Archieven

 1562 Woordenboek Brabantse Dialecten, Katholieke Universiteit Nijmegen 1960-2005
 
 
Zoek in deze inventaris
 
 
 
 
 
Inleiding
Dit archief bevat de bronnen van het koepelproject 'Woordenboek van de Brabantse Dialecten' dat een aanvang nam in 1960 op initiatief van prof. dr. A.A. Weijnen. Het woordenboek zelf is in 33 afleveringen gepubliceerd tussen 1967 en 2005 en beschrijft de agrarische woordenschat, de vaktalen en de algemene woordenschat van de dialecten in de provincies Noord-Brabant, Antwerpen en Vlaams-Brabant. De redactie zetelde in de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde (NCDN), die opgegaan is in de afdeling Algemene Taalwetenschap en Dialectologie, tegenwoordig weer opgenomen in de afdeling Taalwetenschap.
Het leeuwendeel van de bronnen bestaat uit ingevulde vragenlijsten van de Nijmeegse enquête, die speciaal voor dit project werd afgenomen. Naast de in druk verschenen genummerde lijsten (1-113) werd ook nog een aantal gestencilde vragenlijsten uitgegeven die van een letter zijn voorzien, lijst A, B enz. Vragenlijsten m.b.t. de algemene woordenschat zoals lijst 1 werden in vrijwel ieder Brabants dialect ingevuld, maar bij meer specifieke onderwerpen (zoals de vaktaal van de diamantbewerker) zijn er veel minder ingevulde vragenlijsten. In deze materiaalverzameling kunt u zoeken op plaatscode (er is een register op plaatscodes beschikbaar) en op begrip oftewel woordbetekenis (ook hiervan is een register beschikbaar).
Daarnaast verzamelde de redactie informatie over de verschillende Brabantse dialecten in de vorm van knipsels, ingezonden woordenlijsten en dialectbeschrijvingen e.d. en beheerde zij het materiaal dat in voorgaande decennia door wetenschappelijk onderzoek was vastgelegd. Zo bevinden zich ook de aantekeningen van J.M. Renders uit Woensel (opgetekend tussen 1930 en 1961) over vele verschillende Brabantse en Limburgse dialecten in dit archief. Een ander onderdeel bestaat uit de invullingen van de vragenlijsten die A.A. Weijnen tussen 1938-1950 publiceerde in de tijdschriften Brabantia Nostra en Edele Brabant.
Inventaris
Code op Plaatsnamen
Begrippenregister
Beginnend met cijfer
Letter A
Letter B
Letter C
Letter D
Letter E
Letter F
Letter G
Letter H
Letter I
Letter J
Letter K
Letter L
Letter M
Letter N
Letter O
Letter P
Letter Q
Letter R
Letter S
Letter T
1562 Woordenboek Brabantse Dialecten, Katholieke Universiteit Nijmegen 1960-2005
Inventaris
Begrippenregister
Letter T
t.b.c.; N 03A (1963); 085a
('t) komend jaar; N S (1970); 147a
't schoonstere; N A (1960); 091
't stubbert er; N A (1960); 086
('t) vorig jaar; N S (1970); 145a
't zie vèr mi oe kinne; N A (1960); 101
't zijn me dreune!; N A (1960); 038
't zwikhèwt trekke; N A (1960); 109
T-vormig boerenhuis; N 05 (1961); 121
T-vormige boerderij met dwarsgeplaatst woongedeelte; N 04A (1963); 002b
taai-taai; N 29 (1967); 093
taai-taaideeg: de grondstoffen; N 29 (1967); 087b
taai-taaideeg: het meel; N 29 (1967); 087a
Taaie pannekoek, zonder gist gebakken (leere ties, leere maria?); N 16 (1962); 055
taal; datgene waarvan men zich bedient om zijn gedachte of gevoelens kenbaar te maken [taal, tong]; N 87 (1981); 050
taal of daad die getuigt van een hoge dunk van eigen voortreffelijkheid [kak]; N 85 (1981); 142
Taart (toert, gattoo?); N 16 (1962); 118
tabaksnerven?; N 93 (1983); 188
tachtig stappen breed, gezegd van een stuk land; N 11A (zj); 131b
tafel dekken; Hoe noemt U: De tafel dekken (rechten dekken); N 80 (1980); 035
Tafel of kastje om kostbare voorwerpen op uit te stallen (stagère, siertafel); N 79 (1979); 029
tak die ontstaat op de stam [dief, waterlot]; N 82 (1981); 033
tak, stok, rijs of strowis die men op de akker of in de weide plaatst om aan te geven dat ze niet betreden mag worden door jagers e.a. (vreewis, vreerijs, vreemei, schutsmei, bode?); N M (1965); 026
takje met een pluim, aan een den [plos]; N 82 (1981); 037
takkebos; N 05A (1964); 082c
takken krijgen, gezegd van een boom [takken]; N 82 (1981); 029
takkenbos, bussel takken en twijgen; N 27 (1965); 049a
takkenbossen die gebruikt worden om de oven aan te steken? [sjanse]; N 98 (1989); 124
tamelijk koud, gezegd van het weer [koutig]; N 81 (1980); 020
tand van de eg (enk); N 11A (zj); 155e
tanden, gebit van het paard; N 08 (1961); 017
tanden van de eg; N 11 (1961); 068
tanden van de eg; N 11A (zj); 155d
tanden van de grondbreker in de grond zetten met de hefboom; N 11A (zj); 152c
tanden van de grondbreker uit de grond nemen met de hefboom; N 11A (zj); 152d
tanden van de hooihark (afb. 92d); N 18 (1962); 092d
tanden van de mestriek; N 11A (zj); 013b
tanden van het voorwerp waarmee men op het land de mest van de kar aftrekt; N 11A (zj); 017b
tanden wisselen: de koe begint van tanden te verwisselen; N 03 (1960); 008
tandjes van de pasgeboren biggen afknippen (tèèntjes brééke); N 76 (1976); 042
tandvlees [bibbletjes, bibbertjes]; N 10 (1961); 035
tandvlees, gezwollen ~; N 08 (1961); 092
tang om kolen uit het vuur te nemen; N 05A (1964); 027b
tang waarmee men het varken een ring in de neus zet; N 76 (1976); 047
tapkast (in het café) [buffet, toog, teek]; N 01 (1960); 083
tapuit (14,5); zomervogel; alleen op zeer droge grond (stuifzand, hei); grijs- en roomwitte romp, opvallende zwart-witte staart bij het vliegen; broedt in grondgaten; N 09 (1961); 030
tarweschoof, pas gemaaide en gebonden ~; N 15 (1962); 018c
tas, losse ~, zak of buidel die onder de rok wordt gedragen; N 24 (1964); 009b
tas, sierlijke ~ met beugel die men 's zondags op de overrok draagt [beugeltes]; N 24 (1964); 009c
tas waarin het voedsel van de schaapherder zit; N 78 (1976); 012a
tasruimte boven de koestal; N 05 (1961); 090
tasruimte naast de dorsvloer; N 05 (1961); 081
tasruimte: plaats in de schuur waar de ongedorste korenschoven worden opgestapeld; N C (1962); 005a
tassen: hooi op de kar in één slag vouwen en zo tegen de kant vastpakken; N 14 (1962); 120
tassen: persoon die het hooi op de kar vastpakt en opstapelt; N 14 (1962); 121b
taxus; heeft platte kortgesteelde naalden, aan de bovenzijde donkergroen; naalden en takken bevatten vergiftige olie, paarden en vee sterven er snel aan; heeft opvallende bessen [ijf, venijnboom]; N 82 (1981); 107a
taxus, vruchten van de ~ [snotpieke, -bellen, -bees]; N 82 (1981); 107b
tbc; N 52 (1972); 017a
Te grote tussenruimten tussen de opeenvolgende inslagen (bv. doordat de inslag afbreekt) noemt men: (komt niet vaak voor bij handweven); N 39 (1971); 140
te lang gerezen deeg; N 29 (1967); 026b
te nat brood; N 29 (1967); 067
te nat, gezegd van deeg dat niet wil rijzen; N 29 (1967); 029b
te rijp en daardoor droog en korrelig, gezegd van een vrucht [meelachtig, melen, versleten, melig]; N 82 (1981); 085
te vroeg in de kerk zijn; N 08 (1961); 107
te vurre legge; N A (1960); 095
teek die zich vasthecht in de huid van het schaap en zich voedt met zijn bloed; N 77 (1976); 061
teek, spinachtig diertje dat zich vastzet op de huid van mens en dier en zich voedt met bloed; N 26 (1964); 009
teelaarde, humusrijke zwarte ~ voor bloemen en planten; N 27 (1965); 027
teelaarde, laag zwarte ~ op de lemige lössondergrond; N 27 (1965); 026b
teelballen, testes; N 08 (1961); 037c
teelballen [zakballe, klote, zetters, knöp, knoppe]; N 10C (zj); 144
teellid van de hengst; N 08 (1961); 037a
teen; N 10B (zj); 027
tegen de bal schoppen in het voetbalspel [schoppen, trappen]; N 88 (1982); 119
tegen elkaar liggen, gezegd van stukken land of staten [grenzen, renen]; N 91 (1982); 210
tegenaan; N S (1970); 268a
tegenin; N S (1970); 268b
tegenop; N S (1970); 268c
tegenover; N S (1970); 268d
tegenwoordig; N S (1970); 006b
teil, in de betekenis van aarden pan of diepe schotel; betekenis/uitspraak; N 20 (zj); 018
teil, in de betekenis van zinken tobbe die ovaal van vorm is en twee handvatten heeft; betekenis/uitspraak; N 20 (zj); 019
telder/ telloor; inventarisatie van gebruik van dit woord of sst. hiermee in ándere betekenis dan 'etensbord' (gebruikelijk in oost Brabant en Limburg); N 20 (zj); 004
telkens een beetje langer worden, gezegd van de dagen [lengen]; N 91 (1982); 218
ten antwoord geven [antwoorden, anderen]; N 87 (1981); 053
ten laatste; N S (1970); 059-1
Tenen die men ongeschild verwerkt noemt men:; N 40 (1972); 013
Tenen op schoven binden gebeurt op een: (zie afb. 2); N 40 (1972); 034
tepel; N 77 (1976); 119
tepel of speen van de koe; N C (1962); 012
tepel van de koe; N 03 (1960); 026
tepel van de merrie; N 08 (1961); 039b
tepel van het varken; N 19 (1963); 019a
tepel waar geen melk uit komt (dopspeen?); N 76 (1976); 056a
ter vergadering bijeengekomen zijn, vergaderen [garen, gaderen]; N 87 (1981); 067
terug; N S (1970); 184a
terug [vrom, vrum, verum]; N 01 (1960); 084
terugdenkend aan overleden personen op bepaalde data [gedenken, geheugen]; N 85 (1981); 025
terugwaarts; N S (1970); 184b
terugwaarts; N S (1970); 278g
Tetanus: ziekte waarbij een verstijving van de spieren optreedt, die begint bij de kauwspieren en zich dan uitspreidt over de rompspieren (klem).; N 84 (1981); 200
teug; Hoe noemt U: De hoeveelheid drank of vloeistof die men in een keer in de mond neemt en doorslikt (teug, slok, zjats); N 80 (1980); 026
teveel water gebruiken tijdens het bewerken van de klei? [brassen]; N 98 (1989); 068
Teveel water op het gemalen mout tappen; N 35 (1971); 053
tevredenheid, genoegen [trek, plezier, goesting, snoel]; N 85 (1981); 055
theelepeltje (suikerlippelke); N 20 (zj); 036
Tien bonen in een glas met water.; N B (zj); 033
tien-guldenstuk, een ~; N 21 (1963); 003k
tiende: Datgene wat, in natura of geld, aan de belasting moet worden afgestaan van de opbrengst van het land [de tiend?]; N 21 (1963); 056
Tijdig iets laten weten; N S (1970); 057b
tijgerkleurige, getijgerde koe; N 03A (1963); 133
tijm, blaadjes zijn langwerpig rond en naar achteren omgekruld; wordt in linnenkast gelegd; ook gebruikt als specerij bij kool, salade en komkommer of in soep gekookt en als geneesmiddel tegen hoest [tamie, tamus, tijmos]; N 82 (1981); 154
tjiftjaf (11); overal waar een gesloten bladerdak is; zang herhaald [tjip-tjep]; N 09 (1961); 040
tjilpen: een zacht piepend geluid geven, gezegd van vogels (sjirpen, tjilpen, tjerpen); N 83 (1981); 062a
tjomper, in de betekenis van 'kostuum(onderdeel)'; betekenis/uitspraak; N 23 (1964); 049b
Toch doe ik het; N S (1970); 310b
tocht, vrij sterke zuiging van de lucht door een beperkte ruimte heen [scheut, trek, zicht, jacht, trok]; N 81 (1980); 051
tochtdrift, geslachtsdrift vertonend, gezegd van het vrouwelijk varken; N 19 (1963); 012
tochtig, geslachtdrift vertonend, gezegd van de hond; N 19 (1963); 070c
tochtig, geslachtdrift vertonend, gezegd van de kat; N 19 (1963); 070d
tochtig, geslachtdrift vertonend, gezegd van het konijn; N 19 (1963); 070e
tochtig, geslachtsdrift vertonend, gezegd van de geit; N 19 (1963); 070b
tochtig, geslachtsdrift vertonend, gezegd van het schaap; N 19 (1963); 070a
tochtig, verlangend naar de paring, gezegd van vogels (parig); N 83 (1981); 051
toegang tot een boerderij; N 05 (1961); 110
toegangspoort, dubbele ~ van een gesloten erf (afb. 77b); N 05A (1964); 077b
Toen er nog geen kozijnen waren, draaide de deur tegen de muur of tegen een plank van 2 à 3 cm. Hoe noemt u die constructie (tek. 19a); N 55 (1972); 019a
Toen ging hij heen (= weg); N S (1970); 183a
toentertijd; N S (1970); 022b
toestaan een handeling te verrichten [laten begaan, betijen, getijen, gewaren, loslaten]; N 85 (1981); 270
Toestel met tegen elkaar draaiende cilinders om gewassen linnengoed glad te maken (mangel, wringer); N 79 (1979); 087
toestel waarin men kinderen leert lopen [lei, stuik, looprek, loopwagen, loopkorf, loopmand]; N 86 (1981); 009
toewijding aan zijn werk [ijver, iever]; N 85 (1981); 287
toezien en moeite doen dat iets uitgevoerd of onderhouden wordt [gadeslaan, bezorgzaam zijn, bekommerd zijn]; N 85 (1981); 085
toilet; N 05A (1964); 021
Tollen: draaien als een tol (trijzelen, bollen).; N 84 (1981); 080
ton waarin het gekookte varkensvoer wordt bewaard; N 18 (1962); 131
tondeldoos, koperen huls gevuld met licht ontvlambaar materiaal (tintelton, tinteldoos); N 20 (zj); 057
tonen: Laten zien, tonen (togen).; N 84 (1981); 047
tong; N 10B (zj); 011
tongetjes, metalen ~ die aan het blad van zeis of zicht ontstaan bij ondeskundig haren; N 18 (1962); 090
tongziekte bij schapen en geiten, er ontstaan uitwassen aan de tong; N 19 (1963); 068
tonnetje om graan in af te meten met een inhoud van 1/2 mud; N 18 (1962); 111
toonbank in een winkel [toog]; N 02 (1960); 014
top van een berg [spits, piek]; N 81 (1980); 060
tortel (28); bekende zomervogel; slank en lichtbruin; nestje meestal in hoge struiken; roep [toerrrrr, toerrrrr]; N 09 (1961); 096
tortel: turkse ~ (28); nieuwe soort voor Brabant, nu meest nog in het oosten; net een grote tamme Oostindische tortel; hele jaar hier; vaak in troepen bij graanhandel, vaak op televisiemasten; alleen bij woningen, nooit in het bos; roep [roe-kóé-koe] en; N 09 (1961); 097
Tot dan!; N S (1970); 010d
tot de aanzienlijke stand behorend; een zekere waardigheid en statigheid van manieren vertonend zoals iemand uit die stand;statig, deftig, fier en trots [deftig, parmantig, parmant, wreed]; N 85 (1981); 136
tot diep in de nacht uitgaan, nachtbraken [zwabberen]; N 87 (1981); 077
Tot dusver(re) ging alles goed; N S (1970); 287b
tot een snoer verenigen [ritsen, resemen, rijgen]; N 91 (1982); 084
tot fijn gruis of zeer fijne koreltjes gemaakte vaste stof [peder, pulver, poeder, stof]; N 91 (1982); 026
tot last zijn, kwelling veroorzaken [vervelen, klieren, sarren, tergen, hengelen, kneuten, kneuteren, donderjagen, moesjanken,vernooien, verleden]; N 85 (1981); 063
tot poeder maken of worden [miezelen, verpulveren]; N 91 (1982); 027
Tot straks!; N S (1970); 015
Tot zaterdag dan!; N S (1970); 121
touw aan de hoorns van een koe; N 03A (1963); 014a
touw aan de horens; N 03 (1960); 081
Touw dat men rekt (om er voor latere bewerkingen de rek uit te halen is ............. (dood?)?; N 48 (1972); 103
touw, gebruikt in de tuin om plantjes in rechte rijen te zetten [stekdroot, hofkoort, reelent, slaglijn]; N 02 (1960); 026
touw met de trekstok waaraan de kleine houten wals door een of meer mensen wordt voortgetrokken; N 11A (zj); 186b
traag praten [lijzen, zemelen]; N 87 (1981); 041
traan; N 10 (1961); 013
tram voor het vervoer van de ploeg, eg, e.d.; N 18 (1962); 144
Trap: harde stoot met de voet (trap, schop, stamp).; N 84 (1981); 099
trap, met de voorbenen een ~ geven; N 08 (1961); 070b
trappeleinden die ontstaan bij het omploegen van de dwarsakkers; N 11 (1961); 050b
trappeleinden van een omgeploegde akker (de beide delen waar bij het ploegen van het grote middenstuk de paarden telkens keren); N 11 (1961); 050a
Trappelen: in vlug tempo de voeten beurtelings oplichten en weer neerzetten (trappelen, trampelen, droebelen).; N 84 (1981); 064
trappelende bewegingen maken; N 08 (1961); 071
trechter die op de vul-opening boven in de houten gierton wordt gezet; N 11A (zj); 053c
trechter gebruikt op de gierton; N 18 (1962); 123
trein, in de betekenis van 'tweewielige kar die met de disselbomen op een tweewielig voorstel rust'; betekenis/uitspraak; N 37 (1971); 009
trek; Hoe noemt U: Zin in eten (trek, appertijt, appetijt, goesting, kop); N 80 (1980); 004
trekbalk, van tanden of ogen voorzien middenstuk van de ~ (afb. 104b); N 11A (zj); 104b
trekbalk verstellen, de middenschakel meer links of rechts op de balk vastzetten naar gelang de trekkracht van elk van beide paarden; N 11A (zj); 104c
trekbalk waarmee twee paarden (elk met een eigen trekhout) voor de ploeg, eg e.d. worden gespannen (afb. 104); N 11A (zj); 104
trekbalk, zeer grote ~ waarmee drie paarden voor een (zwaar) werktuig worden gespannen (afb. 105); N 11A (zj); 105
trekcultivator; N 18 (1962); 052
trekhaak aan de eg waarmee die door het paard wordt voortgetrokken; N 11 (1961); 074
trekhout, dubbelbreed ~ van de kar waaraan de hachten of trekkettingen worden vastgemaakt bij een tweespan; N 17 (1962); 069b
trekhout en kettingen aan het trekhout (afb. 103) te zamen; N 11A (zj); 103e
trekhout van de kar waaraan de hachten of trekkettingen worden vastgemaakt; N 17 (1962); 069a
trekhout waarmee een paard voor de ploeg, eg e.d. wordt gespannen (afb. 103); N 11A (zj); 103
trekijzer, verstelbaar ~ dat op de beugel-met-gaten wordt vastgezet (afb. 99b); N 11A (zj); 099b
trekijzer verzetten op de beugel; N 11A (zj); 099d
trekken aan de spenen van een jonge koe die voor de eerste keer drachtig is, om te zien of ze een kleverig vocht afscheidt; N 03A (1963); 038a
Trekken: een kracht op iets uitoefenen om het te doen bewegen in de richting naar zich toe (trekken, tij(g)en).; N 84 (1981); 086
Trekken en talmen bij de verkoop, n.l. om zoveel mogelijk geld te krijgen [mulken?]; N 21 (1963); 027
trekketting en -haak die samen de verbinding vormen tussen de ploeg en het trekhout van het paard (afb. 95b); N 11A (zj); 095b
trekketting verzetten op de ploegkam, de haak of ring van de trekketting in een andere gleuf of opening van de kam zetten; N 11A (zj); 096
trekkettingen; N 17 (1962); 026
trekkettingen van een vóórgespannen paard dat loopt vóór het tussen de berries gespannen paard; N 17 (1962); 027
trekschoffel; N 18 (1962); 051
trekstang met haak (afb. 93a); N 11A (zj); 093a
trektouwen, trekriemen of trekkettingen [afb]; N 13 (1962); 057
trekzaag; N 18 (1962); 128
treuzelen, niet opschieten [hukke, tukke, lanterfanten, sjolle, kwakke, mèèrele, klôête, klooje, teutele, dòòjere, zeure, seure, soelieje, hannisse, treuzele, teute, semmele]; N 02 (1960); 004
triest, stil weer [koereloeke]; N 22 (1963); 002d
troebele ogen hebbend; N 08 (1961); 094g
troep biggen; N 19 (1963); 017
troep kippen; N 19 (1963); 063
trommelzicht, d.w.z. opzwelling van de buik; N 03A (1963); 090
trommelzucht, opzwelling van de buik; N 03 (1960); 040
tros van twee of meer vruchten [resel, rist, klis, trobbel, troppel, ritsel, bak, trochel]; N 82 (1981); 074
trouwkostuum ['t trouwdinge, trouwpak]; N 23 (1964); 045
trui [maljo, sjtump, tricot]; N 23 (1964); 069
Tuberculose: infectieziekte veroorzaakt door de tuberkelbacil die vrijwel alle organen kan aantasten, meestal echter de longen (tering, teer, loosziekte).; N 84 (1981); 166
tuchtig, geneigd tot paren (gezegd van de merrie); N 08 (1961); 042a
tuig aan de kop van een stier; N 03A (1963); 014b
tuig: als tweede dier van een tweespan zo ingespannen staan dat het andere dier het zwaarste trekwerk doet; N 13 (1962); 087
tuig, deel van het ~ dat het paard op het achterdeel draagt [afb]; N 13 (1962); 074
tuig waaraan men een rund in een kring kan laten grazen; N 03A (1963); 014h
Tuigleer w. na kalking, gespoeld en ontkalkt met mest. Dit heet: - (confijten); N 41 (1972); 108
tuinboon die in sterke mate de ontlasting bevordert [gatschuiver, blazer]; N 82 (1981); 137
tuinboon, grote soort boon [lab-, paards-, molle-, mok-, huis-, moffel-, duive-, flodder-, knauw-, wille-, joden-, roomse boon, wul, zwartvoet, moffel]; N 82 (1981); 135
tuinboon, jonge ~ die men met schil en al eet [wilde want, wollenwantje, nulleke, spekboon, sluimererwt]; N 82 (1981); 136
tuinfluiter (16); donkerder dan grasmus [045]; niet zo talrijk; in bosstruiken; nest graag in braamstruiken; roep hard [tek]; zang is lang, vrij laag en brobbelend; N 09 (1961); 046
Tuingeranium (pelargonium zonale). Bladeren met enige ondiepe insnijdingen (gelobd) en gekartelde rand, in omtrek niervormig. Evenwijdig met de bladeren loopt midden op het blad een donkere band (zone). De bloemen zijn rood of anders van kleur, vele bloe; N 92 (1982); 144
Tuinkamperfoelie (lonicera caprifolium); klimmend tot 9 m. De bovenste bladeren zijn samengegroeid en vaak donzig behaard aan de onderzijde; de bloemen zijn geel en talrijk en bevinden zich in 4 of 5 kransen dicht bijeen (geiteklaver, weeuwtje, duivelsza; N 92 (1982); 167
tuinkers; plant heeft duidelijk witte of roodachtige bloempjes in smalle tros en schuinopstaande vruchtjes die ongeveer een halve cm lang zijn; bladeren zijn fijn verdeeld; stengel en kalkrijke vruchten zijn blauw berijpt [kers, kresson, kerssla]; N 82 (1981); 148
tuinkervel, één- of tweejarig kruid, 30-60 cm hoog, met witte bloemen; bladeren worden gebruikt in soep, sausen en salade [kervel, gervel, kelver, scharnpiep]; N 82 (1981); 155
tuinmelde (atriplex hortensis, eenjarig kruid met hartvormige onderste en langwerpige middelste bladeren; vroeger als groente en specerij gebruikt [malum, manne, mel]; N 82 (1981); 127
tuit van de waterketel van koper of ijzeren met hengsel en tuit; N 20 (zj); 006c
Tulband (redong, bont, bontekoek, turkse muts, sultan?); N 16 (1962); 119
tule, strook ~ van de grote witte muts die van het hoofd afhing over schouders en rug {afb} [slöjjer]; N 25 (1964); 032f
tureluur (28); minder algemeen dan grutto [111]; lijkt wel een kleine bruine uitgave ervan met rode pootjes en snavel; roep [tuu-tu-tu] en [teluuje, teluuje]; N 09 (1961); 112
turf?; N 93 (1983); 190
tussen twee rijen mensen lopen die een stok hebben en daarmee slaan [door de cordons lopen, door de kardouzen moeten, spitsroeden lopen, spitskar]; N 88 (1982); 035
tussen warm en koud, gezegd van vloeistoffen en spijzen [lauw, smeel, smoel]; N 91 (1982); 032
tussenbeiden; N S (1970); 050d
twee bij elkaar gezochte en opgezette stukken met de klompenmakersbijl aan elkaar gelijkvormig maken (richten?); N 97 (1988); 053
twee- of meerjarige twijg [tak, spil, tekker]; N 82 (1981); 035
twee tegenover elkaar geplaatste heulbanken met de ruimte ertussen (heulkooi?); N 97 (1988); 066
tweedelig uitsteeksel waaraan de ploeg wordt voortgetrokken (afb. 97d); N 11A (zj); 097d
tweedeling; N 03A (1963); 150b
tweederangs schaap; N 77 (1976); 003
tweeling; N 77 (1976); 138
tweeling [koppel, twierling, getweeling]; N 06 (1960); 011
tweeling-rund, dat onvruchtbaar is en soms ongeschikt is voor de fokkerij; N 03A (1963); 103
tweelinghaak aan de achterkant van het asblok waaraan de beide kettingen (afb. 97k) zijn vastgehaakt; N 11A (zj); 139d
tweelinghaak aan het asblok waaraan de ploegkettingen worden vastgehaakt (afb. 25); N 11 (1961); 031-2o
tweelinglam; N 70 (1974); 004
tweelingpannetje (voor soep en aardappelen) om eten naar arbeiders in het veld te brengen (hinkelman); N 20 (zj); 017
tweemaal geschoren lam; N 70 (1974); 006b
tweeslachtige jonge kip; N 70 (1974); 010
tweewielig karretje met als 'derde wiel' een slepend blok hout onder de korte dissel dat over de grond voortsleept; N 17 (1962); 041a
tweewielig, licht ~ rijtuig; N 17 (1962); 005
tweewielig vervoermiddel waarmee grote bomen worden vervoerd; N 17 (1962); 006
tweewielig werktuig met een reeks tot de grond reikende halfcirkelvormige haken, gebruikt om het uitgespreide hooi weer in rijen bijeen te slepen; N J (1965); 006
tweewielig werktuig om gras te maaien, getrokken door één of twee paarden; N J (1965); 001a
tweewielig werktuig voorzien van enkele hulpstukken om graan te maaien; N J (1965); 002a
tweewielige, grote ~ kar, die niet opgekipt kan worden, bestemd voor het vervoer van hooi, graan en takkebossen; N 17 (1962); 001
tweewielige, grote ~ kar voorzien van een huif; N 17 (1962); 010a
tweewielige kar op luchtbanden; N 17 (1962); 004
tweewielige, opkipbare, ~ kar met kleine bak die tussen de beide berries valt; N 17 (1962); 002a
tweewielige, opkipbare, ~ kar met wat grotere bak waarbij de beide berries tussen de overlangse draagbalken van de bak liggen; N 17 (1962); 002b
twijg, jonge tak [bent, wis, sprik, tak, teen]; N 82 (1981); 034
twijgen die men in de wand door de vitslatten vlecht; N 04 (1960); 048
twijgen, gevlochten door de vertikale latten heen die op of tussen de regelbanden worden aangebracht bij een vak- en vlechtwerkmuur (afb. 53); N 04A (1963); 053b
twijgen waarmee vroeger de dakbedekking over de schildnaden werd vastgebonden (afb. 34) en (afb. 35); N 04A (1963); 034d
Letter U
Letter V
Letter W
Letter Y
Letter Z
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS