i

Dit verhaal gaat over:

Tags:

Aan het wijde water

vertelde op 24 oktober 2011 om 09:12 uur

Terwijl ik naar het vredig water van de Maas tuur – mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd – wacht ik op inspiratie. Een schip vol grint laat zich onder zacht motorgebrom met de stroom naar het noorden meevoeren. De boot ligt zo diep dat het water vrij toegang heeft tot het gangboord.

De gedachte dat het grint voor een snelweg bestemd is, stoort me. Ik zou de gedeputeerden uit Maastricht wel eens willen horen uitleggen hoeveel waterpartijen er in Midden-Limburg nog moeten verschijnen om de bouw van het nieuwe provinciehuis te financieren; ergernis werkt niet inspirerend. Gelukkig, als de boot om de bocht verdwenen is, keert de vrede in het landschap en in mijn hart terug.

De oude man die ik in het voorbijgaan van het veerhuis begroet heb, komt mijn richting uit en wenst mij een “goede middag”. Kennelijk om een praatje verlegen, zegt hij verbaasd te zijn dat ik nog niets op mijn schetsblad getekend heb. Hij vervolgt dat ik, als ik dat wil, gerust op zijn hoger-gelegen terras mag zitten om de blauwe verten van de Maas vast te leggen. Alleen al uit beleefdheid, sla ik zijn aanbod niet af en volg hem -in zijn trage tempo- de trap op.

Ik noem mijn naam, hij maakt zich bekend als Adriaan Stevens. Hij nodigt me uit plaats te nemen op één van de gemakkelijke stoelen, zij staan in de schaduw van vijf reusachtige eikenbomen. Een gevelsteen noemt de naam van het huis: “Het Paradijs”.

Adriaan zegt dat hij thee zal laten zetten en gaat - voor een moment- het huis in. Na een poosje verschijnt een statige dame met een dienblad waarop zich een “boerenbont” servies bevindt. Uit de sierlijke tuit van de theepot ontsnappen wolkjes stoom. Ik sta op om kennis te maken. “De vrouw van Adriaan”, zegt ze en dan ”Ik heb het al meer dan vijftig jaar bij hem uitgehouden.”

Ons kennismakingsgesprek wordt plotseling onderbroken door het luiden van een scheepsbel. Alle drie rijzen we van onze stoel en kijken naar de waterkant waar het geluid vandaan komt. Het veer ligt op zo’n twintig meter afstand van de veerstoep stil. De veerman wenkt Adriaan met drukke gebaren. De sluitboom is geopend en drie jongens staan op de op- en afrijklep te springen. Hun fietsen liggen verspreid over het dek. Adriaan loop mopperend naar een roeiboot die aan de wal gemeerd ligt en gaat erin zitten. Met een enkele roeislag bereikt hij het veer. Adriaan stapt via de klep aan boord.

Hij zwaait met gebalde vuist naar de jongens. Hij pakt één van hun fietsen en loopt ermee naar het boord van het veer. Op het moment dat hij van plan is de fiets in het water te gooien, springen de drie gekleed en wel de Maas in. Mevrouw Stevens levert instemmend commentaar op de handelwijze van haar man: de jongens zouden de nog jeugdige veerman steeds brutaler pesten. De drie knapen zwemmen naar de kant en rennen zodra het veer de wal bereikt, naar hun fietsen.

Adriaan komt het terras oplopen en gaat kalm weer zitten. Hij volstaat met de opmerking dat een ouderwetse behandeling bij deze belhamels wonderen verricht. De jongens trekken hun kleren uit en schieten, slechts gekleed in een onderbroek, de Veerweg op. Zij wagen zelfs geen blik in onze richting.

Ik geef het gesprek een andere wending door op te merken dat op mijn papier niet een schets, maar een verhaal of gedicht over “het wijde water” moet verschijnen.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:

Lees ook deze verhalen

vertelde op 29 juni 2009 om 15:16 uur

De Maas