Cijnsregisters

Wanneer je begint met je genealogische onderzoek duik je meestal niet direct de cijnsregisters in. Toch bevatten deze bronnen vaak een schat aan informatie over de bezittingen en verhoudingen van onze voorouders. Deze documenten zijn soms moeilijk te vinden en vrij lastig te lezen en daarom willen we je op deze pagina op weg helpen om deze archieven toch te gaan ontdekken!

Wat zijn cijnzen?

Het woord 'cijns' is een term die we zowel in als na de middeleeuwen regelmatig in onze archieven tegenkomen. Cijnzen zijn ontstaan uit het leenstelsel, voortvloeiende uit de feodale verhoudingen in de middeleeuwen. Het woord is afgeleid van het Latijnse 'census' en heeft volgens het woordenboek verschillende betekenissen: schatting, belasting, grondrente en erfpacht.

De betekenis die wij hanteren (overgenomen uit de gids 'Hoenen en kapoenen') luidt als volgt: "Een cijns is een recht op een jaarlijkse uitkering uit onroerende zaken, bijvoorbeeld een stuk grond of gebouw, uit ambten (bijvoorbeeld een secretarisambt), of uit het gebruik van andermans recht, bijvoorbeeld de zeggenschap over onontgonnen gronden." Dat recht heeft dan een periodieke, meestal jaarlijkse betaling tot gevolg. De betaling kon in geld, maar ook in natura worden voldaan en werd tevens vaak aangeduid met de term 'cijns.' De meest voorkomende betalingen in natura waren in kapoenen en granen.

Cijnsboek van de heer Van Dinther, 1760-1834 (toegang 314, inventarisnummer 1388)

Er zijn in elk geval vier soorten cijnzen te onderscheiden:

  1. Domaniale cijnzen met betrekking tot grond: grondheren geven hun grond in gebruik aan mensen tegen betaling van een jaarlijkse cijns. Deze cijnzen bleven in principe eeuwig bestaan.
  2. Domaniale cijnzen, ontstaan als gevolg van de uitgifte van heerlijke rechten. Toestemming ('octrooi') voor het gebruik van deze rechten kostte geld, onder meer een jaarlijkse cijns, ook wel recognitiecijns genoemd. Enkele voorbeelden zijn het recht om functionarissen te benoemen, het recht van de wind of op de wateren en woeste gronden, zoals het molenrecht, visrecht, tolrecht, jachtrecht en het recht van eendenkooi.
  3. Particuliere cijns, waarbij de cijnsheffer zijn goed, bijvoorbeeld zijn huis of een stuk grond, uitgaf tegen een jaarlijkse cijns. De cijnsbetaler mocht het goed vervolgens gebruiken.
  4. Aparte categorie particuliere cijns, ook wel (grond)rente genoemd. Het lijkt het meest op de constructie van de hedendaagse hypotheek, waarbij de eigenaar jaarlijks een vast bedrag betaalt in ruil voor een som geld die hij in één keer uitbetaald krijgt. De cijnsbetaler blijft hier eigenaar en gebruiker van de zaak, in tegenstelling tot de voorgaande drie categorieën.

De eerste twee categorieën vallen onder de publiekrechtelijke cijnzen en zijn afgeleid van het gezag dat een heer uitoefende over gronden. Alleen grondheren konden deze domaniale cijnzen uitgeven. De laatste twee categorieën hebben een privaatrechtelijke oorsprong: ieder particulier persoon kon dergelijke cijnzen in bezit krijgen en deze cijnzen werden bovendien verhandelbaar.

Niet losbare (niet afkoopbare) erfelijke cijnzen die in geld werden betaald, komen we veelal tegen onder de naam 'erfcijnzen.' Cijnzen in natura werden vaak 'erfpachten' genoemd. Overigens worden de termen (erf)cijns, (erf)rente en (erf)pacht veelvuldig door elkaar gebruikt.

Rechtspraak

De meeste cijnzen waren erfelijk en onveranderbaar. In de loop der eeuwen werd degene die het gebruiksrecht had steeds vaker beschouwd als de eigenaar van grond en huizen. Alle juridische zaken van domaniale cijnzen werden bij zogenaamde leenhoven en laathoven geregeld. Bij wanbetaling kwam het weleens tot een proces, een uitwinningsprocedure, voor het leen- of laathof. Voor de particuliere cijnzen kon men terecht bij de schepenbank. 

Ook de overgang van een cijnsgoed verliep meestal via een laathof, later voor een notaris of de schepenbank. Overgang van een cijnsgoed kon door vererving, vrijwillige afstand, schenking onder levenden, een gerechtelijk vonnis of door uitwinning. In het laatste geval ging het om een gedwongen afstand wegens het niet nakomen van verplichtingen.

>Zoeken in archieven van leen- en laathoven

>Zoeken in schepenakten

Proces over betaling van cijns, 1643-1646 uit de Leen- en Tolkamer van 's-Hertogenbosch (toegang 8, inventarisnummer 163)

Proces over betaling van cijns, 1643-1646, geregistreerd door de Leen- en Tolkamer van 's-Hertogenbosch (toegang 8, inventarisnummer 163).

Als een cijnsgoed van bezitter veranderde, had de cijnsheffer eenmalig recht op een extra heffing, namelijk de gewincijns. Bovendien moest een bedrag aan schrijfgeld betaald worden. Het te betalen geldbedrag van een cijns was in principe onveranderlijk. De voortschrijdende inflatie had daarom tot gevolg dat de waarde van de vaste cijns tot een minimum daalde: gunstig voor de cijnsplichtige, ongunstig voor de cijnsheffer. De meeste cijnzen zijn in de negentiende en twintigste eeuw dan ook verdwenen.

Cijnsregisters en hun structuur

Van de oude grondcijnzen zijn nauwelijks stukken bewaard gebleven. De tweede groep domaniale cijnzen heeft meer schriftelijke stukken opgeleverd. Vooral van de uitgifte van woeste gronden zijn veel charters of oorkonden overgeleverd. De particuliere cijnzen werden in de meeste gevallen bij schepenakte geregeld. Ze zijn dan ook vaak terug te vinden in de archieven van de schepenbanken.

Naast deze aankomsttitels (naar aanleiding van het ontstaan van cijnzen) ontstonden er nog archiefstukken over de inning, te weten de cijnsregisters en -rekeningen. Cijnsregisters werden gebruikt voor de inning van de cijnzen en de controle op die inning. De eigenaar van de cijnzen liet in de meeste gevallen de inning over aan een rentmeester.

In de oudste cijnsregisters staan de plaatsen waar cijnsgoederen lagen nog door elkaar. Na verloop van tijd werd de administratie gespecialiseerd en werden de cijnsregisters opgedeeld naar cijnskring. Deze registers worden ook wel liggers, leggers, blaffaards of cijnsboeken genoemd. De rentmeester nam het register mee als hij zijn ronde deed langs de verschillende cijnskringen om de cijnzen te innen. Op het eind van het rekeningjaar maakte de rentmeester zijn rekening op. Deze stuurde hij ter controle (afhoring) aan zijn heer of aan de instantie die zijn heer daarvoor had aangewezen, bijvoorbeeld een rekenkamer.

Het eerste onderdeel van iedere post in een cijnsregister is de naam van de cijnsplichtige. Daarna volgde een beschrijving van het goed of het recht waarvoor hij cijns betaalde. Ten slotte werd het cijnsbedrag vermeld. In de linkermarge werden veelal de jaren van betaling van de cijns bijgehouden. Het doorhalen van een oude cijnsplichtige gebeurde door de naam te onderstrepen. De naam van de nieuwe cijnsplichtige werd erboven geschreven.

Voorbeeld van de structuur van een cijnpost, 1639-1647 Toegang 9, inventarisnummer 117.

Voorbeeld van een structuur van een cijnspost uit 1639-1647 (toegang 9, inventarisnummer 117). Het gaat hier om de inning van cijnzen. Onderaan wordt het cijnsgoed beschreven, daarboven volgen de namen van opeenvolgende eigenaren en in de linkermarge werd de betaling per jaar bijgehouden. Het cijnsbedrag is in de rechtermarge te lezen.

Als gevolg van de werkwijze van de rentmeester om nieuwe namen boven de oude te zetten, moet een cijnsregister van beneden naar boven gelezen worden. Door de vele mutaties is het vaak moeilijk een juiste datum voor iedere notitie vast te stellen: een register kan wel een halve eeuw zijn bijgehouden voordat het werd vernieuwd. De oudste laag kan vastgesteld worden door middel van het schrift. De tijd dat het register in gebruik is geweest kan soms afgeleid worden uit de aantekingen van betaling in de marge. De oudere registers, met name de hertogelijke administratie, zijn overwegend in het Latijn geschreven. Vanaf het eind van de 16e eeuw zijn ze meestal in het Nederlands opgesteld.

Wanneer een nieuw cijnsregister werd aangelegd, schreef men eerst de posten over van de laatste cijnsbetalers uit het oude cijnsboek. Niet alleen de structuur, maar ook veel van de persoonsnamen en toponiemen werden vanuit het oude in het nieuwe register overgeschreven. Soms vinden we alleen in het begin van een cijnsregister een aanwijzing over het jaar waarin men het heeft aangelegd.

Cijnsregister Heeswijk, 1709-1759 (toegang 314, inventarisnummer 1389).

Cijnspost uit Heeswijk (1709-1759) die gedurende vijftig jaar in hetzelfde register is bijgehouden. Deze continuïteit maakt dit soort registers waardevol materiaal voor o.a. genealogisch onderzoek. Toegang 314, inventarisnummer 1389.

De grote kracht van cijnsregisters ligt in de lange periode waarin ze vaak consequent zijn bijgehouden. Om deze reden vormen deze reeksen, die soms lopen van de 14e tot en met de 20e eeuw, een prachtige bron voor allerlei soorten historisch onderzoek. Denk bijvoorbeeld aan onderzoek naar feodale ontwikkelingen, landschapsontwikkelingen, nederzettingsgeschiedenis, bezit van personen en instellingen, toponiemen, sociale en politieke verhoudingen, persoonsnamen, munten, maten en natuurlijk genealogisch onderzoek. Bij een nieuwe eigenaar werd namelijk regelmatig het familieverband vermeld, zoals de opeenvolgende eigenaren binnen een familie.

Het einde van cijnzen in Nederland

Cijnzen werden gezien als een uitvloeisel van het feodale systeem en om deze reden overleefden ze slechts voor een klein deel de Franse Revolutie. De Staatsregeling van 1798 nationaliseerde alle domeinen. Zowel de gronden als de domaniale cijnzen vervielen aan de staat. Ook de domeinen van het Huis van Oranje-Nassau werden geconfisceerd, maar kregen wel een afzonderlijk beheer.

Daarnaast werd het steeds makkelijker om cijnzen af te kopen en hierdoor ontstond onder meer in 1805 een grote golf van afkopen. Sommige betalers kozen er echter voor om de cijnzen te blijven betalen, waardoor de cijnsregisters ook na de Franse tijd gewoon doorliepen. De controlerende instanties maakten door de komst van de Fransen in 1795 wél een verandering door. In 1798 werd een commissie in het leven geroepen die zich bezig hield met het beheer van goederen en bezittingen binnen de Bataafse Republiek van buitenlandse personen en instellingen. Later werd deze organisatie kortweg de Commissie van Breda genoemd. Deze commissie eiste van de rentmeesters de oude cijnsregisters op. Dat is de reden waarom dit archief zoveel oude cijnsboeken bevat. Je kunt dit archief inzien in de studiezaal van het BHIC.

Open inventaris van Commissie van Breda

In 1801-1811 kwamen de domeinen onder een naar Frans voorbeeld georganiseerde administratie: de Administratie der Registratie en Domeinen, later uitmondend in de Dienst der Domeinen. De term rentmeester werd vervangen door agent en vanaf circa 1850 door ontvanger. Deze archieven zijn te vinden bij het BHIC in de archieven van de Domeinkantoren Noord-Brabant in het archief van de Dienst der domeinen, inspectie 's-Hertogenbosch en opvolgers.

Na het vertrek van de Fransen in 1813 kwamen alle domeinen in bezit van de Nederlandse staat. Dit gold ook voor de goederen van het Huis van Oranje-Nassau. Enkele gedeeltes kreeg koning Willem I in eigendom terug, maar in 1848 werden ze alsnog geschonken aan de staat. Deze goederen worden sindsdien Kroondomeinen genoemd. Prins Frederik, de tweede zoon van Willem I, kreeg in 1840 een gedeelte van de voormalige familiebezittingen in eigendom, maar na zijn overlijden in 1881 kwamen ook deze goederen weer toe aan de staat.

Waar kun je de gegevens vinden?

De domaniale cijnsregisters werden bewaard in het archief van de rentmeester (rentmeesterarchief) en/of in het archief van de heer (heerlijkheidsarchief). Zij droegen hun archief over aan hun opvolgers. Bij grotere territoriale eenheden trad meestal een rekenkamer op als controlerende instantie. Zoals we hierboven hebben gezien, werden de rechterlijke stukken bewaard bij schepenbanken en bij leen- en laathoven.

Van oorsprong zijn veel cijnzen in de Meierij van Noord-Brabant in het bezit van de hertogen van Brabant. Zij stelden vanaf 1300 een rentmeester aan, die viel onder de rentmeester-generaal. Vanaf 1469 werden er vier rentmeester-generaals benoemd voor de vier afzonderlijke kwartieren (Brussel, Leuven, Antwerpen en 's-Hertogenbosch). Het oudste archief van de rentmeester-generaal is uiteindelijk terechtgekomen in de Rekenkamer van Brabant, die zijn werk controleerde. Dit archief bevindt zich in het Algemeen Rijksarchief in Brussel, maar is tevens op microfiche bij het BHIC te raadplegen.

Open inventaris microfiches Rekenkamer

Tussen 1629 en 1648 namen de Staten-Generaal het goederenbezit van de hertogen over en vormden de cijnzen een belangrijke bron van inkomsten voor de generaliteit. De administratie van deze cijnzen is terug te vinden in het archief van de domeinen, raad en rentmeester-generaal.

Open inventaris van Domeinen, raad en rentmeester-generaal (1515-1816)

Daarnaast waren cijnsrechten ook in het bezit van de leenmannen van de hertog van Brabant. Enkele voorbeelden hiervan zijn de heren van Helmond, Asten, Boxtel en Oirschot. Deze archieven kunnen bij het BHIC geraadpleegd worden. De administratie van de cijnzen van het Huis van Oranje-Nassau kunnen worden ingezien bij het Nationaal Archief in Den Haag. De heren van Oranje-Nassau waren namelijk leenmannen van de hertog van Brabant (later Staten-Generaal) en beheerden grote gebieden in Brabant. Ook na de Franse overheersing kregen ze tijdelijk enkele gedeelten van hun bezit in eigendom terug.

Legger van goederen en cijnzen van klooster Mariëndonk, 1570-1603 (toegang 239, inventarisnummer 123).

Legger van goederen en cijnzen van klooster Mariëndonk, 1570-1603 (toegang 239, inventarisnummer 123).

Cijnsregisters worden ook bewaard in de archieven van de Commissie van Breda, Domeinkantoren Noord-BrabantDienst der domeinen, inspectie 's-Hertogenbosch en opvolgers en de rentmeesters van Prins Frederik en hun opvolgers. Tot slot bezaten kloosters en abdijen ook cijnsrechten. Hun administratie is vaak ondergebracht in archiefbewaarplaatsen in binnen- en buitenland. Enkele voorbeelden hiervan zijn de abdijen van Berne, Thorn en Tongerlo. Ook bij het BHIC zijn verschillende kloosterarchieven beschikbaar die cijnsregisters bevatten.

Meer weten?

In de bibliotheek van het BHIC bevinden zich diverse nadere toegangen op cijnsregisters. Zo zijn er verschillende transcripties van cijnsregisters gemaakt, die je onderzoek een stuk gemakkelijker kunnen maken. Zoek in onze bibliotheek op 'cijn*' en de plaats van je onderzoek.

Daarnaast bevat onze bibliotheek de cijnsgids 'Hoenen en kapoenen' en twee werken die zich speciaal richten op rekenmunten die gehanteerd werden bij cijnzen. Hieronder vind je de titels van deze boeken:

  • Y.J.A. Welings, C.J.M. van der Heijden, J.G.M. Sanders, Hoenen en kapoenen: gids van cijnsregisters betreffende Noord-Brabant, 14de-20ste eeuw ('s-Hertogenbosch, 2000). Ter inzage aanwezig in onze studiezaal onder nummer GA149.
  • Theo Nissen, Calculatis: Rekengeld bij de cijnsheffing in oostelijk Noord-Brabant (133-18e eeuw) (Amsterdam, 2007). Aanwezig in onze bibliotheek onder nummer 134D71.
  • J. Verbesselt, Oude cijnzen munten en maten (Roeselaere, z.j.). Aanwezig in onze bibliotheek onder nummer B17.1A.

Goed om te weten

  • De series cijnsregisters zijn vaak fragmentarisch aanwezig en zijn bovendien verspreid over vele verschillende archieven die bewaard worden bij verschillende archiefbewaarplaatsen. Wil je precies weten waar de cijnsregisters van een bepaalde plaats zich bevinden? Raadpleeg dan het boek 'Hoenen en kapoenen', ter inzage aanwezig in onze studiezaal.
  • Wees altijd bedacht op overschrijffouten in de nieuwe cijnsregisters. Raadpleeg ook zeker de oudere registers om te kijken naar de juiste spelling van namen en controleer daarbij ook of er geen namen zijn vergeten.
  • Persoonsnamen werden in cijnsregisters veelvuldig in het Latijn opgeschreven. Ook voor achternamen werd een Latijns alternatief gebruikt, wat het genealogisch onderzoek soms bemoeilijkt.

Hulp nodig?

Heb je vragen? Je kunt altijd contact met ons opnemen, telefoon: 073-6818500, e-mail: info@bhic.nl en via onze chatservice. Je kunt je vragen ook stellen op ons forum voor historisch onderzoek en genealogie.

Met dank aan

Y.J.A. Welings, C.J.M. van der Heijden, J.G.M. Sanders, Hoenen en kapoenen: gids van cijnsregisters betreffende Noord-Brabant, 14de-20ste eeuw ('s-Hertogenbosch, 2000).