i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Gemonde
Tags:

Een Nijmeegse onderwijzer over Gemonde

vertelde op 6 mei 2009 om 13:41 uur

De Nijmeegse onderwijzer en (humoristisch) auteur Christiaan Hendrik Clemens woonde en werkte enige tijd als onderwijzer in Gemonde. Op basis van zijn Gemondse ervaringen beschreef hij in een van zijn boeken de woonomstandigheden in de Kempen rond 1830.

Vier muren van gevlochten beukentakken of –tenen dragen een strooien dak. Ze zijn met leem aangesmeerd en wit of geel geverfd. De muren zijn vier voet hoog, het dak vijfentwintig tot dertig voet. Als bescherming tegen duivel en onweer zijn hier en daar op de muren kruisen geschilderd. Naast de deur leunt, schuin tegen de gevel, een plank, waar latjes op gespijkerd zijn. Het is de hoofdingang van meester haan en zijn kippen. Niet ver van de deur staat de put, vijf tot zes voet diep. Achter de put is het varkenskot en de koestal, die grenst aan het huis.

Dat is een vreselijk vuile ruimte, omdat de stal tegelijkertijd een uitgebreide mestvaalt is. Het legstro, bestaande uit onbruikbaar hooi, slecht stro en aardappelloof, wordt namelijk onder de beesten geworpen. Het wordt pas uit de stal verwijderd als de beesten met hun horens de zolder raken en dus niet meer kunnen staan.

Voor we de woning binnengaan, komen we eerst nog een soort vijver tegen, waarin het vloeibaar afval uit de koestal en de woning stroomt, en verder twee of drie mesthopen en meer geurconcentraties van dat soort. Ziedaar een Noordbrabants boerenhuis met toebehoren.

We gaan het huis binnen. ‘Goeden avond, Moarten van der Wiel!’ ‘Goeden avond al te zoamen.’

‘Wie is Moarten van der Wiel?’

‘Hij was mijn buurman, toen ik meester was in Gemonde. Daar zit hij, naast Liesbeth, zijn oudste dochter, en Geert, zijn jongste zoon; pal achter hem, bij het spinnewiel, zit Mechelien, zijn vrouw.’ ‘Waar zitten ze toch op?’ ‘Op de vloer natuurlijk!

De bouwmaterialen waarmee het huis is aangesmeerd zijn binnengebracht en vormen de vloer. Veeg uw voeten dus niet, zorg maar dat u niet voorover tuimelt door in een kuil te trappen, want die zitten er aan alle kanten in. U ziet Moarten met zijn twee kinderen; behalve deze spruitjes heeft hij er nog zes bij de haard zitten. ‘t Is geen stoel en ’t is ook geen bank waar ze op zitten. Om de haard heen ligt een soort goot, bedekt met stro, waarin je je voeten zet. Zodoende wordt de vloer zitplaats.

Tegenover de schoorsteen is het bed, ook van gevlochten teen en met leem aangesmeerd. Een zak kaf, twee grove lakens en dekens, een kussen gevuld met stro, ziedaar de rustplaats van Moarten van der Wiel, zijn vrouw Mechelien en drie kleine kinderen. De bedstee vormt tevens een kast, waarin de vrouw haar naai- en breiwerk, de boer zijn pijpen, tabak en enige andere snuisterijen opbergt. De overige familieleden, vaak nog een oude vader en moeder, hebben hun verblijf op zolder bij de kippen.

Het mooiste en beste siermeubel van een Noordbrabantse boerenwoning is een kabinet, dat weliswaar niet met kleren gevuld is, maar dat goed onderhouden wordt. Het is een familiestuk dat vaak meer dan honderd jaar oud is en waarop de joden even belust zijn als op goud en zilver. De mode wil dat de rijken der aarde zulke kabinetten als pronkmeubel bezitten. Vandaar dat men met goud de boer dit oude, kunstige familiestuk afhandig wil maken.

Als je zo’n huis binnengaat, walmt een onaangename lucht je tegemoet. Dat moet hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de turf die de Noordbrabantse boer stookt. Het is turf die in platte, vierkante stuken van de oppervlakte van de hei afgestoken wordt, en dan gedroogd en verbrand wordt. Bovendien staat de stal, meestal via een open deur, in verbinding met de huiskamer; de biggen, kippen en eenden hebben vrij entree. Het valt dus gemakkelijk te raden waar die onaangename lucht aan toegeschreven moet worden (…)

De meeste winteravonden bracht ik bij mijn buurman Moarten van der Wiel door. Zijn oom Teun Carnuit bracht dan een tikske mee. Moeder Van der Wiel bracht een pijpesteel, een glas en wat bruine suiker, en dan werd de mester op een klein glaasje aardappeljenever met suiker onthaald. Maar dan moest ik natuurlijk ook vertellen. Meestal ging dat over de verklaring van sommige natuurverschijnselen. En bij het naar huis gaan, moest ik altijd beloven spoedig terug te komen. Het zal u, geachte lezer, dan ook niet verwonderen dat ik te Gemonde als een zeer geleerd personaadje te boek stond, voor wie de boeren de ruige, half glad gewreven hoed afnamen, als ze op zondag de mester tegenkwamen.

Als u ooit nog eens in Gemonde komt en benieuwd bent naar mijn reputatie, vraag dan niet naar mijn naam, want die kennen ze daar niet. Ze noemden me altijd de mester. Maar als u vraagt naar de meester, die ooit eens vier officieren en drie oppasssers ingekwartierd heeft gehad, dan zullen ze meteen uitroepen: “O, die man kennen we wel! Ze stalen als raven: kippen, duiven, eenden, kool; alles wat maar eetbaar en vervoerbaar was!”

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reacties (3)

Hans JC van Veen zei op 16 juni 2014 om 22:12 uur

I.v.m. mijn opleiding Docent Geschiedenis (jaren zeventig) heb ook zijn verhalen gebruikt in mijn scriptie en daaraan verbonden lessenserie. Mijn scriptie heeft de titel 'Drie agrarische ontwikkelingen in de Meierij tussen 1800 en 1880'.
(Tijdens mijn studie woonden mijn ouders nog in Gemonde/Broekstraat)

Marilou Nillesen
Marilou Nillesen bhic zei op 17 juni 2014 om 09:03 uur

Ha, interessant Hans! Hoe deden zijn verhalen het in je lessenserie? Vonden je leerlingen het leuk?

Christ Essens zei op 8 januari 2017 om 12:21 uur

Hallo Hans,
Leuk om te lezen. Is je scriptie ergens en de lessenserie ergens in te zien?

Christ Essens

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: