skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic

Een ‘wanzedige’ kapelaan

Als een man vrouw en kinderen wil, kan hij maar beter geen kapelaan worden. Dat klinkt logisch, maar Hendrikus Fenneker was er van overtuigd dat deze zaken prima te combineren waren. Fenneker was dan ook een bijzondere man.

De Oeffeltse kapelaan Hendrikus Fenneker wordt in 1818 uit zijn ambt gezet wegens ‘wanzedigheid’. Dat is de officiële omschrijving van het feit, dat Fenneker vrouw en kinderen heeft. Dat hij zijn baan moet opgeven, betekent echter niet dat hij halsoverkop Oeffelt verlaat. Sterker nog, jaren later woont hij nog steeds samen met zijn gezin in de kapelanie. Deze kapelanie was in 1776 gebouwd door het gemeentebestuur om bewoond te worden door ‘waardige geestelijken’.

Door zijn opvallende gedrag valt Fenneker buiten die categorie en de Oeffeltse gemeenteraad gaat er in 1821 dan ook eens goed voor zitten. Hoe krijgen ze de kapelaan zo snel mogelijk dat gebouw uit? De raad klopt aan bij de hogere kerkelijke autoriteiten, maar die hebben niet zomaar een oplossing. De raad wil de pastoor er zelfs niet eens bij betrekken: die heet namelijk Johannes Hendrikus… Fenneker, en is de broer van de kapelaan! De Oeffeltse kapelaan slaagt erin om nog bijna twintig jaar in de kapelanie te blijven wonen. Hoe dat destijds in het dorp is ontvangen of hoe dat voor zijn vrouw en kinderen moet zijn geweest, vertelt het verhaal helaas niet.

Het lijkt er verdacht veel op dat Fenneker in de tussentijd gewoon zijn werk deed, maar dan als een soort gebedsgenezer. In een brief van 1836 aan de deken schrijven Baptist van Hoeck en zijn assistent N. van Hout dat de kapelaan iemand die lijdt aan ‘hartpijn’ behandeld heeft met een maatje olie en een kwart pond zout. De patiënt moest dit op zijn borst smeren, terwijl hij de naam van de Heer uitsprak. Wat hij aan zout overhield, mocht in het bed gestrooid: dan zou de man ‘zéker in negen dagen’ genezen zijn.

De deken van Cuijk schrijft in september 1840 een brief aan de raad waarin staat dat Fenneker bereid is te vertrekken en dat daardoor de functie van kapelaan vacant wordt. Broer pastoor Fenneker stemt in met de benoeming van Peter Jacobus Stammen, voorheen kapelaan in Beugen.

Die benoeming betekent niet het eind van de kwestie. Een half jaar later vindt de raad dat de opbrengst aan vruchten uit de tuin van de kapelanie moet worden verdeeld tussen Fenneker en Stammen. Zo ver komt het niet. De opbrengst van Fennekers deel wordt verkocht en de opbrengst wordt gestoken in de bouwvallige kapelanie.

Het blijft een lastig geslacht, die Fennekers. De pastoor vecht later nog de hoogte van zijn pensioen aan, bakkeleit met de burgemeester over de wijze waarop hij zijn administratie bijhoudt, en wil zijn sleutels (dit keer van een bureaukist) niet overdragen aan zijn opvolger. Gelukkig voor Oeffelt hebben de oude pa en ma Fenneker het bij twee jongens gelaten…

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:

Lees ook deze verhalen

Doe mee en vertel jouw verhaal!