i

De verwoesting van Huusseling in 1621

vertelde op 7 juni 2009 om 15:26 uur

In het parochie-archief van Huisseling zit een stuk van 15 bladzijden, waarin een van de kerkmeesters levendig verslag doet van de gedwongen sloop van de kerk (en een paar huizen) aan de Schaafdries in juli en augustus 1621. Het viel het dorp behoorlijk zwaar en de drossaard, de vertegenwoordiger van heer Georg Wilhelm van Brandenburg in Kleef, maakte het er allemaal niet makkelijker op. Uiteindelijk lukt het door inschakeling van een professionele sloper die toevallig De Schepper heet.

Die distrusie van Huusseling in anno 16 ende 21

In het jaar 1621, op 25 maart, zijn de Staten van Holland begonnen met het versterken van Ravenstein. Ze hebben daar negen compagnies volk gelegerd, waarover de heer van Stina als kolonel het opperbevel voerde. De kolonel liet direct de voorstad van 25 huizen afbreken en vier huizen in Huisseling aan de Schaafdries, onder groot misbaar van schreeuwen en kermen.

De eerste juli brak aan: op dat moment wilde de kolonel ook de kerk van Huisseling neerhalen, met nog eens vijf huizen. De “naberen” (de inwoners) hadden daar grote bezwaren tegen. Op 15 juli stuurden de genoemde naberen twee van hen naar Kleef, naar het hof, om hun bezwaren kenbaar te maken. Zij hebben daar vijf dagen rond moeten hangen en geen audiëntie kunnen krijgen.

Het was op 22 juli, op het feest van Maria Magdalena, na de middag om vier uur  -  de kolonel was in Den Haag en kapitein Kaas-en-brood voerde het bevel tijdens de afwezigheid van de kolonel. Op Maria Magdalena-dag dus, om vier uur, kwam kapitein Kaas-en-brood met twee- à driehonderd man bij zich naar het dorp, en richtte in één uur tijd voor 800 gulden schade aan aan de kerk. Toen dat was gebeurd, heeft wijlen Hans van Eefferen, genaamd Hal, die op dat moment drossaard was, de naberen van Huisseling direct bij zich ontboden.

Hij zeI dat hij een schrijven uit Kleef had ontvangen, met als inhoud dat de naberen de kerk van Huisseling moesten afbreken ten voordele van de gemeenschap. De naberen zeiden dat ze daar helemaal niet toe in staat waren en legden het in handen van de heer. "Als de heer het op zich wil nemen om de kerk af te breken, als die dan toch plat moet, dan moeten wij dat dulden, want de heer is boven ons gesteld."

Daarop antwoordde de drossaard, dat hij het raadzaam achtte als hij voor hen een brief naar het hof zou sturen. Als de heer dan te kennen gaf dat de afbraak door moest gaan, wilden zij dan van hun kant die afbraak ter hand nemen, of zouden ze nog iets anders weten te verzinnen. Die brief is meteen verzonden. De kerkmeesters hebben de bode het loon vooraf moeten betalen.

Ongeveer drie uur daarna, dus na het vertrek van de bode naar Kleef, heeft de drossaard een brief gestuurd naar de naberen van Huisseling, dat zij direct zouden moeten instemmen met het afbreken van de kerk, op straffe van een boete van 500 goudguldens, als zij dat zouden weigeren. De naberen waren daarover zeer verontwaardigd, namelijk dat de drossaard hen gebood de kerk af te breken, nog voor er bericht van het hof uit Kleef gekomen was, want de bode was er nog niet eens gearriveerd.

De naberen haalden meteen de kerkmeesters erbij, met de pastoor en de meest vooraanstaanden en met een vet lam gingen ze naar de commandant Kaas-en-brood en deden daar hun beklag, dat die drossaard hen bevolen had op een boete van 500 goudgulden om de kerk af te breken, "wat wij onmogelijk kunnen en aangezien wij daar niet toe in staat zijn, hebben we nederig gesmeekt of die kerk toch niet zou mogen blijven staan, als dat enigszins mogelijk is".

Maar Kaas-en-brood antwoordde: “Die kerk moet plat, daar helpt geen lieve moeder aan, want ik krijg elke dag brieven van mijn meerderen, dat ik die kerk met de grond gelijk moet laten maken.” Hij zei ook nog: “Als die drossaard jullie boetes wil opleggen en schade verhalen, dan zou dat onbehoorlijk zijn”. En hij blies in zijn hand en zei: “Dat genoegen zal hij niet hebben”.

De naberen hoorden sanderendaags zeggen, dat de bode weer teruggekomen was. Ze gingen naar de drossaard toe en vroegen wat de bode voor antwoord had meegebracht. Hij vertelde dat men de kerk in opdracht van de heer moest afbreken en de materialen binnen de vesting (Ravenstein) brengen. De naberen zeiden dat ze dat met geen mogelijkheid konden, omdat “als wij er op dit zelfde moment aan zouden beginnen, dat we het gebouw nog niet in een half jaar met de grond gelijk zouden kunnen maken, met onze kleine gemeenschap”. Ze hadden gedacht dat ze er toch nog onderuit zouden kunnen komen, van het afbreken en van de kosten die daarmee gemoeid zijn. “Want wij hebben geen middelen. Wij hebben een klok laten gieten, die nog niet eens helemaal betaald is, want die hangt er nog geen jaar.

In 1606 namelijk, op 10 juni, is de stad Ravenstein helemaal afgebrand op één huis en op het kasteel na. Toen is ons zilverwerk, dat tot onze kerk behoorde, ook in de stad verloren geraakt en hebben we de rest met toestemming van de heer verkocht, en hebben daar een klok voor gekocht, want we hebben 30 jaar met een gehuurde klok gezeten, en niet zonder reden. Want in 1586 heeft de prins van Parma de stad Grave belegerd en toen kwamen de Staatsen om de stad Grave te ontzetten en dat Staatse volk heeft onze klokken van Huisseling in het jaar 1586 geroofd. En die klokken waren wel 2.000 gulden waard en ze hebben onze kerk “gesendeleseert” (geschandaliseerd, geplunderd). Al het ijzer, het kerkrooster, de ramen, niets hebben ze met rust gelaten. D’r waren geen schoner klokken aan de Maaskant, als wij in Huusseling hadden”.

De dag daarop heeft de drossaard de timmerlui en de leidekkers uit de wijde omgeving bij zich ontboden, omdat hij wou hebben, dat zij de kerk zouden gaan afbreken. Maar zij zeiden dat het niet aan hen was, de kerk af te breken. Hij wou echter onmiddellijk hebben dat ze het deden, anders zou hij ze beboeten. En zij zeiden: “Als wij het dan toch zouden moeten doen, dan willen we van de naberen hun hand erop hebben, dat zij dat toestaan en daarmee tevreden zijn en dat ze ons niet later zullen verwijten dat wij kerkschenners zouden zijn.” De drossaard heeft meteen negen naberen uit het dorp laten komen en van hen geëist dat ze met de hand op hun hart voor zichzelf en voor de hele gemeenschap zouden verklaren dat ze ermee akkoord gingen, dat men de kerk zou afbreken en het de slopers niet zouden verwijten, dat ze kerkschenners waren. De negen naberen antwoordden: “Het staat ons niet vrij dat te doen, namelijk dat wij ermee akkoord zouden gaan, dat het onze wil is dat de kerk zou worden afgebroken.”

De drossaard liet de schildwacht komen, zodat niemand het kasteel zou verlaten en hij wou hen daar gevangen houden, tot ze hadden getekend. Hij wilde ze ook nog beboeten. Zij hebben zolang staan smeken, tot hij hen liet gaan, want de hele gemeenschap moest erbij betrokken worden. Want zij konden niet tekenen voor anderen. Uiteindelijk zijn ze ’s avonds naar huis gegaan. Het hele dorp moest ’s morgens weer op het kasteel komen en iedereen moest met zijn hand op het hart beloven, dat ze ermee akkoord gingen dat men de kerk op bevel van de heer zou afbreken en dat men de slopers en hun nakomelingen dat niet zou verwijten, anders zou men bij de heer in ongenade vallen. Zodra die verklaring getekend was, heeft de drossaard de timmerlui en de leidekkers ontboden en gezegd dat ze de kerk moesten gaan afbreken. De getekende verklaring die ze van de naberen wilden hebben, lag er nu.

Maar de timmerlieden en leidekkers deden dat niet van harte. Hij stuurde zijn secretaris naar de kerk met een lijst om voor te lezen, precies alsof men aangemonsterd had, en hij zei dat wie er ontbreekt, die zal hij op zijn zwaarst beboeten. Hij gaf de aanwezigen het bevel te beginnen met de sloop van de kerk, op straffe van de boete die hij daar voor bepaalde. De timmerlieden hebben toen hier en daar een slag uitgedeeld, maar ze hebben geen schade aangericht. Dit is gebeurd op 28 juli. Daarna zijn ze naar huis gegaan, tot ze weer ontboden zouden worden. Want men ging eerst bekijken of de leidekkers de leien er een beetje snel van het dak zouden krijgen.

Terwijl Peter de leidekker met zijn volk aan het breken was geslagen op de kerk, die 28e juli, zo tussen negen en tien uur, kwam Kaas-en-brood met een deel van zijn manschappen na de middag de stad uit. Het gerucht ging dat hij de kerk verder wou afbreken. Toen hij zag dat de leidekkers bovenop de kerk zaten, liet hij het gebouw met rust. Hij zei wel tegen de leidekker dat die er meer volk bij moest zien te krijgen voor de sloop. “Want die sloop moet snel af zijn, of anders zal ik mijn volk er op af sturen, om de kerk af te breken.” Daarmee is hij weer weggegaan.

De eerste dag van augustus, dat viel op een zondag, heeft de pastoor nog dienst gedaan in de kerk en Gods woord gepredikt. Maar het was voor de laatste keer. Op 2 augustus werden de timmerlieden opnieuw ontboden door de drossaard, opdat zij met de sloop van het houtwerk zouden beginnen. Op diezelfde dag gingen ze rond het middaguur aan het breken. Op 3 augustus ’s avonds hadden ze het houtwerk er helemaal af, op de zolderbalken na. Toen wilde de commandant ook het steenwerk omlaag en tegen de grond hebben. Die derde augustus zijn de naberen naar de schout gegaan met de vraag of hij ons niet zou kunnen helpen, bijvoorbeeld door een bode naar Kleef te sturen, met het verzoek aan de heer om ons vergunning te geven, nu het houtwerk van de kerk er af is, dat hout naar een plek te brengen waar we dat het beste kunnen opslaan ten gerieve van de gemeenschap, om er ooit weer een kerk of kapel van op te kunnen bouwen.

Ook wilden we graag vergunning om het steenwerk af te laten breken tot op de derde of vierde steen of zo precies als we konden. Want de kapitein Kaas-en-brood laat het afbreken en wil het allemaal voor zichzelf houden, inclusief de klokken en al het houtwerk. De schout heeft op 3 augustus een bode naar het hof in Kleef gestuurd, die op 6 augustus weer is teruggekomen en bericht heeft gebracht dat wij de kerk mochten laten afbreken per drie of vier stenen, of zo precies als we konden, en dat de kerk in zijn geheel ten goede moest komen aan de gemeenschap Huisseling. Ze mogen de materialen heenbrengen waar ze maar willen en waar ze het maar het beste kunnen opslaan om daarna er weer een kerk mee te bouwen.

De schout heeft nog op 5 augustus de sloop van de kerk tot op de vierde steen in opdracht van de heer aanbesteed aan iemand uit Cuijk, Hanrick Jans de Schepper geheten. Bovendien heeft de schout op diezelfde dag de naberen uit naam van de heer bevolen het houtwerk af te voeren naar een plek die hen zou goeddunken, op straffe van drie goudgulden voor ieder die daar niet ’s morgens om zes uur aanwezig zou zijn. En op 4 augustus is het gebeurd zoals het gebeurd is. Het meeste houtwerk is naar Huisseling gebracht naar de sloot van  jonker Warckx. Op de dag dat wij het houtwerk hadden afgevoerd, kwam kapitein Kaas-en-brood met zijn volk uit Ravenstein en een menigte metselaars. Ze hadden een wagen bij zich, die volgeladen was met breekijzers, houwelen en pieken om de kerk mee om te halen. Dat is gebeurd op 7 augustus, net na twee uur.

Terwijl zij aan het werk waren, moest men hem beloven dat het karwei de volgende dag in het geheel af zou zijn. Als de sloop van de kerk niet af zou zijn, de volgende dag 8 augustus, en dat was op een zondag, dan zou men 100 gulden boete oplopen. Daarop is Kaas-en-brood weer naar Ravenstein gegaan met zijn volk.

De naberen stuurden meteen twee boden naar Cuijk, om die man op te halen met zijn arbeiders, die aangenomen had de kerk af te breken tot op de vierde steen: dat zij voort moesten maken, want de kerk moest morgenavond weg zijn, of we zouden de kerk kwijt zijn en ook nog eens 100 gulden boete moeten betalen.

Zo is het gebeurd dat ze nog ’s nachts met de boden terugkwamen en op 8 augustus ’s morgens in alle vroegte aan het slopen van het steenwerk geslagen zijn. Dat was op zondag. De naberen hielpen hen naar vermogen, opdat ze het materiaal toch zouden mogen houden en geen boetes op de koop toe zouden moeten betalen. Het lukte om het steenwerk helemaal omlaag te krijgen, behalve de torens en een klein uitbouwseltje aan het koor. Maar dat hebben ze de volgende dag, op 9 augustus, afgebroken. Vóór de middag hadden we dat liggen.

Toen wilde de kolonel die stenen ook met de grond gelijk maken (of ze wilden ze gewoon inpikken). Maar het dorp wist niet waar ze die stenen laten moesten. De schout en jonker Faeck en talloze naberen hebben ze toen aangeraden dat men de stenen naar de Onderstal zou brengen, langs de straat op de gement. Maar vele andere naberen waren het er niet mee eens, dat de stenen naar de Onderstal gebracht zouden worden. En zo waren zij het onderling oneens, en wij moesten het maar allemaal ondergaan. We hebben een dag gesjouwd met het hele dorp en hebben er ongeveer 20.000 naar Floris Gorets Berckhof gebracht aan de Brugdijk. Toen wilde de kolonel de ringmuur om het kerkhof ook plat hebben. De kerkmeesters en de naberen hebben dezelfde man uit Cuijk, die de kerk had afgebroken, opdracht gegeven om ook die muur af te breken, eveneens tot op de vierde steen en die zijn samen verkocht. De duifsteen (=tufsteen) die in de kerk zat, die heeft de schout…..

Dit is een vertaling van de uitgave van de originele tekst door C.R. Hermans, Verzameling van charters en geschiedkundige bescheiden betrekkelijk het Land van Ravenstein (‘s-Hertogenbosch, 1850), nr. 125, p. 510-518.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reacties (2)

Joost Kocken zei op 2 juni 2009 om 16:21 uur

Vermoedelijk gaat het niet om jonker Warckx (transcriptiefout?), maar om jonker Vaeck, die toen eigenaar van de Ringelenburg in Huisseling was. Het hout zal daar in de gracht zijn opgeslagen.

Marilou Nillesen bhic zei op 3 juni 2009 om 09:18 uur

Dank voor je aanvulling Joost. Weet je toevallig meer over deze jonker Vaeck?

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: