i

vertelde op 23 juni 2020 om 07:31 uur

In 1953, op elfjarige leeftijd, ging ik naar de lagere school van internaat Saint Louis. Ik had al eerder op een kostschool gezeten en meerdere lagere scholen, maar mijn moeder waarschuwde mij dit keer dat ik hier erg mijn best moest doen, want deze school kostte wel 1.000 gulden. Dat zei mij overigens niets.

Ik was er al een keer eerder geweest en dat was vermoedelijk ter introductie. Rechts, naast de voordeur was een gigantische kamer met houten vloeren en wanden en daar heeft de introductie plaats gevonden. Daar ben ik verder nooit meer geweest. Mijn moeder had een rolletje nummers (302) meegekregen en die moesten in al mijn kleren genaaid worden zodat na het wassen iedereen z'n eigen kleren weer terugkreeg. Vele jaren later ben ik er ook achter gekomen dat ik officieel ingeschreven stond in Oudenbosch op het adres van St. Louis.

Het leven in zo'n kostschool speelt zich echt af binnen die muren. Van de buitenwereld heb je dan geen enkel idee. Ik weet ook niet meer of iemand de beste of de slechtste was, iedereen sukkelde maar 'n beetje door en deed wat van hem gevraagd werd. Streng en in het gelid. Over de dagelijkse gang van zaken kan ik mij daaarom ook niet meer zo veel herinneren. Iedere dag was eigenlijk hetzelfde. Deze begon om 6 uur, dan was het wassen en aankleden, gang naar de kerk, ontbijt en naar school. Dat sloot tamelijk goed aan. Ik denk dat rond 12 uur weer een pauze was om aan tafel te gaan voor het middageten en daarna was het weer terug naar de schoolbanken. Alles was heel stipt en met militaire precisie. 

Slaapzalen

De slaapzalen in St. Louis waren enorm. Het eerste gedeelte bestond uit "chambrettes", dat waren drie houten schotten met een gordijn ervoor. (Zie de afbeelding hierboven.) Hierdoor ontstond een kamertje, waarin een bed en een stoel stonden. Aan een kant had je dan een rij van vijftig of meer chambrettes, maar aan de andere kant ook. In de breedte kon zo'n bouwwerk nog een of twee keer herhaald worden en dan had je al snel twee- tot driehonderd chambrettes.

De schotten waren sierlijk bewerkt en voorzien van een dikke vernislaag. Tijdens de grote vakantie werden deze opnieuw onder handen genomen en ik herinner mij nog goed hoe, vlak voor de vakantie, de indringende geur van ammoniak op mijn ogen en mijn keel sloeg.

Direct na de chambrettes kwam er weer een grote zaal. Daar stonden de bedden zonder tussenschotten naast elkaar op een afstand van ongeveer een halve meter. Naast ieder bed stond alleen een nachtkastje en in een lengte van ongeveer 50 of 60 bedden. Deze stonden allemaal met het hoofdeinde tegen een lange muur van ongeveer een meter hoog. Aan de andere kant van de muur hetzelfde verhaal.

Speeltijd

Om half vier was de school ten einde en kregen we één of anderhalf uur speeltijd. Dat kon op de cour, zoals die speelplaats heette. De speeltijd begon met het uitdelen van droge boterhammen. Iedereen wilde altijd "het kappie", maar aangezien 'n heel brood maar twee "kappies" had pieste ik altijd naast de pot omdat ik nu eenmaal niet de snelste was. Er waren om de cour heen een aantal opslagplaatsen waar "speelgoed" stond. Wat ik mij alleen kan herinneren waren twee grote en twee kleinere paardenkarren van hout, zeer goed onderhouden en heel dik in het vernis. Andere dingen waren er misschien ook wel, maar dat kan ik mij niet meer herinneren. Binnen was een grote zaal met lange tafels en er waren een paar kisten met blokken.

Ik had niet zo'n behoefte aan al die spullen. Ik had het meer naar mijn zin om samen met mijn vriendje slap te ouwehoeren over allerlei dingen. Wanneer we lang gepraat en gelachen hadden over een bepaald onderwerp onthielden we dat met een steekwoord en de volgende dag dreunden we eerst de lijst met steekwoorden samen op.

Van dat lijstje zijn er nog een paar die heden ten dagen nog steeds in m'n hoofd gegrift staan, zoals "dat doet 'n mens goed", "je maakt een mens gek", "Isma", "Richard", "Amen".

De eerste twee waren gezegden die ik net geleerd had en, toen ik de betekenis wist, vreselijk grappig vond. Isma was een jongetje dat nieuw aan de groep was toegevoegd en die opvallend mooi was. Hij kwam, geloof ik, uit India. Richard was ook een opvallend jongetje. Hij was goed en stevig gebouwd en had blond haar en rode wangetjes. De gezondheid straalde van 'm af en voor ons beeldde hij de ideale Nederlander uit, zo van het boerenland. Amen was de manier waarop een broeder iets afsloot. Het was fascinerend te zien hoe hij daarna zijn hand op zijn buik liet rusten en het gezicht wat hij daarbij trok en hoe hij het amen uitsprak. Uren konden we dat analyseren en ons bescheuren van het lachen. Tegenwoordig zou je zeggen "die houden we d'r in", dat was in feite ons lijstje van steekwoorden. Wanneer we iets nieuws hadden werd dat aan het lijstje toegevoegd, anders hadden we nog genoeg aan het oude lijstje.

Als beloning kreeg ik een "lekkertje"

Na de speeltijd was het weer aantreden voor het avondmaal en na het avondmaal gingen we weer terug naar de klas. De avondles begon altijd met het oplezen van een litanie heet dat, geloof ik, altijd dezelfde. Iedere avond kreeg iemand anders de beurt om deze op te lezen en alle leerlingen moesten dan "bid voor ons" zeggen.

Toen ik op een gegeven moment de beurt kreeg het verhaaltje voor te lezen, liet ik demonstratief het kerkboek dicht en dreunde het uit m'n hoofd op. Uiteindelijk had ik het zo vaak gehoord dat ik het uit m'n hoofd kenden en het wijsje was hetzelfde als dat van de tafel van 5 of 7. De klassenbroeder Floribertus had het gezien, sprak zijn lof uit en als beloning kreeg ik een "lekkertje". Een "lekkertje" was een soort beloning voor iemand die een topprestatie had geleverd in de ogen van de broeder. Het was een klein gesuikerd groen balletje (wat ook bij de tum-tum snoepjes zat). Hij haalde dan heel omstandig ergens van onder zijn habijt een blikje tevoorschijn waarin deze balletjes zaten en ik kreeg er dan één ten overstaan van de gehele klas. Het balletje was inmiddels (door de opbergplaats) op lichaamstemperatuur en wanneer ik daar nu aan terugdenk word ik misselijk. Het gevaar was ook nog eens dat ik voor "flatje" werd uitgemaakt, een woord dat ik nog niet kende maar zoiets betekende als een bruine arm halen.

In de jaren later ga je je toch afvragen hoe je een kind in vredesnaam kan laten vragen om een "Ivoren toren" en een "Gouden huis" voor ons te bidden. Dat stond zo in de litanie. Heb je ze allemaal dan nog wel op een rijtje?



Maandkaarten internaat Saint Louis met cijfers voor "Gedrag buiten de klas", "Gedrag in de klas", "Vlijt in de klas", "Orde en netheid" en "Welgemanierdheid aan tafel"

Gymles: "bij elke tel ging zijn hand op de billen van dat jongetje"

Een of twee maal per week hadden we ook gymles. Dat was dan weer een andere broeder die lesgaf. Hij was vrij lang, oud en had wit haar en een harde stem. Nee, het was zeker geen gespierde jonge vent die in een sportmenu alles even ging voordoen. Zijn naam weet ik niet meer, maar die begon in ieder geval met een "A", broeder A dus. 

Hij zocht eerst altijd een jongetje uit, ging dan zitten en legde dat jongetje dwars over zijn bovenbenen met de billen omhoog. Daarna gingen we de gezamenlijk de oefeningen doen en hij telde, waarbij hij bij elke tel zijn hand op de billen van dat jongetje legde. Wanneer we om beurten moesten springen zei hij bij elke sprong "bonne bonne" met elke keer weer die hand op die billen. Ik vond het heel merkwaardig, maar iedereen vond het heel normaal dus sloot ik mij maar aan door het ook normaal te vinden. Ik had een hekel aan gym maar vroeg toch aan alle engeltjes mij te besparen om dat jongetje ooit te zijn. Mijn gebed werd verhoord.

Schoonschrijven en Snoepdagen

In de klas waren verder heel veel lessen waaronder "schoonschrijven". Dat ging in een schrift met 2 smalle lijnen voor de kleine letters en een hogere lijn voor de hoofdletters en lange letters zoals de h en de l bijvoorbeeld.

Tijdens de les mocht niet gesproken worden en zeker niet gefluisterd. Floribertus liep altijd door de klas en wanneer je iets fouts deed werd dat beloond door een rotklap op je kop, want hij had altijd wel een schrift bij de hand waarmee hij sloeg. Soms had je het niet in de gaten omdat hij achter je liep en had je weer een forse mep te pakken.

Door het krampachtige schoonschrijven kon het wel eens voorkomen dat ik iets uitschoot. Ik stopte dat even en begon heel zachtjes een wind na te doen, de mond in de fluitstand. Doordat ik de “wind” in verschillende tonen blies wist mijn buurman gelijk dat er bij mij een letter verkeerd was gegaan. Dit leverde dan ook gelijk een rotklap van Floribertus op waardoor de letter helemaal aan gruzelementen was. Floribertus hoorde werkelijk alles!

Veel vrije tijd was er dus niet op zo'n schooldag met uitzondering van woensdagmiddag, zaterdagmiddag en zondag. Op woensdag en op zondagmiddag was er een mogelijkheid om snoep te kopen. Er kwam dan een broeder met een aantal snoepdozen zoals die normaal in snoepwinkels staan en daar kon je je melden. Iedereen mocht op woensdag voor 15 cent iets kopen en op zondag voor 25 cent. 

Écht geld kwam er nooit aan te pas want de snoepbroeder had een boekje waarin je "banktegoeden" van iedereen stonden en je 15 of 25 cent werden dan daar vanaf getrokken. Hoeveel die tegoeden waren en waar ze vandaan kwamen het ik nooit geweten. Het was ook totaal onbelangrijk want iedereen kon niet meer als 40 cent per week uitgeven en ik heb nooit gehoord dat iemand geen tegoed meer had. 

Schilderen, schrijven en zagen

Er waren verder veel mogelijkheden je vrije tijd te besteden. Zo ben ik een paar keer naar een schildersklas gegaan waar een broeder mij de spullen gaf en aanwijzingen hoe ik het beter kon doen. Verder heb ik leren figuurzagen wat ik niet in een klasje hoefde te doen, dat kon in de algemene speelzaal.

Ook raakte ik heel erg geïnteresseerd in het planetenstelsel. Broeder Servatius wist daar veel van. Hij gaf les aan een hogere klas maar hij was erg geamuseerd in mijn belangstelling en vertelde er daarom graag over. Van hem leerde ik alle namen van de planeten die om de zon draaien en hoe lang ze daar over deden, van Mercurius tot en met Pluto. Ik verheugde mij er erg op dat ik het volgende schooljaar bij hem in de klas zou komen. 

Ik schreef ook "boeken". Ik had een aantal blaadjes een paar keer doormidden gescheurd en daarna opgestapeld en in tweeën gevouwen. Zo ontstond een "boek". Het was nu een kwestie van een tekening op de voorpagina en een verhaal aan de binnenkant. 

Dat verhaal zoog ik zonder enige moeite uit m'n duim terwijl ik vooraf zelfs niet wist hoe het af zou lopen. Mijn eerste boek heette "Per raket naar de maan". Ik gaf het aan mijn vriendje. Want toen ik het af had vond ik er verder niks meer aan. Mijn vriendje was er echter dolgelukkig mee en ik geloof dat hij het wel tien keer gelezen heeft. Na dit eerste boek moest ik mijzelf overtreffen, dus het werd "Per raket naar Mars". Ik weet nog dat er een scène in voorkwam dat iemand in het raket een glas water uit het raampje gooide. En dat we vervolgens tot de ontdekking kwamen dat we niet in het zand stonden, maar daar waar het water terecht was gekomen goudkorrels lagen. Toen ik hem het boekje gaf was onze vriendschap voor het leven bezegeld.

Difterie

Iets anders wat ik mij nog goed kan herinneren, is dat er in juni 1953, toen het schooljaar bijna ten einde was, difterie was uitgebroken op het internaat. Er werden daarom "grenzen" ingebouwd. Dat waren grote en dikke doorschijnende zeilen en de jongens mét difterie moesten achter de zijlen blijven. Het aantal achter de zijlen werd elke dag groter. Ik had geen flauwe notie wat dat allemaal te betekenen had, maar ik vond het wel fijn want de speelkamer was alleen toegankelijk voor de niet besmette jongens. Tegen het einde hadden we met een paar jongens de gigantische speelkamer nog voor ons alleen. Alle jongens die besmet waren mochten in ieder geval niet naar huis voordat ze beter waren. Ik denk dat ik vervroegd naar huis werd gestuurd; difterie heb ik in ieder geval nooit gehad.

Naar de vijfde klas

Toen ik in 1953 aan het einde kwam van mijn vierde schooljaar, bracht ik een bezoek aan mijn grootmoeder met het onderstaande rapport. Ik kon haar laten zien dat ik was overgegaan naar de vijfde klas!


Eindrapport 4e klas (1953)

Ik weet niet of mijn moeder later erg onder de indruk is geweest van dat rapport, want het bleek ook gemakkelijk als boodschappenbriefje (zie hieronder), maar misschien was er in 1953 of 1954 wel een papiertekort.


Eindrapport 4e klas (1953), voorzijde met afbeelding van San Luigi Gonzaga (de Broeders van Saint Louis / van Oudenbosch heetten officieel Broeders van de H. Aloysius Gonzaga genoemd)

Na de grote vakantie was het difterieprobleem kennelijk opgelost want we kregenbericht dat ik gewoon weer naar school kon gaan. Van wegbrengen was dit keer geen sprake meer want ik was uiteindelijk al twaalf jaar. Ik kreeg dus een treinkaartje in de hand gedrukt en moest ná Moerdijk opletten wanneer de conducteur Lage Zwaluwe en Zevenhuizen omriep. Ik moest dan namelijk de volgende halte uitstappen.

Ik geloof niet dat ik met enige tegenzin terugging. Al snel was ik weer gewend.

Ik heb dit verhaal geschreven omdat ik toch wel benieuwd ben of er nog klassenfoto’s bestaan waar ik op sta. Ook is het voor mij altijd een vraag gebleven wie die 1000 gulden schoolgeld heeft betaald en of die over het tweede jaar wel deels zijn terugbetaald...


Rapport 5e klas, periode 1 september - 23 december 1954

Dit verhaal is een ingekorte versie.

"Lees hier het volledige verhaal"

 

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:

Lees ook deze verhalen

vertelde op 25 oktober 2012 om 15:45 uur

Het Instituut Saint Louis in Oudenbosch

vertelde op 5 april 2017 om 16:04 uur

De Broeders van de H. Aloysius Gonzaga CSAL

vertelde op 26 juni 2018 om 15:53 uur

Internaat Saint Louis in Oudenbosch

vertelde op 19 februari 2019 om 14:00 uur

Hemel of hel: op kostschool