 passeren twee vrouwen, Johanna Maria Desar uit Waalre en Wilhelmina Hendrika Verhulst uit Eindhoven, bij de notaris in Waalre de stichtingsakte van “Vrouwen en Medicijngebruik”. Deze stichting gaat zich bezighouden met onderzoek naar medicijngebruik onder vrouwen, vooral van psychofarmaca, en met de bewustwording onder vrouwen ten aanzien van hun medicijngebruik.

Want dat daar een probleem ligt, daar is de groep vrouwen waar deze twee deel van uitmaken, wel achter gekomen in de jaren daarvoor. Onderzoek naar de oorzaken van overmatig medicijngebruik van vrouwen, naar het verband tussen hun medicijngebruik en de maatschappelijke ordening, naar het verband met de structuur van de reguliere gezondheidszorg en naar de rol van de farmaceutische industrie in dit alles is hard nodig, vinden ze.

Het begon allemaal in 1975. Ineke Thomeer, zelf werkzaam in de GGZ, schrikt van het grote aantal vrouwen dat aan de slaap-, kalmerende en stimulerende middelen verslaafd is geraakt. Ze start in Eindhoven binnen de toenmalige PSP een werkgroep gezondheid die zich hiermee gaat bezighouden.

Op 12 december 1978 organiseerde de werkgroep in de Globezaal van de Stadsschouwburg een forumavond onder de titel “Kalmerende middelen… oplossing of gevaar?” De avond trok zoveel belangstellenden dat er als vervolg (in september 1979) een brochure uitkwam over medicijngebruik: “Het slikken niet pikken”. Deze brochure leidde er vervolgens toe dat de Universiteit van Groningen samen met de werkgroep een onderzoek begon naar het medicijngebruik onder vrouwen tussen de 40 en de 60 jaar. In mei 1980 verscheen het rapport “Vrouwen en Medicijngebruik, een onderzoek”. Ruim 23% van de onderzochte groep bleek medicijnverslaafd.

Toen was inmiddels de stichting Vrouwen en Medicijngebruik opgericht met als eerste voorzitter Johanna Sweep-Desar en als secretaris Ineke Thomeer. De stichting ontwikkelde een hulpverleningsaanbod op grond van de gebleken behoefte aan voorlichting over werking en bijwerking van medicijnen en aan hulp bij het afbouwen van de gebruikte medicijnen. Want “deze middelen lossen geen problemen op, ze dekken ze toe” was het adagium.

Zo ontwikkelde Vrouwen en Medicijngebruik methodieken om om te gaan met hyperventilatie, zoals ademhalingstechnieken en ontspanningsoefeningen als alternatief voor kalmerende middelen. De hulp werd gegeven in zogenaamde zelfhulpgroepen. De training die aan de eerste deelnemende vrouwen werd gegeven zorgde ervoor dat deze vrouwen zelf ook weer een groep konden gaan begeleiden.  

Zo’n groep bestond telkens uit zes vrouwen die een keer per week bij elkaar kwamen gedurende 1,5 à 2 jaar. Iedere bijeenkomst duurde zo’n twee uur. In 1989 waren er twee zulke groepen in Eindhoven aan de gang, twee in Helmond, één in Tilburg en vier buiten de provincie. In 1991 waren er in Brabant al acht groepen (er waren er twee in Roosendaal en twee in Bergen op Zoom bijgekomen) en in 1992 tien (ook in Den Bosch begonnen groepen). In 1993 startte ook een groep in Breda.

In 1995 telde de stichting maar liefst 17 groepen en 23 steunpunten door het hele land (zoals in Leiden, Rotterdam, Utrecht, Amsterdam en Maastricht). Het is duidelijk: de stichting groeide en groeide, maar dreigde ook ten onder te gaan aan haar eigen succes. Het kantoor was eerst in het huis van Ineke Thomeer gehuisvest geweest, maar dat was na een aantal jaren niet meer vol te houden. In februari 1987 opende de stichting een kantoor aan de Poeijersstraat in Eindhoven, maar ook dat jasje ging knellen. In 1995 verhuisde de stichting naar een nieuwe huisvesting die ze deelde met andere autonome vrouwenorganisaties aan de Bomanshof in Eindhoven.

Men profileerde zich met uitgaven van boekjes als “Verslik je niet” en zette een stevige samenwerking op met de Consultatiebureaus voor Alcohol en Drugs (CAD) in Bergen op Zoom en Roosendaal. Een zeer belangrijke rol in de zelfhulpgroepen speelde ervaringsdeskundigheid, die de hulp ook laagdrempelig hield.

Dat maakte wel dat deze vorm van vrouwenhulpverlening moeilijk te integreren was in de reguliere gezondheidszorg. En aan de andere kant: het toepassen van de principes van de vrouwenhulpverlening, de rol van de niet-betaalde vrijwilligsters, de tijd die gemoeid was met het opzetten van groepen, de onduidelijkheid of dit nu eerstelijns dan wel tweedelijns zorg was, alles bij elkaar maakte dat de reguliere zorg de boot een beetje afhield.

De provincie Noord-Brabant had de stichting jarenlang gefinancierd vanuit een experimentenpotje, telkens weer incidenteel. Om te kijken hoe het anders kon, voerde het PON in 1993 een onderzoek uit, waarvan de conclusie luidde dat gezien de flinke cultuurverschillen met de reguliere zorg, het aanbod van de SVMG het best zelfstandig gehandhaafd kon worden en een structurele subsidie verdiende. Want de hulpverlening hielp niet alleen individuele vrouwen, maar leidde ook tot flinke besparingen op medicijngebruik.

Eind jaren ’90 wilde de gemeente Eindhoven hulporganisaties binnen de stad onder één koepel brengen (die Klanckschael ging heten). Dat proces verliep moeizaam en leidde uiteindelijk tot het opheffen van de stichting in 2001.

Bron: Amsterdam, Atria, Archief Stichting Vrouwen en Medicijngebruik, 1980-2001.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: