i

Dit verhaal gaat over:

Tags:

en maakt ook deel uit van:

Atlas: Waterschappen

Waterbeheersing in Noord-Brabant

vertelde op 9 juni 2011 om 13:00 uur

Noord-Brabant ligt op een hellend vlak, dat in het uiterste zuidoosten op ruim 40 meter boven de zeespiegel begint en dat afloopt tot iets onder zeeniveau in de Westhoek. Vooral de westelijke en noordelijke randgebieden van Noord-Brabant zijn gevoelig voor teveel water. In het westen gaat het vooral om zeewater, meer naar het oosten vormen de Maas en haar zijrivieren de Dommel en de Aa een risico.

De zuidoostelijke helft van de provincie daarentegen heeft, vooral in droge zomers, te kampen met een watertekort. De verschillen binnen Noord-Brabant zijn dus (ook historisch) groot.

West-Brabant

Rond het jaar 1000 waren grote delen van West-Brabant, Holland en Zeeland bedekt met veen. Vanaf de dertiende eeuw vond in West-Brabant op steeds grotere schaal turf- en zoutwinning plaats. Als gevolg daarvan daalde de bodem tot onder zeeniveau. Zo kreeg de zee, vooral bij springvloed en stormweer, vrij spel. Met name de Elisabethsvloeden van 1421 en 1424 waren rampzalig: een groot deel van wat nu West-Brabant heet, liep onder. De Hollandse Grote Waard - met het huidige Land van Heusden en Altena, de Biesbosch en delen van de Langstraat - veranderde in een binnenzee.

Hierna begon de terugverovering van het land op de zee. Stukje bij beetje werd West-Brabant ingepolderd en ontstond er een lappendeken van waterschappen. Deze kregen zeggenschap over alles wat met de waterbeheersing te maken had. Hetzelfde gebeurde in het Land van Heusden en Altena. Maar de Biesbosch is een blijvende herinnering aan de Elisabethsvloed van 1421.

Noordoost-Brabant

Eeuwenlang had de Maas hier vrij spel, maar vanaf de dertiende eeuw probeerde de mens de rivier met dijken in te perken. Omstreeks 1350 waren de Brabantse Maasoevers beschermd, behalve bij Beers en Cuijk. Binnendijks werd een groot aantal waterschappen opgericht, met als oudst bekende de Polder van der Eigen bij Rosmalen (1309).

De deels onbedijkte Maasoevers in het Land van Cuijk bleven problematisch. Vanaf de vijftiende eeuw gingen ze bij een hoog rivierpeil als overlaten fungeren. Het overtollige water vormde een tweede rivier, die zich een weg westwaarts zocht, richting ’s-Hertogenbosch: de Beerse Maas. Binnen de regio ontstonden belangentegenstellingen tussen het oosten, dat het water graag kwijt wilde, en het lager gelegen westen. De sluiting van de overlaten en de Maasverbeteringen in de twintigste eeuw maakten hieraan een einde.

Aa en Dommel

De Maas mocht dan wel de hoofdveroorzaker zijn van de wateroverlast rondom ’s-Hertogenbosch, de Aa en de Dommel droegen ook hun steentje bij, getuige de ringdijken die mogelijk al sinds de middeleeuwen Den Dungen en Sint-Michielsgestel beschermden. Watermolens langs deze riviertjes zorgden eveneens voor problemen met het waterpeil.

In 1546 vaardigde Karel V een plakkaat uit met regels voor de waterbeheersing in Aa en Dommel. Maar de laatste, werkende watermolens verdwenen pas rond 1900. Ook langs Dommel en Aa werden waterschappen opgericht, het oudste al in 1463 (De Vughtse Akkers).

Precies vier eeuwen later zwaaide Waterschap De Dommel de scepter over het hele stroomgebied, net zoals waterschap De Aa dat al sinds 1921 over het stroomgebied van de Aa deed, een functie die waterschap Aa en Maas sinds 2004 heeft overgenomen.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: