i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Berlicum
Tags:

en maakt ook deel uit van:

Atlas: Opmerkelijke vrouwen

Marie Gijsen (1856-1936)

vertelde op 2 juli 2013 om 13:47 uur

Egidia Maria Helena Anna Gijsen werd op 21 april 1856 in Gouda geboren als dochter van Levinus Gijsen, tweede luitenant bij de infanterie, en Johanna Thijs.

Gestimuleerd door haar vader begon zij verhalen te schrijven voor de Familiebode en de Katholieke Illustratie. In 1888 verhuisde zij met haar moeder (vader was in 1877 overleden) en haar broer Antoon naar Berlicum. In 1911 verscheen haar eerste Brabantse verhaal in Van Onzen Tijd. Datzelfde jaar volgde nog een bundeling van vijf verhalen, Uit het hart van Brabant, waarin ze duidelijk haar onderwerp had gevonden: het Meierijse boerenleven.

In 1916 verscheen Brord en Hanne, een roman over beginnend huwelijksgeluk dat aan drankzucht ten onder gaat. Datzelfde jaar verhuisde de schrijfster naar de villa Catharina in Boxtel, waar haar broer Antoon, die daar al tien jaar burgemeester was, weduwnaar was geworden. Ze voltooide er Hooger Op, over de ontluikende liefde van een priesterstudent voor de dienstbode van zijn ouders. Het boek kwam uit in 1918. Pater A. Gielen S.J. prees in de Boekenschouw 12 (1918-1919) weliswaar “het mooie talent van Marie Gijsen”, maar de manier waarop zij de priesterroeping had behandeld vond hij “een onjuistheid van dezen roman”.

Antoon werd in 1919 burgemeester van Schiedam en Marie verhuisde met hem mee, maar ze bleef over Brabant schrijven. Iedere zomer ging ze er lang op vakantie, om het gevoel voor de sfeer en de taal te houden. In 1920 publiceerde ze Van “ongeweten levens” : Brabantsche schetsen en novellen en Op Akkermans Hoeve, een roman in feuilletonvorm in De Katholieke Illustratie. Frans Erens recenseerde de bundel in De Gids 85 (1921) onder de titel “Een Brabantsch novelliste”. Enerzijds waren haar verhalen “voortreffelijk weergegeven brokken van het leven in de provincie Brabant”, anderzijds stoorde de recensent zich aan het gebruik van het dialect door de schrijfster. Toch is juist dat nu nog een van de aantrekkelijke kanten van haar verhalen.

Ook Ida Haakman besprak de bundel tamelijk positief in Den Gulden Winckel (21) 1922: “welk een rijkdom van sentiment, van medelijden en van uiterst subtiele opmerkingsgave spreekt uit deze eenvoudige verhalen, die niets anders verbeelden dan het kommervolle bestaantje van eenige ruige bewoners der Brabantsche heide of van een armoedig gehucht, te onbeduidend om bij name te worden genoemd.” En: “De natuur, de streek, de menschen en hun taal, hoe eigen en vertrouwd zijn zij Marie Gijsen, en hoe scherp en vol liefde heeft zij geluisterd.”

In 1925 verscheen Een uit velen en in 1928 Aan de boschdreef. Eind 1928 keerde ze terug naar haar geliefde Berlicum. In 1934 verscheen in De Gemeenschap nog het verhaal Aan lager wal. Gradus ziet hierin zijn boerenbedrijf ten onder gaan aan de economische crisis. Zijn broer begint met kippen fokken, maar dat is niets voor Gradus: “Gij mè oe kiepkes!” en hij verkoopt zijn hele gedoe.

Marie Gijsen stierf op 20 november 1936 in de verpleegafdeling van het Berlicumse Vincentiusklooster. Lees de uitgebreide biografie door H.J. Peters op Thuis in Brabant.  Recensies van haar werk vind je in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: