i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Boxtel
Jaar: 1944
Tags:

Twee Boxtelse jongens in 1944

vertelde op 3 september 2019 om 15:51 uur

Met de herdenking van 75 jaar vrijheid in Nederland in het vooruitzicht, zijn de laatste jaren allerlei projecten van de grond gekomen om dat moment op gepaste wijze te herdenken. Het inspireerde me om op zoek te gaan naar wat nog bekend is over twee neven van mijn moeder: Gerard Bertens en Rink Dijkstra uit Boxtel.

Beiden zijn omgekomen in de oorlog, ieder aan een andere kant van de strijd. Afgezien van vage geruchten, wisten we eigenlijk nog niets van hun lotgevallen tijdens de oorlog. Rinks naam dook al snel op in het bestand van de Oorlogsgravenstichting. Hij bleek een graf te hebben op het Nationaal Ereveld in Loenen op de Veluwe.

Dat was een verrassing, want ik kon me niet herinneren dat dit ooit in de familie ter sprake is gebracht. Een gevoel van trots, dat kan ik niet ontkennen. Daar willen we naartoe, om Rink goeiendag te zeggen.

Op 7 juli 2019 togen we naar Loenen. In een uithoek van het parkachtige ereveld met zijn slingerpaden, op nummer E.304, troffen we zijn steen in de schaduw van een grote sparrenboom. Daar rust hij dan op een fraaie, kalme plaats, te midden van bijna 4.000 andere Nederlandse slachtoffers van oorlogsgeweld. Het bezoek maakte veel indruk. Zoveel jonggestorven mensen… Het geeft troost als je ergens met je verdriet naar toe kunt.

Voor Rinks nabestaanden was dat dus gelukkig mogelijk. Hij is nog altijd te vinden en te bezoeken. Voor zijn neef Gerard ligt het allemaal heel wat moeilijker.

„Erinnerung an einen lieben Menschen“

Niet lang na ons bezoek aan Loenen, viel er een uittreksel van het Gedenknamenbuch des Volksbundes Deutsche Kriegsgräberfürsorge bij mij in de brievenbus. Aan de kop staat in vetgedrukte letters een plaatsnaam: Narva. Een stad in de noordoostelijke hoek van Estland direct aan de rivier van dezelfde naam, die daar de grens met Rusland vormt.

Het kostte me niet al te veel moeite om tussen het lijstje met namen die van Gerard Bertens te vinden, in de middelste kolom de tweede van boven. Gerard, geboren op 24 januari 1924, zoon van mijn oudtante, Sjaan Bertens.

‘Tante Sjaan’ was ze voor ons, de tante van mijn moeder. Met ons sprak ze veel over vroeger. Als jonge weduwe met drie kinderen moest zij al vroeg de eindjes aan elkaar zien te knopen. Dat deed zij onder andere met haar winkeltje in naaispullen dat zij voor enige tijd heeft gehad.

Het moet een heel klein pandje geweest zijn; toen zij de naam van de patroonheilige Gerardus op het raam wilde zetten, pasten de letters niet. ‘H. Gerardus’ werd ingekort tot ‘Gerda’. Voor ze het wist, werd ze zelf zo genoemd. Tante Sjaan liet het maar zo.

Ze had ook een goede reputatie om haar heerlijke kookkunst. Een kippetje bakken? Maar wel met een heel pakje roomboter graag!

Altijd had ze het over Gerard, haar tijdens de oorlog gesneuvelde zoon. Ze droeg het verdriet om zijn dood haar hele leven met zich mee. Maar op jonge leeftijd kon ik me maar amper voorstellen wat er allemaal achter dat verdriet schuil ging – wat haar werkelijk zeer deed. Het zal je dan ook maar gebeuren dat je zoon zich samen met een groep vrienden als vrijwilliger meldt voor Duitse krijgsdienst bij de Waffen-SS.

Zijn vader was al vroeg overleden, dus wie hield hem verder nog tegen? En als zijn vrienden ook gingen, dan kon hij natuurlijk niet achterblijven. “Het avontuur roept!”, zou hij tot groot verdriet van zijn moeder geroepen hebben. Een avontuur dat 2.000 kilometer ver van huis eindigt in Narva, in het geweld van het Oostfront.

In het vroege voorjaar 1944 kwam hij daar aan, als 19-jarige SS-Rottenführer (korporaal). Gerard hield geen dagboek bij en er zijn ook geen brieven van hem bekend, zodat we slechts kunnen gissen naar wat hij daar beleefde, wat er door hem heen ging. Zou er in Narva nog iets zijn overgebleven van dat gevoel voor avontuur? Zou hij geschokt zijn door wat hij aantrof? Of zou de kameraadschap hem meer vastberaden hebben gemaakt? Zou hij zich hebben vastgebeten in zijn missie, nu er geen weg meer terug was?

Vrijwilligers voor de Waffen-SS werden aan een strenge keuring onderworpen. Ze moesten niet alleen fysiek gezond zijn, maar ook toegewijd aan het nationaalsocialistische gedachtegoed. Het is echter de vraag in hoeverre Gerard een serieuze nationaalsocialist was. Duitse ronselaars en NSB’ers zullen hem van alles wijs hebben gemaakt, maar echt diepgaand kon die overtuiging niet zijn geweest bij een jongen van 18 of 19 jaar die tot dan toe niet verder dan dertig kilometer van huis was geweest. Maar dat zal hem des te plooibaarder hebben gemaakt: jong, onwetend, onervaren en gevoelig voor groepsdruk. Gemakkelijk te verleiden tot avontuur en te overtuigen dat hij vocht voor ‘de goede zaak’, wat dat volgens de nazi’s ook mocht zijn.

Wat Gerard in elk geval niet werd verteld, was dat de Duitsers aan het Oostfront eigenlijk al sinds 1942 aan de verliezende hand waren. Het werd hem ook niet verteld hoe hopeloos de situatie er daar begin 1944 uitzag; dat hij en tienduizenden andere vrijwilligers uit bezet Europa waren uitgezonden om voor de Duitsers een verloren strijd uit te vechten. En te eindigen als kanonnenvoer.

Met de moed der wanhoop vochten ze nu door, steeds verder terug naar het westen als ze werden gedreven. Bij Narva vond van begin februari tot eind juli 1944 een langdurige veldslag plaats, een van de grootste aan het Oostfront en zelfs van de hele Tweede Wereldoorlog. Maar het was uiteindelijk een van de laatste stuiptrekkingen van Nazi-Duitsland tegen Sovjet-Rusland. Van de stad zelf bleef geen steen op de ander. Naar de precieze aantallen slachtoffers kan enkel gegist worden, maar bij de Russen alleen al zouden zo’n 150.000 soldaten zijn gevallen. Het aantal gesneuvelden aan Duitse zijde wordt geschat op 12.000.

Maar dat waren dus niet allemaal Duitsers. Vanuit de bezette landen werden jongeren opgejut om aan Duitse zijde deel te nemen aan de strijd tegen het communisme, gepresenteerd als de aartsvijand van de westerse beschaving. De nazi’s maakten daarbij dankbaar gebruik van de diepe afkeer die in conservatieve kringen leefde voor het ‘goddeloze’ communisme. Voor hen gold dat de communisten uiteindelijk een veel groter kwaad waren dan de Duitsers.

Vanuit die achtergrond zouden verschillende jongeren zich dan ook bereid verklaren om naast de Duitsers op te trekken tegen de communisten. Vanuit Nederland zouden er zich zo’n 25.000 vrijwilligers melden, onder wie ook Gerard uit Boxtel. Een aanzienlijk aantal van hen zou in Narva sneuvelen, naast vrijwilligers uit andere bezette landen die in SS-verband hierheen waren gezonden. Narva is daarom ook al eens de ‘Slag van de Europese SS’ genoemd.

Gerard sneuvelde op 2 februari 1944, de eerste dag van de Slag om Narva. Hij was toen net ruim een week 20 jaar oud. Waar zijn graf ligt, weten we niet. Volgens de gegevens van de Volksbund is hij ongeveer twee kilometer ten noordoosten van Narva omgekomen, op wat nu Russische bodem is. Maar het is niet bekend of zijn lichaam van het front is weggedragen om ergens in het huidige Estland te worden begraven, of dat hij nog ter plaatse in Rusland ligt, al dan niet in een massagraf.

Bitter genoeg is dat al veel meer dan zijn ontroostbare moeder ooit heeft geweten. Volgens de naaste familie heeft Sjaan nooit geweten waar Gerard is gesneuveld, of waar hij begraven ligt. Er was alleen maar een vaag vermoeden van ‘ergens in het oosten’. Inlichtingen waren moeilijk te verkrijgen. Zelfs al zou ze het geweten hebben, dan nog was een grafbezoek uitgesloten, diep in de Sovjet-Unie als Narva na de oorlog kwam te liggen. Er was zo nooit een echte afsluiting voor haar, nooit een laatste vaarwel aan haar zoon.

Een klein portretje van Gerard heeft ze altijd in haar tasje meegedragen. In de kamer neerzetten, was te confronterend voor de rest van de familie, dus liet ze het maar zo. Want alsof het verlies van haar zoon nog niet erg genoeg was, kreeg ze nota bene vanuit haar eigen omgeving “opgeruimd staat netjes” naar het hoofd geslingerd. Alleen van de kleine kring binnen haar familie kon ze op begrip rekenen; zij hadden immers een naaste verloren.

Tot op hoge leeftijd heeft Sjaan erkenning gezocht voor haar verdriet, maar op veel begrip hoefde ze niet te rekenen. Haar zoon was en bleef ‘een foute’. Het heeft haar de rest van haar leven verbittering gebracht. Dat begon al nadat haar het noodlottige bericht werd verteld. Een woedende Sjaan staat me nog zo voor de geest. “Ik heb ‘zeseneenkwart’ [Seyss-Inquart] geschreven. Bende gij helemaal gek geworden?! Zulke jonge jongens lopen opnaaien!” Aangezien de Sicherheitsdienst nadien nooit bij haar thuis langs is geweest, kunnen we veilig aannemen dat ze die brief uiteindelijk niet heeft verstuurd. Maar ze was er toe in staat.

Wat zou ze blij geweest zijn met het uittreksel uit het gedenkboek van de Volksbund. Hoe bescheiden ook, zijn naam is ergens vastgelegd als een van de eindeloos vele slachtoffers die aan het Oostfront vielen. Zijn sneuvelen was niet ongemerkt voorbij gegaan. De Volksbund sluit de begeleidende brief af met een hoopvolle boodschap. „Wir hoffen, in nicht allzu ferner Zukunft auch das Grab von Gerardus Cornelius Antonius Bertens zu finden und die Gebeine auf einen Soldatenfriedhof überführen zu können.“ Het zou mooi zijn als het ooit zover komt. Een plaats op Ysselsteyn, bijvoorbeeld. Een Duitse begraafplaats, dat dan weer wel, maar Sjaan zou er blij mee zijn geweest.

Gerards naaste familie kon ik helaas niet meer vragen naar wat er tijdens de oorlog is gebeurd. Maar ik voelde dan ook wel enige terughoudendheid, want onbedoeld kun je al dat verdriet weer oprakelen, hoe lang geleden het ook is geweest.

Iets van formele erkenning heeft Gerard overigens nog niet zo heel lang geleden op een indirecte manier alsnog gekregen. In april 2007 is in het dorpje Sinimäe, twintig kilometer ten westen van Narva, een gedenksteen geplaatst, “ter nagedachtenis aan de gesneuvelde, vermiste en in gevangenschap omgekomen Nederlandse frontsoldaten, verpleegsters en helpers die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa 1941-1945 trouw hun plicht vervulden”.

Het ingetogen monument bevindt zich op een heuvel die bij de Duitsers bekendstond als de Grenadier-Höhe, een van de zogeheten ‘Blauwe Bergen’ van Sinimäe. Na de val van Narva probeerden de Duitsers hier aan de Tannenberglinie, gesteund door Nederlandse en Estse grenadiers, de opmars van het Rode Leger te stuiten. Dat hielden ze tot eind juli 1944 vol, toen de terugtocht begon. Het is een van de hoogst uitzonderlijke officiële herdenkingsmonumenten voor de Nederlandse slachtoffers ‘aan de verkeerde kant’ van de oorlog.

Opgeroepen voor de Arbeitseinsatz

Sjaans zus Pietha Dijkstra zou iets soortgelijks meemaken, maar hoe anders was de nasleep voor haar. Pietha’s zoon Rink, geboren op 30 juli 1921 in Boxtel, werd niet lang nadat neef Gerard sneuvelde, opgeroepen voor de Arbeitseinsatz, de dwangmatige tewerkstelling in Duitsland. In Duitsland heerste schrijnend tekort aan werkkrachten in vrijwel alle takken van de industrie, nu alle jongeren (en steeds meer ouderen) naar het front waren gezonden. De behoefte aan arbeidskrachten in vooral de wapenindustrie nam tegelijkertijd almaar verder toe om de voortslepende oorlog door te zetten – in de vage hoop dat het tij gekeerd kon worden.

Om het tekort aan te vullen, worden vanuit de bezette landen arbeiders aangetrokken. Dat gebeurt eerst nog met zachte hand en op vrijwillige basis. Maar toen het aantal aanmeldingen keer op keer tegenviel, gingen de Duitsers over tot dwang. En steeds meer groepen werden in aanmerking gebracht voor de Arbeitseinsatz. Vanuit Nederland zouden uiteindelijk ruim een half miljoen arbeiders in Duitsland gaan werken. Weigering was voor de meesten geen optie; het gevaar voor vervolging en vergeldingsmaatregelen richting de familie was daarvoor te groot.

Zo werd ook Rink gedwongen om aan de oproep gehoor te geven. Per trein zal hij naar Duitsland zijn vervoerd, waar hij uiteindelijk terechtkomt in een van de talloze arbeiderskampen in Berlijn. In welke fabrieken hij daar heeft gewerkt, is niet bekend. Zowel Siemens als Borsig hadden daar fabrieken waar op grote schaal dwangarbeiders werden ingezet bij de zware machinebouw, met name de constructie van oorlogslocomotieven – die ook gebruikt werden voor het transport van joden naar de vernietigingskampen.

Net als voor de geronselde troepen en vrijwilligers aan het front was het voor de dwangarbeiders moeilijk te voorzien in wat voor omstandigheden ze terechtkwamen. De nazi’s voerden hun discriminatie in elk geval ook door in hun behandeling van de arbeidskrachten. ‘Germaanse broeders’ zoals Nederlanders, Vlamingen, Denen en Noren troffen het aanmerkelijk beter dan Poolse en Russische dwangarbeiders.

Maar het was nog steeds maar een relatief verschil, want dwangarbeid bleef dwangarbeid. Nederlanders op verlof keerden door de hardvochtige werkomstandigheden vaak getraumatiseerd en gedesillusioneerd terug. Als ze de kans kregen, was het voor veel van deze teruggekeerde arbeiders het moment om ondanks de risico’s alsnog onder te duiken.

De leefomstandigheden in de arbeiderskampen waren amper beter dan in de concentratiekampen, met voedselrantsoenen die schromelijk tekortschoten voor het zware werk en onhygiënische omstandigheden in de arbeiderskampen. Het werk in fabrieken was bovendien ongezond en gevaarlijk. Veel arbeiders liepen niet alleen door bedrijfsongevallen ernstig letsel op, maar in de zware industrie ook door blootstelling aan fijnstof, metaaldeeltjes en chemicaliën. Ondertussen lag het risico op afranselingen als het werk naar de zin van de opzichters niet hard genoeg opschoot, voortdurend op de loer. Ten slotte werden met het verstrijken van de oorlogsjaren de geallieerde bombardementen op Duitse steden en industriegebieden een steeds acuter gevaar.

Uiteindelijk zou dit laatste Rink fataal worden. Op 31 juli 1944, in een periode dat Berlijn vrijwel dagelijks werd aangevallen, kwam hij om het leven toen zijn barak door een geallieerde granaat werd getroffen. In de instorting van het gebouw viel hij uit zijn stapelbed, met zijn hoofd op een afgebroken metalen bedspijl. Rink was amper een dag 23 jaar oud. Hij is een van de 30.000 Nederlandse slachtoffers van de Arbeitseinsatz.

Frontlinie binnen de familie

Grootmoeder Smits, de moeder van Sjaan en Pietha, had binnen een paar maanden tijd twee kleinzonen verloren. Ze had het er zwaar mee. Kennissen die kort daarvoor nog zo snerend deden over Gerards sneuvelen, waren nu zelf in rouw gedompeld. In tegenstelling tot Gerard keerde Rink dus wel terug naar Nederland. Hij vindt zijn laatste rustplaats op het Nationaal Ereveld in Loenen.

Het verschil in behandeling van de nagedachtenis aan Gerard en Rink deed hun moeders uit elkaar drijven. Waar Pietha haar zoon later als geëerd slachtoffer van de oorlog in Loenen kon opzoeken, een van de talloze gevallenen aan wie 4 mei is opgedragen, daar is haar zus Sjaan in onwetendheid en frustratie gestorven. Voor haar verdriet was geen plaats.

Pas veel later zijn de verhalen van Gerard en Rink bij ons bekend geworden. Toen drong ook bij ons, de jongere generatie van tien jaar na de oorlog, door wat er precies tussen onze oudtantes speelde. Ach, twee zusjes die elkaar niet lagen, dachten we als kind. Geen drama, dat komt in de beste families voor. Maar het lag toch even wat anders.

Tijdens familiefeesten troffen we Sjaan en Pietha nog vaak samen aan. Of ik moet zeggen: gelijktijdig, want elkaars gezelschap zochten ze niet op als ze het konden vermijden. Over hun zoons werd op zulke momenten niet gesproken en ook de familie deed er het zwijgen toe. Grootmoeder Smits zag met lede ogen aan hoe de oorlog een onoverbrugbare kloof in de familie had geslagen. Voor haar dochters Sjaan en Pietha ging de oorlog nooit meer voorbij.

Gelukkig zijn er in mijn familie nog mensen die er wel graag over willen praten. Hen dank ik dan ook hartelijk voor de verhalen uit die tijd. Zoveel ellende en verdriet… Als kind was het allemaal aan me voorbij gegaan. Jammer genoeg is er over de precieze ervaringen van Gerard en Rink tijdens de oorlog niets bekend en veel zal ook onduidelijk blijven. Maar wát bekend is, heb ik hierbij alsnog voor het nageslacht kunnen vastleggen. Een bescheiden bijdrage aan de herinnering van twee Boxtelse jongens die aan weerszijden van de oorlog waren beland en wat voor nasleep dat had voor de familie.

Met dank aan Frank van Doorn van het BHIC voor de redactie en het aanvullende onderzoek.

 

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:

Lees ook deze verhalen

vertelde op 1 juni 2017 om 09:13 uur

Hoe een 17-jarige uit Overijssel kampbewaker werd in Vught

vertelde op 10 juli 2018 om 08:53 uur

Tewerkgesteld in Duitsland

vertelde op 21 mei 2019 om 21:39 uur

Hoe mijn grootvader aan een Duitse razzia ontsnapte