i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Mill en Sint Hubert
Tags:

Een schoon, ouw Brabantse pastoor: Johannes Baselmans (1837-1914)

vertelde op 6 augustus 2009 om 11:22 uur

Juich St. Hubert, juich en jubel, in een machtig vreugdelied! | Laat uw geestdrift onbedwongen; blijder feestdag was er niet! | Neen, nog nimmer vierd’ ons dorpje luisterrijker feest dan thans; | Nu een zilvren kroon mag sieren, onzen herder Baselmans!

Zo zong de parochie zijn zielenherder toe in 1886 bij gelegenheid van het zilveren pastoorsfeest van Johannes Baselmans, wiens wieg in Meerveldhoven had gestaan, in 1837. Baselmans’ kerkelijke loopbaan begon in 1869 als kapelaan in Uden. In 1881 werd hij benoemd tot pastoor in Sint Hubert. Een inkijkje in zijn karakter krijgen we via de herinneringen van pater Kapucijn Ignotus.

In 1949 vertelde deze pater in het bisdomblad De St. Jansklokken (later met andere stukken van hem gebundeld in het boekje Schoon Brabantse pastoors) over de eerste pastoor bij wie hij assisteerde. Dat was in Sint Hubert.. Begin december 1907 kwam hij te voet uit Velp aan in het dorp, waar Baselmans hem hartelijk ontving. “Ge zult wel muug zijn, paterkelief. Kom bij de kachel en wèrmt oe wa. Dan drinken we een glaske wijn, daor bekomde van”. 

De pater raakte daardoor in verlegenheid, want hij was geheelonthouder. Jammer, vond Baselmans, en bood zijn gast vervolgens onverstoord een boterham met koude haan aan. “Daor lopen hier nog een stuk of vijf haonen in de kooi en die moste deez daoge allemaol opèten. Van end mei of begin juni geeft ons Han me elke daog haon. Ik kan die dingen nie meer zien. De boeren brengen er veul te veul. Ze vrèten me èrm en ons Han slacht ze mar en ik krijg niks aanders.”

Er volgt een genoeglijke avond waar Baselmans – niet geremd door de onthouding van zijn gast – zich te goed doet aan de wijn. Het gesprek verloopt afwisselend in het Brabants en in het Latijn. Baselmans laat zich ontvallen dat hij het niet druk heeft. Als er geen zieken zijn, bestaat zijn dag uit brevieren, wat lezen in de Schrift en het bidden van enkele rozenhoedjes. “Aanders heb ik ook niks te doen, want mijn mensen zijn braaf, veel braver dan ik.”

De pater draait vervolgens een paar dagen mee, onder de hoede van de goedige Baselmans. Hij verbaast zich over de totale scheiding tussen mannen en vrouwen in Sint Hubert. Zelfs als de kerk uitgaat, gaan eerst de vrouwen en meisjes naar huis, pas later gevolgd door de mannen. Volgens Baselmans is dat de “openbare eerbaarheid die ons volk hier nog zo levendig aanvoelt”.

Baselmans is openhartig tegenover zijn jonge gast. “Soms denk ik bij mijn eigen: zou ik er mar nie mee uitscheie mee al da bidden. Want mee mijn rozenhuudjes en mee mijn verstrooidheid bid ik mijn eigen zo diep het vagevuur in.” Maar onmiddellijk voegt hij daaraan toe: “En gij zult me toch wel moeten toegeven dat die verstrooidheidjes geen zonde kunnen zijn. Zeker nie in een nie verplicht gebed. O die kleine, lieve, snoeperige foutjes. Ik zou ze nie willen missen want ze vernederen mij en houden mij klein en ze verheerlijken dus God.”

Als de jonge Kapucijner na een paar dagen weer vertrekt, zegt Baselmans: “Deze grief heb ik tegen jou, da ge men haonen nie allemaol het opgegeten.” Die opmerking zal ongetwijfeld met een knipoog gepaard zijn gegaan. Op een zondagavond in mei 1914 overleed deze geliefde pastoor, nadat hij ’s ochtends nog de Mis had opgedragen. Het Boxmeersch Weekblad deed verslag van zijn uitvaart.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: