Archieven

 7636 Schepenbank Sint Oedenrode, 1548 - 1811
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Historisch overzicht
7636 Schepenbank Sint Oedenrode, 1548 - 1811
Inleiding
Historisch overzicht
Voor schepenen van St. Oedenrode werden in rechtzaken zowel zaken van contentieuse als van vrijwillige rechtspraak behandeld, onder welke eerste in dit geval uitsluitend de civiele gedingen, onder de laatste het boedelbeheer en, waarover nader, het staan over zekere akten, te verstaan is. Welke civiele zaken voor schepenen in college, dat is tot schepenbank geconstitueerd, kwamen, hing behalve van de woonplaats van partijen of de aard der vordering of de ligging der zaak in kwestie ook van privileges of uitzonderingsrecht af, welke of, omdat zij door anderen bezeten werden, de macht der St. Oedenrodese schepenen verkleinden, zoals het recht van ingebod der Bossche schepenbank, of als een eigen voorrecht van St. Oedenrode haren werkkring vergrootte, bijvoorbeeld haar recht van ingebod, volgens hetwelk zij binnen 14 dorpen, in het kwartier van Peelland gelegen, kennis mocht nemen van alle geschillen, voortspruitende uit voor haar gesloten overeenkomsten. De zitting der bank duurde formeel van Bamis tot Bamis (1 oktober) en werd geacht onder de blote hemel en onder de linde plaats te vinden, gelijk o.a. de laatste vergadering voor de vakantie van het jaar 1597/98, dat is op 19 sep 1598, nog inderdaad onder de rechtsboom geschiedde. De vergaderingen werden van "genecht tot genecht", dat is strikt om de veertien dagen en wel des zaterdags gehouden en alsdan waarschijnlijk met rijzende zon onder vast ceremonieel en het uitspreken van formules gespannen.







Naast deze procesdagen,later de ordinaris geheten, -want in later tijd moesten wegens de veelheid van zaken andere dagen ingeschakeld worden- bestond evenwel het jaargeding, dat telkenjare op drie opeenvolgende dagen, waarvan de eerste steeds een donderdag, in de maanden januari tot maart gehouden werd. De aard der zaken, die in dit jaargeding, dat in historische tijden reeds in verval is en in het jaar 1646 het laatst schriftelijk vermeld wordt, behandeld werden is moeilijk met zekerheid vast te stellen. In de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, deel 2, dat in 1740 uitkwam, wordt gezegd, dat op dee "gemeene waerheden de vaders der huisgezinnen voor 't geregt ontbooden worden en hebben vrijheid om voorstellingen ten nutte van 't gemeen te doen", maar deze voorstelling miskent de processuele kant van het jaargerecht, waarvoor te weinig zaken in geschrifte behandeld blijken, om de mededeling van het jaar 1740 aan te vullen. Deze processen nu, zowel ten ordinaris als ten jaargerichte, werden sedert de 15e eeuw of mogelijk nog vroeger in een bijzonder register, rol genaamd, ingeschreven, welke rol eveneens en vanzelf sprekend van Bamis tot Bamis liep en thans eerst in 1597 aanvangt. Tevens heeft dit register waarschijnlijk aanvankelijk, hoewel dit thans door het ontbreken der oudere stukken niet meer te bewijzen is, de boedelzaken, dat zijn alle zaken van beheer en verantwoording van goed van weduwen, wezen en insolventen, bevat.
De derde taak van schepenen was het geloofwaardig maken van burgerlijke rechtshandelingen, waarvoor belanghebbenden zich konden wenden tot algemeen bekende en betrouwbaar geachte personen, in welk verband ik bijvoorbeeld wijs naar de privileges van St. Oedenrode, welke de vrijheid in 1661 liet vidimeren door de schepen, tevens oudsecetaris, Nicolaes van den Sande. Zodoende werd het gebruikelijk, dat inwoners van St.Oedenrode in dergelijke gevallen de hulp van Bossche schepenen inriepen, hetgeen nadien tot een formeel privilege dier bank geworden is, de oorsprong der zogenaamde "Boschakten" in het archief van de St.Oedenrodese bank, maar van de andere kant, dat inwoners van Peelland, die den lange weg naar 's-Hertogenbosch niet wensen te maken, zich te St.Oedenrode vervoegden, zodat schepenen van St. Oedenrode, wel te verstaan individueel en niet als college, geroepen werden om te staan over alle rechtsakten betreffende de overgang en het bezwaren van onroerende goederen, zogezegd over akten van transport, gelofte en erfdeling in Peelland, maar gelijk begrijpelijk voornamelijk te St. Oedenrode zelve aangegaan, waarvan het oudst bekende blijk thans een akte van 1315 is. De secretaris was gewoon voor zich aantekening der verleden akten te houden om de leges in te vorderen en later zo nodig kopie af te geven, uit welke aantekeningen, die mogelijk reeds in de 14e eeuw zijn aangevangen, een bijzonder register gegroeid is, dat, wellicht naar analogie der gebruiken der notarissen, die kerkelijke ambtenaren waren en zich uitsluitend met kerkelijk recht en akten bezighielden, protocol genaamd werd.
Ook dit register, dat historisch nawijsbaar is sedert het begin der 16e eeuw, loopt als jaarprotocol van Bamis tot Bamis. Thans is het eerst sedert 1609 aanwezig, maar uittreksels daaruit sedert het begin der 16e eeuw en lopende tot het eind der zelfder eeuw zijn gelukkig bewaard gebleven (zie inventarisnummer 242). Bovenstaande schets betreft de middeleeuwse secretarieele praktijken, die sedert ht einde der 16e eeuw, zij het door het afslijten van oude rechtsvormen, of door onkunde of oorlogselleden in volledig verval geraakten. Het kwam zo ver, dat de losse kladakten niet meer in het net geschreven, ja rol en protocol vermengd werden. Het is mogelijk, dat men tegenover de wassende eisen van de nieuwe tijd de onvoldoendheid van het oude voelde, maar in ieder geval ging men niet of onvoldoende tot reorganisatie over. Omdat schepenen meermalen gecontinueerd worden, geraakte het jaarlijks afbreken van het protocol in onbruik, omdat zij ook over andere akten geroepen werden, werden in het protocol andere soort akten geregistreerd of bijzondere series daarvan aangelegd, ook zulke akten, die vroeger, als bijvoorbeeld testamenten, alleen ter kennisname der notarissen stonden. In deze omstandigheden is het plakkaat der Staten-Generaal dd. 23 dec 1684 van weldadige invloed geweest. In de maand maart van het volgend jaar ter secretarie van St.Oedenrode ingevoerd, schreef het ten eerste voor, dat alle akten in het register behalve door de secretaris ook door de schepenen op straffe van verval van hun ambt moesten getekend worden.
Ook te St. Oedenrode was dit tot heden niet geregeld geschied, hetgeen niet direct als een administratieve onregelmatigheid behoeft beschouwd te worden, maar wel in het algemeen een naaste gelegenheid daartoe is. Voorts werd gelast, dat voor akten van transport en gelofte eener - en de overige, de "allerhande" akten anderszijds afzonderlijke registers zouden gehouden worden. Zodoende verviel bij de administratie van St.Oedenrode de reden om verschillende dezer akten te beschouwen als afhangende van de rol. Eindelijk werden nog voor de vorm der registers voorschriften gegeven: dat zij zouden worden ingebonden, hetgeen oudtijds iedere vijf jaar geschied was, dat de akte op datum zou worden ingeschreven en niet op losse bladen, uitvoerige klappers bij ieder deel vervaardigd, hetgeen alles vroeger veel te wensen overliet of achterwege gelaten werd, en speciaal, dat de registers niet meer zouden mogen worden uitgeleend of door derden buiten toezicht geraadpleegd. Voor en na het plakkaat van 1684 werden evenwel ook de rechtsgebruiken zelf gewijzigd en uitgebreid. Oorspronkelijk werd te St. Oedenrode recht gedaan volgens de overgeleverde rechtsgewoonte, zo gezegd de costuimen, maar gaandeweg had de vorst daarnaast zijn eigen recht ingang weten te doen vinden, tengevolge waarvan nieuwe procesvormen verschenen of nieuwe functies aan schepenen werden opgedragen. Een voorbeeld van het eerste is de summiere wijze, waarop bij Resolutie der Staten-Generaal dd 13 jun 1716 aan de bank van Oirschot vergund werd zaken beneden 12 gulden, zogenaamd op de "kleine rol" te plaatsen. Van de bevoegdheid, ja plicht der schepenen tot certificatie werd een ruimer gebruik gemaakt.
Zo behoort het verlijden van akten van ondertrouw en trouw ingevolge het echtreglement der Staten-generaal dd 18 mrt 1656 voor schepenen; mogelijk het taxaren van onroerende goederen bij vererving in de zijlinie ingevolge de plakkaten der Staten-Generaal dd 25 mei 1662, 09 feb 1669 en 24 dec 1695 en mogelijk de registratie der aangiften van reservering van eigen gronden tot de private jacht, ingevolge publicatie van het Departementaal Bestuur van Braband opzichtens de Jagt dd 26 aug 1802. Al deze zaken hadden ter secretarie de vorming van nieuwe registers tengevolge. Ook in ander opzicht werd de taak van de secretaris, als schrijver van het rechtscollege verzwaard. Landsbelastingen werden gelegd op het voltrekken van rechtsakten als bijvoorbeeld de goederenverkoop of de overgang daarvan bij versterf in de zijlinie en de secretaris de invordering daarvan en verantwoording aan 's lands ontvanger opgedragen. Voor dit doel legde de secretaris een aantal registers en lijstwerk aan, die, hoewel niet direct van rechterlijke aard, toch sterk daarmee samenhingen, zoals ook de bedoelde akten vaak tussen die van zuiver rechterlijke aard geregistreerd staan en dus door de moderne archiefregelaar tot een bijzondere afdeling, die van fiscale zaken gegroepeerd zijn. De functies van rechterlijke aard zijn in 1803 provisioneel aan het gemeentebestuur van St.Oedenrode, als schepenbank geconstitueerd, opgedragen, maar in 1811 voor goed bij andere personen en colleges gebracht. Zolang deze niet geinstalleerd waren, hebben schepenen van St.Oedenrode provisioneel hun taak voortgezet, echter met in achtneming der Franse wetten op de registratie, gelijk blijkt uit hun repertoir van 10 apr tot 18 mei 1811.

Brabants Historisch Informatie Centrum
Aanwijzingen voor de gebruiker
Inventaris
Vrijwillige rechtspraak
Boedel- en voogdijzaken
Fiscale zaken
Huishoudelijke zaken
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS