skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman Bhic

Internaat Sparrendaal in Vught

Op het landgoed Sparrendaal, ten zuidwesten van Vught, was vroeger het Missiehuis Sint Franciscus Xaverius gevestigd van de paters Missionarissen van Scheut. Onderdeel van dat complex was een college met internaat, bedoeld voor jongens die ook missionaris wilden worden.


Speelplaats Sparrendaal (foto: collectie Katholiek Documentatie Centrum)

Missie-College van de Scheutisten

De paters van Sparrendaal vormden een missiecongregatie. De bloei van zulke congregaties past helemaal in het plaatje van het zelfverzekerde, missionaire katholicisme van de eerste helft van de twintigste eeuw. De docenten op Sparrendaal hadden dat missieleven echter op moeten geven, of nooit kunnen ervaren. Zij hadden de taak om jongelingen voor te bereiden op het priesterambt en op datgene wat hen na vele studiejaren werd beloofd: missiewerk in verre landen. Dat je vervolgens onderwijzer werd en thuis zou blijven, was overigens geen vrijwillig offer; zulke keuzes werden voor de afgestudeerde paters gemaakt.

Het missiehuis van de Scheutisten was heel idyllisch gelegen, tussen de bossen en met een park, tuin en boerderij. De paters kochten het landgoed in 1899. Het 'Missie-College' en internaat openden in 1930 de deuren. De eerste rector was pater C. de Brouwer. Toen de missie-opleiding van start ging, telde deze drie klassen. In de eerste klas zaten negentien, in de tweede klas veertien en in de derde klas elf studenten. De tweede- en derdeklassers hadden de eerste jaren van hun middelbare opleiding op het juvenaat (de vooropleiding tot kloosterling) in Nijmegen doorlopen. Met ingang van het studiejaar 1933-1934 was voortaan sprake van zes klassen en daarmee een volledig juvenaat. Het leerlingenaantal groeide geleidelijk, naar 116 net na de Tweede Wereldoorlog en tot 123 in het schooljaar 1946-1947.


Klaslokaal Sparrendaal (foto: collectie Katholiek Documentatie Centrum)

De internen kregen een klassieke vorming. Vanaf het begin werd zoveel mogelijk het programma van erkende gymnasia gevolgd (waaronder de klassieke en de moderne talen, algebra, meetkunde, geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkunde, muziek en natuurlijk ook veel godsdienst), zodat leerlingen staatsexamen konden doen en zodoende toegang kregen tot universiteiten en makkelijker elders hun studie konden voortzetten. Degenen die zich aan het staatsexamen zouden wagen, kregen extra lessen buiten de gewone lesuren om.


Zusters deden de huishouding (foto: collectie Katholiek Documentatie Centrum)

Zusters in de huishouding

Het was overigens geen volledige mannelijke aangelegenheid op Sparrendaal. Sinds 1930 waren de Zusters van de Choorstraat in het kloostercomplex te vinden. Zij namen de keuken en de vele huishoudelijke klussen voor hun rekening. Zeven van hen vestigden zich op het landgoed op 23 oktober 1930, twee dagen voor het arriveren van de eerste studenten. De zusters verbleven in een apart huis, rechts van het hoofdgebouw. Zij waren bekend met de Scheutisten, met wie zij sinds 1922 actief waren in de missie in Mongolië. Maar liefst 62 jaar lang zouden zij hun taken op Sparrendaal vervullen. In 1992 hebben zij het landgoed verlaten.

Van Xaveriuscollege naar Maurickcollege

Vanaf 1950 begonnen priesteropleidingen aan bestaansrecht te verliezen. Ze probeerden daarom erkenning te verkrijgen als regulier gymnasium. Zo ging het ook in Sparrendaal. Omdat voor de erkenning voldoende leerlingen nodig waren, werd de doelgroep verbreed. Dat begon in 1958, met het openstellen van de school voor externen (leerlingen die thuis bleven wonen). Datzelfde jaar werd de schoolnaam veranderd in Xaveriuscollege. In 1959 fuseerde dit college met de priesteropleiding van de Missionarissen van de H. Familie te Kaatsheuvel (deze paters bouwden op Sparrendaal het genoemde internaat De Steffenberg). In 1960 kreeg het Xaveriuscollege ministeriële erkenning als regulier gymnasium. In 1968, met het ingaan van de Mammoetwet, werd dit gymnasium een havo en vwo. En in 1970 ging deze school, samen met de mavo- en havo-opleiding van de zusters van Regina Coeli (toen inmiddels Eikenheuvel geheten), op in het Maurickcollege.

Ondertussen daalde het aantal priesterroepingen verder, tot op het punt dat de missionarissenopleiding in 1970 de deuren moest sluiten. Dat jaar werd een groot afscheidsfeest georganiseerd. In 1971 ging internaat De Steffenberg dicht.


Wasruimte Sparrendaal (foto: collectie Katholiek Documentatie Centrum)

Verschillende ervaringen

Oud-leerlingen van het internaat herinneren zich onder andere de mooie wandelomgeving en het natuurbad. Maar bijvoorbeeld ook de kapel uit 1931. Deze verbond de voorbouw (waar de paters hun eigen kamers hadden) met de achterbouw van het Missiecollege (klaslokalen, refter, studie-, slaap- en recreatiezaal). Een andere oud-leerling herinnert zich juist de strenge prefect, die ook wel streng moest zijn omdat de man in zijn eentje, de hele dag door, plusminus driehonderd pubers onder de duim moest houden.

Weer een andere oud-leerling herinnert zich hoe ongelukkig hij was op de kostschool, ook al was het zijn eigen keuze om naar Sparrendaal te gaan. Je had nu eenmaal roeping. Gaf je daaraan gehoor, dan bracht je offers. Contact met het thuisfront had je tijdens je studie maar heel mondjesmaat. Naar huis bellen mocht niet zomaar. Potjes voetbal behoorden tot de vrijetijdsbestedingen die in het internaat voor welkome afwisseling zorgden, naast alle nadruk op regelmaat, hiërarchie, godsdienst en tucht. Ook zijn er mannen die, terugkijkend op hun kostschoolverblijf op Sparrendaal, de fijne en open sfeer tussen de leerlingen en de docenten vooropstellen.

Kortom, net als bij andere kostscholen wordt ook het leven op Sparrendaal achteraf heel verschillend gewaardeerd. Hoe heb jij jouw verblijf ervaren? Reageer hieronder, deel het met ons en vul deze pagina aan! Foto's zijn ook van harte welkom. Stuur ze naar info@bhic.nl en we voegen ze hier toe.

Bron

Frans Jansen, ‘De paters van Sparrendaal in Vught. De eerste vijftig jaar (1899-1949), in: Vught zicht op vroeger, Vughtse historische reeks (Vught 1997) 86-106.

______________________

Giel van Hoof stuurde ons deze foto's van Sparrendaal in de jaren zestig:

Een gelegenheidselftal voor de entree van de apart staande houtbouw met kleine aparte (slaap)kamertjes voor de internen. (Foto toegestuurd door Giel van Hooff)
Een gelegenheidselftal voor de entree van de apart staande houtbouw met kleine aparte (slaap)kamertjes voor de internen.



De Scheutisten hadden hun propaganda en wervingsorganisatie goed geregeld. Deze was ondergebracht in het nu nog bestaande landhuis, waar stapels lectuur lag zoals Han Sjen Foe, een jeugdverhaal over de Boxeropstand. De aspirant-seminaristen mochten een weekend kennismaken en kregen ter herinnering een groepsfoto nagezonden. Deze foto uit 1964 heb ik braaf al die jaren bewaard, een best grote groep waarvan een behoorlijk deel ik later als mede-interne zou meemaken.

Reacties (19)

giel van hooff zei op 21 maart 2019 om 23:40
Ook ik meende roeping te hebben en wilde de arme zwartjes helpen (niet persé bekeren), Peerke Donders achterna. De propagandamachine van de Scheutisten was het meest effectief, in ieder geval in mijn geval. Alleen vond ik het wel vreemd dat de propagandapater bij ons thuis kwam voorrijden in een zwarte Mercedes (tenminste dat staat mij bij). Maar ik was zeker niet de enige in 1962: je mocht als aspirant een weekend een groepsbezoek brengen en dat was een aardig clubje toen nog. Er was een vrij nieuw complex met slaapkamertjes, een soort houten noodgebouw. De prefect, Buf, had er inderdaad de wind onder en schuwde fysiek geweld niet. Was soms wellicht wel nodig..
Christian van der Ven
Christian van der Ven bhic zei op 22 maart 2019 om 09:09
Beste Giel, bedankt voor je reactie. Ik lees tussen de regels door dat het van missiewerk nooit meer gekomen is. En dat je na dat eerste groepsbezoek als aspirant nooit meer terug bent geweest op het internaat, of lees ik dat verkeerd?
giel van hooff zei op 22 maart 2019 om 16:08
Nee, het verhaal is nog lang niet af, maar dan moet ik er wel eens goed voor gaan zitten: 4 jaar internaat, dan valt er genoeg te vertellen. Het waren wel tijden van verandering, ook de paters wisten er niet allen raad mee. Liturgievernieuwing: we (hadden inspraak!, tenminste een werkgroepje) lieten de celebrant van alle kanten opkomen en weggaan, teksten werden Nederlands enz. Gezagsverhoudingen veranderden, in het internenblad was al meer van de wereld van buiten te lezen. De paters kozen inderdaad niet vrijwillig voor het docentschap of een toezichtsfunctie, het waren voor hen vaak tropenjaren in andere zin dan bedoeld: probeer die jong maar in het gareel te houden en nuttig en goed bezig te houden. Op school was er dus de verderfelijke invloed van de externen, in de regel Vughtse kak die wel wat neerkeken op ons, deels 'boertjes'. Maar ze (sommigen da n) brachten wel de top-40 mee (muziek was ook voor ons belangrijk). Na 4 jaar kwam een (onverwacht) einde aan mijn carriere. Mij n vader (die gezien zijn inkomen een aardige bijdrage aan kostgeld betaalde, dus daar lag het niet aan) werd in de zomervakantie bij de rector verzocht: men (in ieder geval de meerderheid) wilde van mij af. Tussen klas 4 en 5-6 lag een scheidslijn: de Cour (1t/m4) e n het Kot, met een eigen recreatieruimte, beter eten (tenminste dat dachten wij) en andere voorrechten als kranten e.d. Zij waren voorbestemd voor het groot seminarie. Het lot (of de heer) wilde dat ik daar toch nog terecht ben gekomen: als geschiedenisstudent in NIjmegen waren we enige jaren gehuisvest in het Hamerhuis, genoemd naar een van de eerste Nederlandse missionarissen, een Nimwegenaar, een van de martelaren van de Scheutisten. Interessant om later te ontdekken dat hij daar tijdens de Boxeropstand aardig in de steek is gelaten door zijn orde-oversten die toch min of meer een verlengstuk waren van het koloniaal 'beschavingsoffensief' en zeker wat betreft de Belgische tak onderdeel waren van koning Leopold's kwaadaardige kolonisatie. Maar de paters op Sparrendaal waren verder in grote meerderheid oké.
Marilou Nillesen
Marilou Nillesen bhic zei op 24 maart 2019 om 17:18
Bedankt voor je nadere toelichting, Giel. Het moet ook wel bijzonder zijn geweest, om daar zelf getuige van te zijn; van heel dat veranderde tijdsgewricht. Welke muziek staat voor jou symbool voor die tijd? En waarom wilde de rector van je af, werd je vader dat ook verteld?
giel van hooff zei op 24 maart 2019 om 20:02
Goede vragen. De eerste is gemakkelijk te beantwoorden: het muziekbewuste, hippe (ja, ook wij letten op onze kleding: wijde pijpenbroeken enzo) deel was min of meer verdeeld in twee kampen: de Stones<>Beatles. De iets ruigere types (ahum) behoorden natuurlijk tot het Stones-kamp. En dat brengt mij meteen bij een van de reden waarom de leiding blijkbaar het mij niet zag zitten. Ik was als een van de vierdeklassers aangesteld als douchemeester, dwz 1x p/week moest ik toezicht houden op het douchegebeuren en de kranen bedienen van de groep die die bewuste avond mocht/moest douchen. Mijn carriere was na enkele weken voorbij: de controlerende pater trad binnen terwijl de groep (wel nog (of al weer) netjes aangekleed) luidkeels achter mij aan Statisfaction (of een ander lied, ik weet het niet) liep te bleren, waarbij ik met een roede met een oud douchegordijn triomfantelijk vooropliep. Enkele weken later maakten we het voor de hele groep internenm nog bonter: 't Cour mocht Sinterklaas (en daarmee een beetje de baas) spelen en wij van de vierde hadden er wel genoeg van. Een eigen Sint was geboren. Hoe we aan onze uitmonstering kwamen: ook dat heb ik verdrongen, wel meen ik dat onze staven elkaar gekruist hebben. Met zo'n acties maak je je bij de leiding niet direct geliefd. Afijn, ik meen dat mijn vader nog wel te horen kreeg dat ik niet zozeer een slecht persoon was, maar dat ze ernstig twijfelden aan mijn godsdienstzin en roeping. Mijn bijdragen aan het internenblad hielpen daarbij ook niet. Toespelingen op vrouwen, tja...
Marilou Nillesen
Marilou Nillesen bhic zei op 25 maart 2019 om 19:14
Haha, dat beeld van een groep jongens die zo Satisfaction zingt (laten we het maar op dat lied houden; goed ook voor de akoestiek ;) wordt hier wel heel beeldend tot leven geroepen. Dat, in combinatie met een eigen Sint en toespelingen in het internenblad... vind je zelf ook dat destijds de juiste keuze is genomen?

In ieder geval hartelijk dank voor je blijmoedige bijdrage, Giel.
Theo Aben zei op 4 mei 2019 om 10:16
Ter hoogte van uitspanning “In ‘t Groene Woud” wil ik op het knopje drukken. Ach, niet nodig, het rode lichtje in de bus brandt al, want de volgende halte is voor al die studenten die in Den Bosch zijn ingestapt.
We steken de weg naar Tilburg over en beginnen aan de lange oprijlaan richting Sparrendaal. In de verte blinkt de bruine deur van de hoofdingang ons toe.
Het is stil, heel stil tijdens de tocht die ook langs de wat onduidelijke boerderij loopt. Vrijwel iedereen zwijgt en concentreert zich zogenaamd op z’n zware bagage.
Koos, de portier heet ons welkom en wijst ons waar we moeten zijn. Dat weten we al, Koos.
De deur valt achter ons met een smak in het slot. Gelijk is daar weer het gevoel van: achter die deur ligt de echte wereld, daar wordt geleefd. De komende twee maanden zijn we van die wereld afgesloten!
Door de lange gang naar de achterkant van het gebouw waar de prefect (Buf) domicilie heeft.
Hij noteert onze aanwezigheid. Hij, wiens humeur het komende trimester weer allesbepalend zal zijn voor ons doen en laten.
Koffer naar de slaapkamer, uitpakken en het eerste gevoel van heimwee ervaren.
In de recreatiezaal kijken we elkaar wat onwennig aan en blijft de omgang bleekjes.
Heel stilletjes naar de kapel voor het avondgebed en nog stiller in colonne naar het slaapgedeelte.
In bed wordt het moeilijk, wat is thuis ver weg…..
Als er enkele dagen verstreken zijn, trekt de heimwee weg, dat weet je ondertussen.
Het gevoel van buiten het leven staan overvalt je opnieuw als het vakantie wordt.
De oprijlaan is nu de weg naar de vrijheid en de drukte op station Den Bosch is een overweldigend
teken van leven.

In de eerste klas starten we met honderd, 4 groepen.
Het aantal klasgenoten wordt allengs minder. Studiegenoten zijn plotseling weg of komen na een vakantie niet meer terug. Het dunt uit en na het eerste jaar wordt er al een klas minder geformeerd.
Over het waarom van het verdwijnen van je klasgenoten horen we nooit iets.
De opleiding is een hele klus, voor mij vooral Grieks, Latijn en wiskunde. Begeleiding is er nog niet, alleen veel studieuren.
Een krant is er niet, wel de opkomst van de televisie, zodat we, als hij goeie zin heeft, naar het journaal kunnen kijken. Daarna nog even vrij om te biljarten, tafeltennissen of lezen.
Iedere dag wordt afgesloten met een gezamenlijk avondgebed in de kapel.
Ja, het avondgebed: op 22 november 1963 stiefelt de rector (bijnaam Izegrim)) naar voren en zegt: “Laten we ook bidden voor president Kennedy die vandaag vermoord is”.
Hij stapt de twee treden van het altaar af en sukkelt zonder op of om te zien de kapel uit.
Wij blijven stomverbaasd achter. Moeten trouwens toch extra bidden!

Buiten zijn we graag. Stoeien, wandelen, klieren en wachten op het fluitje van de prefect als er weer iemand iets verkeerds doet. Dat fluitje klonk regelmatig, tot ergernis van één van ons:
“Wat is er nou weer?” Die mag dus naar binnen.
Rondjes lopen om het eerste, kleine voetbalveld en zondags ook door het bos.
Wij willen wel wat verder en stappen buiten het bos. Tot onze verrassing komen we in het dorp Esch uit en ontdekken dat het cafetaria open is. Wel vlot terug, want anders missen ze ons in de studiezaal.
We horen dat “In ’t Groene Woud” ook bezocht wordt door jongens van Sparrendaal, heimelijk.
Die veel snoep hebben, zijn daar geweest.

Gebouwelijk verandert er ook een en ander. Er worden barakken gebouwd met voor ieder een eigen kamer met wastafel. De stiltewandeling na het avondgebed gaat nu door de buitenlucht van kapel naar bed. De chambrettes op de oude, grote slaapzaal worden verwijderd, die tegen muur blijven nog even. Dus ontstaat er een grote open ruimte, een voetbalveld. Wij maken er gebruik van. Betrapt en Buf leeft zich weer uit met rake klappen.
Het wordt ondertussen wel wat vrijer. We mogen ook, onder begeleiding, buiten het gebouw treden en bijvoorbeeld een toneelvoorstelling in Vugt bijwonen.
Het vrijer worden komt ook door de komst van de externen, zij zijn losjes en vinden het maar benauwd wat ze van ons horen over het leven na de lessen.
Andersom komt ook voor: een aantal jongens verblijft op Sparrendaal en volgt een opleiding in Vught. In mijn laatste jaar leen ik een fiets van Peer Coolen uit Nuenen en peddel ik op vrijdag van Vught naar Wanroij .Wat een vrijheid en wat is er plotseling veel mogelijk. Zondag terug, mijn zussen fietsen een stuk mee en vinden mij zielig. Dat vind ik zelf eigenlijk ook wel!
Sport wordt uitgebreid en we voetballen een keer tegen Beekvliet uit Sint Michielsgestel.
Muziekavonden en toneel van het KOT (oudste leerjaren, waaronder mijn neef Henk) zijn bijzonder gezellig.
Na drie jaar, het wordt zomervakantie, komen mijn ouders me ophalen. “Ik wil niet meer terug, echt niet”.
Mijn ouders dringen niet aan. Even bij Izegrim langs en weg ben ik. Mijn neef was al eerder vertrokken.
Het gebouw is weg, de herinneringen niet.
Zeker niet als je achter het bos inloopt en bij het kerkhof komt. De namen op de zerken roepen meteen het beeld van de paters/leraren op.

Ik trok in de jaren 1962 - 1965 vooral op met Joost van Iersel (Rosmalen), Kees van Heist (Wouwse Plantage) en Cor van den Akker (Heesch).



Theo Aben


Thijs de Leeuw
Thijs de Leeuw bhic zei op 22 mei 2019 om 15:18
Prachtig verteld, Theo. Misschien heb ik het mis, maar je lijkt dat ook met het grootste gemak te doen : ) En dat terwijl het volgens mij toch niet gemakkelijk is om zo'n groot en belangrijk deel van je jeugd op zo'n manier samen te vatten. Mooi, bijvoorbeeld, wat je vertelt over het geleidelijk aan vrijere klimaat in de jaren zestig, de komst van de "lossere" externen en wat dat voor jullie betekende.

Als ik tussen de regels doorlees proef ik eigenlijk vanalles, een vleugje weemoed, een beetje verwondering (achteraf), en zeker ook afkeuring... of hoe je het ook wilt noemen.. Het zit er allemaal in. En dat zal het voor veel mensen ook wel zijn, denk ik.

Bedankt dat je dit wilde delen.
Thijs de Leeuw
Thijs de Leeuw bhic zei op 4 juli 2019 om 14:47
@Giel van Hooff: zoals je ziet heb ik de twee mooie groepsfoto's die je me stuurde inmiddels toegevoegd. Nogmaals dank!
Tom Groot zei op 30 juni 2020 om 17:25
3. Seminarium Sparrendaal
Priester willen worden en vervolgens ook daadwerkelijk die weg inslaan zijn twee dingen die niet zomaar automatisch op elkaar volgen. Ten eerste moest je in die tijd (voor de Cito-toets e.d.) toelatingsexamens doen, zeker als je naar een gymnasium wilde. En dat was het type school waar je naar toe moest als je priester wilde worden. Niemand uit onze kringen ging naar het gymnasium, dat was meer iets voor de wat meer gegoede stand. Maar als je priester wilde worden moest je. En gezien het laatste jaar met gebrekkig onderwijs op de lagere school was de kans dat ik zou slagen voor een toelatingsexamen voor een gymnasium nihil.
Om een of andere reden deed ik twee toelatingsexamens, een voor een klein seminarium in Bergen op Zoom en een in Vught, en faalde voor beiden spectaculair!
Voor dat seminarium in Bergen op Zoom kwam me dat niet slecht uit, want de sfeer daar beviel me matig. Grote statige gebouwen, slaapzalen met door gordijnen afgesloten kleine kamertjes en in het algemeen niet echt op kinderen afgestemde omgeving. Hoe anders was het in Vught: een groot landgoed met veel sportfaciliteiten, bossen, een bosvennetje als zwembad en allemaal een eigen slaapkamertje met privacy! Maar ja, ook hier faalde ik spectaculair voor het toelatingsexamen. Maar die ronselpater bleek te horen bij de orde die dat seminarium runde en om een of andere reden heeft hij zich ingespannen om “het met mij te proberen”. Zo zie je maar hoe je leven wordt bepaald door toevalligheden: hoe anders zou mijn leven misschien zijn verlopen als hij dat niet had gedaan…

Een ander probleem was: wie gaat deze opleiding tot priester betalen? Zoals gezegd, hadden wij het niet breed thuis met een gezin met 8 kinderen en het inkomen van mijn vader. Ik heb daar toen helemaal niet bij stilgestaan, maar er moest substantieel worden bijgedragen aan de kosten van mijn verblijf op dat internaat. Kost en inwoning, kosten van de school, kleding, etc: ik heb later begrepen dat mijn hele familie fors in de buidel heeft moeten tasten voor de “eer” om een familielid op te laten leiden voor priester. Ik wist toen van niets en vond het allang best: ik ging het huis uit voor een doel waar ik toen heilig in geloofde.

Vanaf het allereerste begin heb ik mij op Sparrendaal als een vis in water gevoeld. Heb nooit thuis gemist, was misschien ook wel opgelucht dat ik dat ontvlucht was. School vond ik tot ieders verbazing niet al te moeilijk, ik slaagde zonder al teveel problemen voor elk van de 4 jaar dat ik daar heb gezeten. Na de eerste 2 jaar die voor de α- en β-kant hetzelfde waren, werd mij zelfs geadviseerd de β-kant te gaan doen, wat in die tijd zeker de zwaarste middelbare schoolopleiding was.

Er zaten in de beginjaren zo’n 600 jongens op dat internaat en ik had al snel mijn plek gevonden. Sporten was mijn ding, vooral voetballen deden we bijna altijd. Er waren 4 voetbalvelden waar meerder keren per week interne competitiewedstrijden werden gespeeld. Toen ik wat steviger werd in de pubertijd heb ik daar de bijnaam “Stier” opgelopen die te maken had met mijn stijl van voetballen. Ik denk niet dat het als compliment werd bedoeld! Wat ik toen en ook later heb ondervonden is dat als je goed was in sport je automatisch een soort basis respect binnen de groep kreeg.
Toen ik in die tijd ook eens per ongeluk een klasgenoot bewusteloos had geslagen door hem een enthousiaste klap op zijn rug te geven en een keer een deur uit zijn sponningen had gelopen toen ik door een gang rende en iemand die deur net opende toen ik langs kwam, grepen de paters in. Ik heb een lang gesprek gehad met een wijze oude pater die het uiteindelijk verstandig leek om mijn overmaat aan energie op een of andere manier te beteugelen. Ik kreeg de verantwoordelijkheid over de gigantische humushoop van dode bladeren die door de tuinlieden op een open plek in het bos was verzameld. Die humushoop moest continue worden omgeschept en worden vermengd met ongebluste kalk en dat werd mijn taak als ik niet op school zat, studeerde of sportte. Ik heb dat jaren fanatiek gedaan en vond dat normaal…

Het internaat had geen wasfaciliteiten voor kleding zodat we periodiek onze vuile was in een plunjebaal met van Gent & Loos naar huis moesten sturen om weer schone kleren te krijgen. Ook was er maar een centrale douchegelegenheid met een stuk of 20 douches waardoor je gemiddeld eens per week een minuut of 10 mocht douchen. Verder waren we aangewezen op de wasbak in onze kamertjes, ook na sportwedstrijden. Ook hier was hygiëne duidelijk geen prioriteit! Maar ik was van huis uit niet veel anders gewend dus dat was niet nieuw.

We gingen weinig naar huis, al was het alleen al vanwege de kosten. Ik herinner me dat een enkeltje Den Bosch-Purmerend met de trein toen het astronomische bedrag van F5,90 kostte en dat had ik vaak gewoon niet. Had ook helemaal geen behoefte om naar huis te gaan, het was veel te leuk op Sparrendaal.
Ik kwam er in die jaren ook achter dat ik goed was in atletiek. Niet zozeer de technische nummers zoals speerwerpen of kogelstoten, maar meer de loopnummers, verspringen en hoogspringen. Met name hardlopen was voor mij een openbaring: ik had iemand uit een hogere klas weken fanatiek zien trainen voor een hardloopwedstrijd en besloot daar ook aan mee te doen zonder ook maar een minuut te hebben getraind. In de wedstrijd bleef ik in zijn buurt totdat we uit het bos in het zicht van de toeschouwers kwamen, waarna ik hem vernietigend versloeg zonder daar veel moeite voor te hoeven doen…

We mochten van de paters alleen pijp en sigaren roken (we waren 12-18 jaar!), want sigaretten waren “van de duivel”. Overigens rookten ze zelf wel sigaretten! Bij wijze van hoge uitzondering mochten we soms ’s-avonds een sigaret opsteken met speciale toestemming van de prefect die de dienst uitmaakte in ons dagelijks leven. Uiteraard rookten we de hele dag sigaretten op allerlei stiekeme plaatsen met het constante gevaar van betrapt te worden. Lijfstraffen waren in die tijd ook nog steeds normaal. Ik droeg een bril en als een pater mij vriendelijk doch dringend verzocht die even af te zetten, wist ik al dat er weer een draai om mijn oren aan zat te komen. Kapot slaan van brillen was kostbaar! De prefect (streng maar rechtvaardig) had in de loop van jaren ook de techniek geperfectioneerd om je onverwachts een knietje in de zijkant van je dijbeen te geven wat bijzonder pijn deed. Het bleef een kwestie van geven en nemen. Gelukkig had hij ook een groot gevoel voor humor zodat je af en toe best met hem kon lachen.

Het was ons toegestaan om op vrije middagen te gaan “wandelen”. Met speciale toestemming van de prefect mocht je dan van het terrein af. In de onmiddellijke omgeving van Sparrendaal had je het natuurgebied “De IJzeren Man” en de Drunense Duinen. Cromvoirt en Helvoirt waren interessante dorpen met cafés. Kortom volop gelegenheid om eens flink uit de band te springen. Niet ver van de uitgang van Sparrendaal bevond zich café “Mieke”, een favoriete kroeg waar menig seminarist heeft leren bier drinken. Het was een ouderwets café met zand op de vloer en een gemoedelijke sfeer waar iedereen het bruine dafje kende waarmee de paters surveilleerde om te controleren dat we niet ten onder gingen aan de geneugten van de boze buitenwereld. Als dat dafje werd gespot werd er direct actie ondernomen om te voorkomen dat we betrapt werden: er is bij mijn weten nooit een seminarist in café “Mieke” betrapt door een surveillerende pater.

Vrouwen en meisjes zagen we nauwelijks, dat zou alleen maar afgeleid hebben. Soms kreeg iemand wel eens bezoek van zijn familie en als er dan een zus mee was gekomen werden we allemaal heel onrustig… Er was naar mijn weten maar een vrouwelijk personeelslid op het hele landgoed Sparrendaal aanwezig, de nonnetjes uiteraard niet meegerekend (die tellen niet). De secretaresse van de Administrateur was in de 20, aantrekkelijk om naar te kijken en de enige vrouw in onze gemeenschap van verder alleen maar mannen en jongens. Ik heb mij later wel eens af gevraagd wat zij daar zelf van vond, ze moet toch gemerkt hebben dat alles stopte als zij voorbij kwam. Misschien heeft ze er ook van genoten…

Dat de sociale controle groot was heb ik aan den lijve ondervonden tijdens een van de zomervakanties die we uiteraard thuis doorbrachten. Zoals ik gewend was brachten we toen ook onze vakantie door in het zwembad. Op een dag werd mij door mijn vader verteld dat ik me bij de pastoor moest melden. Daar aangekomen werd mij duidelijk te verstaan gegeven dat wat ik in het zwembad had gedaan absoluut niet meer kon: vrij lang praten met een meisje dat ik nog van vroeger kende. Je zou je nu hardop afvragen, waar bemoei je je mee, maar toen zij je ja en amen en vond dat normaal. Toen ik wat ouder was heb ik nog een keer met vrienden van de lagere school waar ik contact mee had gehouden een zomervakantie kamperend in Schoorl doorgebracht. Ik zat toen nog op het Seminarium maar heb toen toch op een avond met een meisje uit Schellingwoude in een tentje de verschillen tussen jongens en meisjes onderzocht. Ik heb mijn moeder in die tijd ook al eens horen zeggen: “als hij priester wordt, wordt ik dominee”. Zij kende mij blijkbaar heel goed…

De dagindeling op het Seminarium was strak en gedisciplineerd. Vroeg opstaan, naar de kapel voor ochtendgebed en mis. Ontbijten, waar niet veel tijd voor werd uitgetrokken en dan naar school. Ook voor middageten kreeg je niet al teveel tijd: in die periode heb ik leren “systeem schaften”! In de middag 2 studieperiodes in een grote studiezaal met allemaal lessenaars waar we allemaal onze eigen plaats hadden. Tussen de 2 studieperiodes naar de kapel voor een middaggebed. Avondeten en nog een studieperiode, daarna vrij tot 22:00 uur, waarna we na het avondgebed naar bed gingen. In dat regiem heb ik leren studeren, waar ik later veel aan gehad heb. In de kapel heb ik meerdere keren het Oude en Nieuwe Testament van voor naar achter doorgelezen, wat geen straf was want er staan best wel spannende verhalen in.
In de laatste studieperiode mocht je een boek gaan lezen als je studieresultaten goed genoeg waren. Ik kan me nog herinneren dat ik daar ademloos de streekromans van Toon Kortooms (vooral Beekman en Beekman vond ik briljant), boeken van Karl May (waarin de avonturen van Old Shatterhand werden beschreven) en de boeken over Arendsoog en Pim Pandoer heb uitgelezen. Als je studieresultaten ver genoeg onder de maat waren werd je ingedeeld in de studieklas, wat betekende dat je de weinige vrije tijd die je had mocht inleveren om onder leiding van een pater de lesstof nog eens door te nemen.

Zondag was de enige dag dat je echt vrij had, op de kerkgang na natuurlijk. Veel voetballen en elke zondagavond film in de grote studiezaal. En lang niet altijd alleen maar stichtelijke films zoals bijvoorbeeld “De 10 Geboden”. Ik heb daar alle films van Ingmar Bergman gezien, veel films van Fernandel (Don Camillo, maar ook die film waarin hij in gezelschap van een koe door bezet Frankrijk trekt) en van Louis de Funes. Ik denk dat de pater die verantwoordelijk was voor de filmkeuze een echte liefhebber was. Ik herinner me ook een curieuze franse film genaamd “De knopenoorlog” (Google die maar eens!), waarin tot de schrik van de achter in de zaal aanwezige nonnetjes een heleboel naakte jongetjes voorkwamen. Ik heb er in ieder geval mijn liefde voor films aan overgehouden.

Een van de dingen die mij apart zette van vele andere jongens op het internaat was mijn accent. Er waren heel veel jongens uit de zuidelijke provincies die zangerig en met een zachte g spraken. Er waren wel jongens uit de Randstad maar de meeste spraken redelijk ABN. Van de Westfriezen had ik het zwaarste Amsterdamse accent, in ieder geval volgens sommige docenten. Niet dat ze daar iets aan wilde veranderen, verre van dat. Ik mocht op zaterdagochtend als we allemaal (inclusief docent) geen zin hadden in les, tot veel plezier van iedereen voorlezen uit het boek “Wat zien ik” van Albert Mol op voorwaarde dat ik dat met zo’n zwaar mogelijk Amsterdams accent deed!

Eens in de zoveel tijd hadden we een culturele avond. Dan speelde een orkest (met mij als klarinettist) een klassiek stuk, er was een zangkoor (die tijd had ik gehad), iemand speelde een stuk op gitaar of blokfluit en het hoogtepunt was cabaret of een of ander toneelstuk waar we weken voor hadden geoefend. Aan dat cabaret en die toneelstukken deed ik altijd mee, al was het alleen maar omdat we na de uitvoering voor eigen publiek ook altijd een uitvoering deden op Regina Coeli, wat in die tijd een kostschool voor meisjes was (nu een Taleninstituut). Ik kan mij ook herinneren dat wij in de laatste jaren van mijn verblijf op dat Seminarium ’s-nachts wel eens op pad gingen om Regina Coeli en de bewoners daarvan wat beter te leren kennen, maar we zijn er nooit in geslaagd er binnen te komen. Bij jongensinternaten was het makkelijker in- en uit te breken dan bij meisjesinternaten!
Dat ’s-nachts op pad gaan was overigens heel link: als je werd betrapt mocht je gelijk vertrekken. Rond de tijd van de Tilburgse Kermis was het dan ook elk jaar raak, de jongens werden meestal betrapt als ze terugkwamen waarschijnlijk omdat ze dan veel meer lawaai maakten dan op de heenweg… Ik ben overigens nooit gegrepen.


Na 4 jaar Seminarium had ik het wel gezien en met mij vele anderen. In 1968 heb ik met lood in mijn schoenen tegen mijn vader gezegd dat ik het toch niet meer zo zag zitten. Tot mijn verbazing en opluchting maakte hij er, in ieder geval tegenover mij, geen punt van. Dat was belangrijk, want mijn vader teleurstellen was het allerlaatste dat ik wilde.
Het fenomeen klein Seminarium heeft het daarna niet lang meer overleefd: korte tijd nadat ik van Sparrendaal ben weggegaan is het gesloten bij gebrek aan belangstelling, zoals overal elders in het land ook alle internaten voor priesteropleidingen werden opgedoekt. Gezien de tijdgeest nog een wonder dat ze zolang bestaan hebben!
Thijs de Leeuw
Thijs de Leeuw bhic zei op 14 juli 2020 om 17:52
Beste Tom, veel dank voor je indrukwekkende bijdrage, zo krijgen we ze niet vaak binnen. Met plezier gelezen. Je zou over je kostschooltijd een boek kunnen schrijven denk ik en misschien heb je dat ook al wel gedaan : )
Alle zo tezamen schets je een mooi tijdsbeeld en ook de (mannen)cultuur op zo'n internaat. Grappig hoe de paters jou, als “de stier”, al snel wisten te “temmen” door middel van de humushoop. En sigaren en pijp mogen roken mocht dus, maar sigaretten haast zondig… waren die dan te modieus? En het kon er dus ook best hardhandig aan toegaan lees ik, van het rake knietje van de prefect tot een andere leerling per ongeluk bewusteloos slaan.. Het bier leren drinken in café Mieke...
Een leuke tijd gehad, schrijf je, maar uiteindelijk tóch geen priester geworden en je was dus zeker niet de enige.
Ik ben dan wel nieuwsgierig naar de redenen die jullie daar zoal voor hadden, om toch leek te blijven. Wat gaf daarin nou de doorslag? Die twijfel was er aan het begin dus nog niet, waar je schrijft "Ik ging het huis uit voor een doel waar ik toen heilig in geloofde."

Graag tot ziens op de site en nogmaals dank.
giel van hooff zei op 18 juli 2020 om 09:38
Ha leuk een bericht van een jaargenoot die dus op de elftalfoto staat, als ik mij goed herinner: uiteraard degene midden achter die de beker vasthoudt. En omdat we in alfabetische volgorde per jaar aan de tafels in de refter waren geplaatst was Tom ook enige tijd mijn tafelgenoot. Interessant zijn zijn aanvullingen; een goed geheugen, andere ervaringen. Van dat roken wist ik inderdaad niet (de prefect Buf pafte er lustig op los, sigaretten of shag), maar daaraan heb ik mij amper 'bezondigd', het/de sigaret smaakte mij niet. De kosten voor de kostschool: dat is voor mij een openbaring. Over de bedrijfsvoering van de internaten is bij mijn weten weinig bekend, dat was natuurlijk een behoorlijke financiele zorg en last, ondanks het goedkope personeel als de zusters als kookhulpen. Ik begreep van mijn vader dat de ouderlijke bijdrage naar draaglast was. De eerste herfstvakantie dat hij mij terugbracht (hoe dichter bij Sparrendaal hoe stiller ik werd) sprak hij een vader die drie zonen tegelijk kwam afleveren. Op zijn verbaasde vraag of die alle drie priester wilden worden kreeg hij van deze Brabantse boer het nuchtere antwoord: Welnee, maar ze zitten hier goedkoop en krijgen een goede opleiding. Ik vrees dat het rendement van de internaten voor veel ordes tegenviel: de investeringskosten per pater die wel de eindstreep haalde: moet een aardig bedrag zijn geweest. Volgens mijn oom, lekenonderwijzer bij het Willibrordgymnasium van de SVD te Deurne, heeft geen enkele intern de eindstreep gehaald.
Mbt roeping: de jaren zestig waren een kantelmoment, waarin de bestaande religieuzen het ook moeilijk hadden. Vrijheid & vrouwen lonkten ook voor de paters Scheut. Pater Holla was ineens 'verdwenen', het verhaal ging dat hij in Den Bosch (een religieuze plaats, dat wel) hokte. De paters probeerden wel het kaf van het koren te scheiden en dat gebeurde onder meer bij de overgang van Cour (klas 1-4) naar Kot (5-6). Ik kwam niet door de selectie, ondanks dat mijn ouders gezien hun inkomen een redelijke bijdrage leverden. Dus niet alleen financieel rendement. Mijn vader is nog bij de rector geweest om de nadere motivatie te vernemen, er vond blijkbaar een soort stemming plaats. En ik ben nog in het toen volgende nieuwe schooljaar een keer onaangekondigd 'aangefietst': die jongen uit Heinkenszand (Peter ..., ook zo'n mooi accent): had mijn kaart niet gekregen... En ik werd het terrein min of meer afgekeken. Toch een interessante (leer)tijd
Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman bhic zei op 20 juli 2020 om 10:27
Dank voor je bericht Giel, wat leuk om te lezen dat jij vooral dankzij de bijdrage van jouw jaargenoot Tom zo veel nieuwe informatie hebt kunnen krijgen. Ook mooi om over het rendement te lezen, dat moet de paters inderdaad toch wel enigszins zijn tegengevallen. En mag ik vragen waar jouw weg naar toe geleid heeft, na het internaat?
Tom Groot zei op 20 juli 2020 om 12:40
Terugkerende vraag op deze site is waarom we er uiteindelijk besloten om niet door te gaan. Voor mij was de belangrijkste reden dat een besluit dat je op je 12de neemt toch maar een beperkte houdbaarheid blijkt te hebben. Het werd zeker niet ingegeven door een afkeer van het internaatsleven op Sparrendaal zoals moge blijken uit mijn enthousiaste beschrijving van herinneringen. Waarschijnlijk is de wens om priester te worden ook een beetje ingegeven door het conservatieve katholieke milieu in de 60-er jaren, waarin het toch redelijk gebruikelijk was minimaal een lid van grote katholieke gezinnen die keus zou maken. En zoals Giel ook al opmerkte was er in de loop van de 60-er jaren een maatschappelijk omslagpunt, waar de redelijk snelle teloorgang van alle klein seminaries in Nederland een onvermijdelijk gevolg van is geworden.
Met mij is het toch nog goed gekomen: ik heb met veel plezier 36 jaar bij de Koninklijke Marine gewerkt en daar een prima en interessante carrière doorlopen.
Thijs de Leeuw
Thijs de Leeuw bhic zei op 20 juli 2020 om 12:44
@Tom: bedankt dat je dat besluit nog wilde toelichten!
giel van hooff zei op 21 juli 2020 om 08:25
@ Tom: marineman, dat past wel bij jou. Maar toch ook een beetje bij de missieordes als Scheut. De eerste missionarissen waren pioniers en vuurvreters die 'hun mannetje stonden'. Tenminste, dat dacht ik en dat avontuurlijke sprak mij wel aan. Bij de paters in de lange gang hingen aan weerskanten de portretten van de uitgezonden Scheutisten: stuk voor stuk stoere koppen met baarden, in mijn herinnering.
Ik volgde een andere roeping: geschiedenis. Zo kwam ik op de universiteit in Nijmegen door een wonderlijk toeval toch terecht in het Bisschop Hamerhuis, waar onze faculteit een aantal jaren onderdak had. Mooi voetbalveld daar trouwens.
En met de geschiedenis leer je het verleden ook weer wat meer waarderen én kennen. Onze grote Nederlandse missieheld, Ferdinand Hamer - een marteldood gestorven bij de Boxeropstand - was daar aardig in de steek gelaten door zijn Belgische ordegenoten.
Schrijven was al op Sparrendaal een hobby en ik publiceerde aardig wat in het internenblad (duidelijk een andere uitgave dan de schoolkrant). Een van de paters was daar een soort moderator (in het dagelijkse bestaan biologieleraar, Salomon P Snuffel, was zijn bijnaam): hij was zachtaardig, wist zelf misschien ook niet goed waar de opschuivende grenzen heengingen. Mijn gedicht gewijd aan een (uiteraard onbereikbaar) meisje: het kon. Maar dus niet voor alle paters.
Hans Hendriks zei op 29 augustus 2020 om 01:12
Blij met deze pagina. Herinneringen aan het jaar (1965/1966) dat ik er doorbracht komen er door terug.
Mick van Gerwen
Mick van Gerwen bhic zei op 31 augustus 2020 om 10:47
Hallo Hans, Welkom op deze pagina. Voel je vooral vrij om ook jouw herinneringen hier te delen.
Pieter de Klerk zei op 25 september 2020 om 14:50
Ik heb als externe leerling,wonende in Helvoirt, op sparrendaal gezeten en in 1968 eindexamen gedaan en net als Tom Groot een volledige loopbaan bij de Kon Marine voltooid.

Hoewel extern , heb ik meerdere malen als keeper meegevoetbald in het elftal van de priesterstudent. Ik was bijzonder gesteld op de prefect (buf) . Wat een kerel, hij had een zwak voor me. Hij gaf wiskunde en heeft zeker, door zijn sportief/ corrigerend en eerlijk optreden er
aan bijgedragen dat ik als uiterst vervelende puber uiteindelijk toch mijn eindexamen haalde. Er waren ook een aantal uiterst vervelende en geniepige paters/docenten.het verhaal van Tom Groot geeft een heel goed beeld van het kleinsemenarie en het katholieke geloof in verval . Ik ken Tom uiteraard heel goed uit mijn marinetijd op het Koninklijk instituut voor de marine en mijn loopbaan als marineofficier tot 2002 . Ofschoon hij als techneut totaal andere banen vervulde dan ik als logisticus. Ik wist niet dat we eenaantal jarenSparrendaal gemeen hadden.

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:
Doe mee en vertel jouw verhaal!