i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Putte
Tags:

en maakt ook deel uit van:

Atlas: Brabant door de ogen van de Commissaris van de Koningin

De Commissaris van de Koningin over Putte

vertelde op 2 april 2009 om 12:06 uur

Tussen 1894 en 1928 was Mr. A.E.J. baron Van Voorst tot Voorst Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant. Een van zijn taken was het regelmatig bezoeken van alle gemeenten in de provincie. Van die werkbezoeken hield hij nauwkeurig verslag bij. Dit had hij in al die jaren over Putte te melden :

Nieuwsgierig naar zijn handgeschreven tekst? Lees die dan hier.

Putte

Den vierden Mei 1896 bezocht ik de gemeente Putte. Na vantevoren in Huijbergen en in Ossendrecht te zijn geweest, kwam ik omstreeks 4 uur te Putte aan. Er was zeer veel werk gemaakt, om mij behoorlijk te ontvangen. Meerdere eereboogen, sparregroen, vlaggen, harmonie. Putte heeft eene bebouwde kom, waarvan een gedeelte Hollandsch en een ander deel Belgisch is. Dat geeft dikwijls veel last met de politie, omdat deze de grens niet mag overschrijden.

De harmonie is samengesteld uit Hollanders en Belgen. De secretarie is bij den secretaris aan huis; de raad vergadert in een herbergkamer; nog nooit werd ik in eene raadskamer gebracht, die eenen zóó bedroefden indruk maakte: eerst moet men door de gelagkamer, vervolgens door een winkel, waarin vooral veel brood ligt en daarachter de raadkamer.

De wethouders maakten geen ongunstigen indruk; de pas benoemde Burgemeester schijnt zeer zijn best te doen. Mijne audiëntie moest ik ten huize van den burgemeester geven, omdat het daar althans behoorlijk was. De geestelijkheid van Putte deelde mij mede, dat zij meende, dat de keuze van den nieuwen burgemeester eene gelukkige geweest was. De administratie te Putte was zeer goed in orde.

Ik bleef tot half zes in Putte (ik moest om zeven uur de trein te Bergen op Zoom halen) en werd door het volk zeer luide toegejuicht toen ik vertrok. Hoewel Putte arm is, wordt er ’s winters toch geen gebrek geleden; de geheele vrouwelijke bevolking vlecht matten, en verdient daarmede een behoorlijk daggeld; ook de kinderen kunnen daarmede helpen. De administratie van den secretaris, zoowel als die van den ontvanger, maakte, volgens Klasens, een goeden indruk.

De arbeidswet wordt te Putte algemeen overtreden, met name de artikelen 3 en 5. Ik geloof niet, dat het mogelijk zijn zal, bedoelde wet daar te doen eerbiedigen: vooreerst omdat het werk door de ouders in huis aan de vrouwen, dochters en kinderen wordt opgedragen; men heeft niet met enkele werkgevers te doen, wier werkplaatsen men kan laten controleeren, maar met de geheele bevolking, omdat in ieder huis, en vooral door ieder gezin matten worden gevlochten. Vervolgens is de wet niet te handhaven, omdat Putte voor de helft Belgisch is, en onze arbeiderswet in België niet geldt, en de Belgische arbeidswet in Putte niet gehandhaafd wordt.

Zou men met geweld de bevolking tot gehoorzaamheid aan de arbeiderswet willen dwingen, dan zou men, meen ik, opstand verwekken.

Den 28 Augustus 1900 kwam ik weer in Putte. Sinds mijn vorig bezoek was een ledigstaand locaal van de openbare school ingericht tot raadhuis. Na invoering van leerplicht zal dat lokaal vermoedelijk weer voor de school noodig zijn; Putte zit dan weer zonder raadhuis.

Van B. en W. vernam ik, dat het mattenvlechten wel werk geeft in Putte, maar dat het zoo bedroevend was, dat er slechts enkele afnemers waren, en dat deze de gedwongen winkelnering hadden ingevoerd; de werknemers, die toch al slecht betaald werden, waren daardoor van oneindig mindere conditie, doordat ze nooit een cent geld in handen kregen.

Verbod van gebruik van vreemd geld zou in Putte niet te handhaven zijn; men ging veelal in de winkels van Belgisch Putte; in Hollandsch Putte is geen f. 100 Hollandsch te krijgen; als de menschen naar stad gaan, gaan ze naar Antwerpen.

Putte, Kaart van de Heerlijkheden Huijbergen en Putte, 1781 (WBA, Kaarten Raad en Rekenkamer Bergen op Zoom, BOZ009001024)Kaart van de Heerlijkheden Huijbergen en Putte, 1781 (bron: West-Brabants Archief/ Kaarten Raad en Rekenkamer Bergen op Zoom)

Op mijne audiëntie verscheen de wethouder Teijsen; die klaagde over den veldwachter; hij ondervond geene bescherming voor zijne goederen; bovendien werd niet gelet op het muziek maken in de herbergen. Ik heb Teijsen gezegd, dat hij zich met zijn klachten tot den burgemeester moest richten; hielp dat niet, dan kon hij zich later schriftelijk tot mij wenden. De nieuw benoemde gemeente-ontvanger, Ketelaars, tevens waarnemend rijksontvanger, kwam zich aan mij voorstellen.

Van Hooidonk en Gijsen klagen over te hoogen aanslag in den hoofdelijken omslag. De burgemeester, door mij gehoord over de klachten van Teijsen, erkent, dat de veldwachter meer dienstijver kan hebben; maar zegt tevens, dat Teijsen tegen den veldwachter is, omdat deze met de raadsverkiezingen, niet voor Teijsen wilde werken. De klachten van Hooijdonk en Gijsen waren gegrond; zij waren vrienden van den burgemeester, en werden daarom door de tegenwoordige meerderheid gekneveld.

Wat de muziek in de herbergen betreft, volgens den burgemeester werd daartegen zoo veel mogelijk gewaakt; het was moeielijk bekeuringen te maken, maar in 1899 waren er toch ruim veertig verbalen geweest wegens allerlei herbergovertredingen, muziek maken enz. enz., meestal door de marechaussee opgemaakt; de gemeenteveldwachter had er vijf opgemaakt. De muziek in de herbergen was niet te keeren; in alle naburige gemeenten ging het juist als in Putte; in Hoogerheide was het nog veel erger.

Ik heb den veldwachter, Puttenaar van geboorte, sinds vijftien jaar veldwachter, laten binnenkomen en hem tot het aan den dag leggen van meer dienstijver aangespoord; bij gegrond bevonden ernstige klachten dreigde ik hem met ontslag. De secretaris Leijs meende, dat ik hem zocht; hem gezegd, dat het tegendeel waar was, en dat ik veeleer steeds tot gematigdheid en vrede had aangespoord; hem gezegd, dat, als er weer eens eene burgemeestersvacature in Putte kwam, en Putte was nog zoo verdeeld als nu, dat er dan vermoedelijk weer naar een vreemden burgemeester zou gezocht worden.

Ik nam de localiteit van de openbare school (3 goed ingerichte localen) in oogenschouw; de leerlingen waren er niet. Den burgemeester, die mij had uitgenoodigd iets bij hem te gebruiken, had ik bericht, tot mijn leedwezen verhinderd te zijn om van zijne uitnodiging gebruik te maken. De rijke pastoor, die ik in 1896 in Putte had aangetroffen, was overleden; dat was een zware slag voor de gemeente, omdat hij veel goed deed in de gemeente, en omdat hij hoog was aangeslagen in den hoofdelijken omslag.

Den 20 April 1904 kwam ik weer in Putte; ik was van tevoren per tram naar Ossendrecht gereden; en ging later per rijtuig naar Bergen op Zoom terug, na tevoren nog Hoogerheide – waar het Raadhuis van Woensdrecht staat – te hebben bezocht. Het raadhuis is nu gevestigd in een klein afgeschoten hokje van de onderwijzerswoning; nog wel zeer primitief, maar toch ongelijk veel beter dan vroeger in 1896.

Audiëntie verleend aan pastoor Van Ekelen, die zich beklaagde over den strijd in de gemeente tusschen den burgemeester eenerzijds, en diens wethouders anderzijds. De Pastoor staat aan de zijde van den burgemeester, en vroeg, dat ik dezen toch zooveel mogelijk zou steunen. Het hoofd der school beklaagde zich over de wethouders, die geweigerd hadden om een mandaat voor zijn tractement tijdig te laten opmaken, waardoor hij zeer in ongelegenheid was geraakt. Nu was de zaak – dankzij de tusschenkomst van G.S. – gelukkig in orde.

Putte,-Dienstwoning-aan-de-Hooiweide,-foto-uit-1987-(PNB001052953)Dienstwoning aan de Hooiweide, foto uit 1987 (bron: BHIC)

De veldwachter Mertens beklaagt zich, dat de wethouders/armmeesters weigeren om verder aan hem te voldoen de met hem overeengekomen verplegingskosten voor zijne krankzinnige zuster. De burgemeester had zich bereids te dezer zelfder zake tot G.S. gewend. De wethouders Teijsen en Stroup hebben eindelooze – meestal hoogst onbillijke – klachten tegen den burgemeester. Ik deed een beroep op hen, om toch mede te werken, dat de zaken in Putte niet vastloopen.

Een m.i. gegronde klacht van Teijsen tegen den burgemeester was, dat deze niet zorgde voor den schouw der wegen en waterleidingen, en dat dientengevolge nu groote kosten moesten gemaakt worden om eene waterleiding weer in orde te maken, wat in 1903 met eene kleinigheid ware te verhelpen geweest.

Ook de burgemeester klaagde van zijn kant bitter over de wethouders en over den gemeenteraad; ik heb medelijden met den burgemeester: hij kan in Putte zijn plezier wel op! Op eene bevolking van 1.200 zielen werden er in 1903 23 huwelijken gesloten; 25% gedwongen; twee à drie onwettige geboorten per jaar. De menschen wonen in werkelijk goede woningen; meestal eigen huisjes met tien tot twintig aren tuin; aardappelland wordt dan achteraf nog gehuurd, evenwel voor niet meer dan voor eigen gerief; twee à drie varkens; drie à vier geiten; ieder huishouden slacht zijn eigen varken en eet het heelemaal op.

Vroeger reed er veel volk naar Duitschland; thans zijn de loonen daar niet meer zoo hoog, en gaan er velen naar België, en, om hout te kappen naar Frankrijk. Slecht enkele vrouwen gaan in het buitenland werken; en dan nog meestal getrouwd. De grootste grondeigenaren van gronden onder Putte zijn De Pret met 186 hectare; en Couperus met 99 hectare.

Den 24 Juni 1908 kwam ik weer in Putte; ik ging met den tram naar Ossendrecht; reed vandaar naar Putte; en keerde later vandaar per rijtuig naar Bergen op Zoom terug. Het was voor mij een moeielijk bezoek, na alle verschillen en moeielijkheden, die er geweest waren met de burgemeester en met de wethouders. Zooveel mogelijk trachtte ik de gemoederen kalm te houden; dat gelukte vrijwel; Wethouder Stroup zei wel eens een hard woord, maar ik deed dan maar, alsof ik het niet hoorde.

Bij mijn komst had de burgemeester eene lange welkomstrede voorgelezen; ik geloof niet, dat zijn welkom van ganscher harte kwam. Ik richtte het woord nooit tot iemand in het bijzonder; ik sprak reeds in het algemeen, en keek dan de Heeren om beurten aan. Zoo kwam ik zonder incidenten tot aan de audiëntie; daarvoor had zich niemand aangemeld behalve het pas benoemde schoolhoofd, de Heer Koenraadts;

deze vroeg mijne bemiddeling, opdat men spoedig zou beginnen aan den voorgenomen verbouw van zijne woning; het was daarvoor thans zoo mooi weer; omdat de woning geheel wordt afgebroken, en hij zich middelerwijl tijdelijk elders zal moeten behelpen, wees hij er op, dat het zich behelpen ’s zomers veel gemakkelijker ging dan ’s winters; de Heer Koenraadts vroeg bovendien steun bij den Raad, tot verbetering van zijne jaarwedde.

Het Raadhuis – niet veel meer dan eene porte cochère – is ellendig; ik wenschte den Heeren een lotje uit de loterij, om een behoorlijk nieuw Raadhuis te kunnen bouwen. De waterleidingen worden thans door de gemeente onderhouden; in 1907 was daaraan ruim f. 300 ten koste gelegd. Wanneer de burgemeester alle zes jaren trouw had geschouwd, zooals zijn plicht was, dan had gemeente die groote uitgave voor verwaarloosd onderhoud niet behoeven te doen, merkte wethouder Stroup schamper op.

Putte, Algemene begraafplaats aan de Putseweg. Gebouwd tussen 1800 en 1900, foto uit 1987 Algemene begraafplaats aan de Putseweg, gebouwd tussen 1800 en 1900. Foto uit 1987 (bron: BHIC)

De Katholieken hebben geen eigen begraafoplaats; hunne begraafplaats behoort aan de gemeente; een klein stukje ongewijde aarde dient als algemeene begraafplaats. Geneeskundige hulp wordt verleend door drie doctoren, één uit Calmpthout, en twee uit Stabroek; daar is op die manier voldoende genees- en verloskundige hulp. Sinds er een nieuw schoolhoofd is, wordt er herhalingsonderwijs gegeven; het valt nogal in den smaak.

Sinds de bouwverordening tot uitvoering der woningwet tot stand kwam, kost een arbeiderswoning plusminus f. 250 meer dan vroeger; hierdoor wordt er wel minder gebouwd dan vroeger. Ongeveer alle menschen wonen op hun eigen; om te bouwen kunnen ze in den regel voldoende kapitaal krijgen tegen 4, hoogstens 4 ½%.

Veel menschen gaan nog altijd in Duitschland werken. Vrouwen en kinderen trachten nog steeds in de mattenindustrie eenige bijverdiensten te verwerven; dat gaat tegenwoordig zeer moeielijk; de industrie gaat slecht; Engeland trekt veel minder dan vroeger; bovendien is gedwongen winkelnering ingevoerd, en blijft daardoor bijna geene verdiensten voor de vrouwen en kinderen over.

Voor ongeveer zeventig jaren werd de mattenindustrie in Putte – waar geen biezen groeien – geïmporteerd, door een huishouden uit Loon op Zand, dat zich in Putte vestigde; door de werkgevers uit Putte worden de biezen gekocht, te Zwolle en elders; het werkvolk haalt bij hen de biezen, en brengt die gevlochten terug; men krijgt dan een vasten prijs per meter.

B. en W. deelden mij nog mede, dat er geen Belgisch Putte bestaat; wanneer men den weg volgt van Putte naar België, dan ligt links van den weg een gehucht, aan Putte aangebouwd, dat tot de Belgische gemeente Capelle behoort; en rechts van den straatweg een gehucht, eveneens aan Putte aangebouwd, dat tot de Belgische gemeente Stabroek behoort. Die gehuchten liggen ongeveer een uur van de gemeenten Stabroek en Capelle.

De wethouders Stroup en Teijsen vroegen nog een particulier onderhoud, om over den burgemeester te klagen. Ik heb hen gezegd, dat ik hen niet kon te woord staan, vóór ze mij geantwoord hadden op mijn brief van 24 Maart 1908, waarin ik hen verzocht, hunne klachten schriftelijk te formuleeren.

Den 12 April 1912 kwam ik weer in Putte; ik was eerst in Huijbergen geweest, en daarna in Ossendrecht. Vanuit Roosendaal maakte ik den tocht per auto. Ik verleende audiëntie aan den pastoor, die eenvoudig zijne opwachting kwam maken, en aan den gemeentesecretaris Leijs, die door den Raad benoemd was tot gemeente-ontvanger; hij vroeg steun, dat G.S. de definitieve combinatie van die twee betrekkingen in een persoon mochten verleenen; tot nu toe was die toestemming slechts voor één jaar verleend.

Verder was ik aangewezen op den burgemeester met diens twee wethouders; de heele samenkomst verliep, zonder dat er één hard woord tusschen de heeren viel! Men klaagde sterk over de gedwongen winkelnering; vier winkeliers uit Nederlandsch Putte en vier uit Belgisch dito drijven het zaakje, zij zijn de werkgevers; zij koopen de biezen in Overijssel of elders, en geven die aan de werknemers. Iemand, die het vlechten bijzonder goed verstaat kan, een heele week hard werkende, plusminus f. 2,50 maken. Dat geld wordt in winkelwaren geleverd.

Wethouder Stroup vertelde van een kilogram reusel, dat 46 cent kostte, voor 92 cent moest worden meegenomen. Zoo was het met alles; wie het waagde, elders iets te koopen, kon geen werk meer krijgen. Ook de andere winkeliers noteerden nu hunne waren voor de overige ingezetenen wat hooger. Het is heel erg, vooral omdat minstens driehonderd vrouwen en meisjes in de mattenvlechterij werkzaam waren. Hoewel ook ’s zomers gevlochten word, is het toch vooral een arbeid voor ’s winters.

Putte, Militairen ingekwartierd bij een gezin in Putte tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1915 (WBA, Foto Archief Bergen op Zoom, BOZ001037306)Militairen ingekwartierd bij een gezin in Putte tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1915 (bron: West-Brabants Archief/ Foto Archief Bergen op Zoom)

Men ziet bijna geen Hollandsch geld in Putte; van het dorp is een derde Hollandsch tweederde Belgisch; de Hollanders gaan veel in Belgie (Antwerpen) werken, en worden daar in Belgisch geld betaald; de handel richt zich ook meestal naar Belgie; het zal daarom uiterst moeielijk zijn, het Belgische geld te verdrijven. Nadeel voor de inwoners ziet men er niet van in; als men bijv. een rijksdaalder wisselt, krijgt men vijf 1 franc stukken plus 12 ½ cent.

De menschen zitten gaarne in de herberg, hooren gaarne muziek; dansen gaarne. Er zijn minstens vijftig gelegenheden met ‘verlof’, benevens vijf vergunningen. Als er kermis is komen er minstens twintig orgels uit Antwerpen; de aanlegger eener dansgelegenheid betaalt voor vier dagen plusminus f. 70 voor zoo’n orgel. Aan B. en W. geraden eene belasting te ontwerpen op de publieke vermakelijkheden, en op die manier die orgels te treffen.

De grootste danszalen zijn in Belgisch Putte; daar komen orgels van 200 tot 300 frcs, en betaalt de ondernemer bovendien 50 frcs daags aan de gemeente. Bij zoo’n Puttesche kermis komen de menschen van uren ver uit de omgeving; het is er dan vreeselijk druk. Vroeger kwam er de beau monde uit Antwerpen; soms wel dertig rijtuigen; dat is nu gedaan.

Er is in Putte gebrek aan goede arbeiderswoningen; geraden, overeenkomstig de woningwet eene vereeniging in het belang der volkshuisvesting op te richten. Op het Gouvernement zal men de Heeren gaarne inlichten. Ongeveer 150 menschen gaan buiten de gemeente werken: hout hakken in Frankrijk, grondwerk doen in Belgie of in Duitschland.

Den 16 Augustus 1917 kwam ik weer in Putte; tevoren had ik Woensdrecht en Ossendrecht bezocht. Wethouder Teijsen is als raadslid gevallen; als zoodanig werd hij vervangen door A.G. Leijs, een broer van den Secretaris. Wethouder Leijs maakt een goeden indruk; van den Pastoor (Rijppaert) vernam ik, dat hij Leijs zeer hoog schatte; hij was kerkmeester; voorzitter van den Boerenbond. De Pastoor kende hem goed en prees hem zeer; hij is een fatsoenlijk, eerlijk man. Graaf Moretus, die sinds de oorlog in Putte verblijft, prees Leijs ook zeer; Leijs administreert reeds sinds jaren voor Moretus; hij doet dat goed.

Wethouder Stroup maakte enkele scherpe rake opmerkingen; hij moge een drijver zijn, ik geloof toch tenslotte, dat hij een open oog heeft  voor de algemeene belangen, en die naar vermogen wil dienen. De minste van het drietal is wel de burgemeester Leijs; hij was blijkbaar slecht van den loop van zaken op de hoogte, en werd voortdurend door Stroup of wethouder Leijs gecorrigeerd.

Stroup verweet hem o.a. dat hij had toegelaten, dat een aan een Belg behoorend dennenbosch ter waarde van minstens f. 600 door houtstroopers was gekapt, weggevoerd en verkocht. Men was daarmede wel een maand doende geweest. Iedereen wist het; iedereen zag het; iedereen sprak er over. En de burgemeester had niets gedaan, om dat schandaal te voorkomen.

Stroup kwam met dat verhaal voor den dag, toen ik er den burgemeester op wees, dat de veldwachter in 1916 geen enkel proces-verbaal had opgemaakt! Ik heb den burgemeester en den veldwachter zeer hard gevallen, dat zij hun plicht zóó zeer verzaakt hadden.

Putte, Eerste Wereldoorlog. Nederlandse militairen aan de Belgische grens, afgezet met prikkeldraad, in Putte, 1914 (WBa, Foto Archief Bergen op Zoom, BOZ001014127)Nederlandse militairen aan de Belgische grens in Putte, afgezet met prikkeldraad, 1914 (bron: West-Brabants Archief/ Foto Archief Bergen op Zoom)

Er wordt veel gesmokkeld; de kleine man smokkelt zonder uitzondering allemaal. Er is thans veel Duitsch geld in omloop; gevolg van het smokkelen. Het mattenvlechten is gedaan; er is thans geen afzet voor het product; vroeger ging het naar Belgie. Putte wordt nog voortdurend verlicht door Antwerpsche Gas Maatschappij. In geen jaar is er eene rekening gepresenteerd.

Den 14 October 1919 vertelde de burgemeester van Putte mij, dat wethouder Stroup overleden is. Hij, en de pastoor hadden getracht den Heer Teijsen te bewegen, zich weer voor den vacanten wethouderszetel beschikbaar te stellen; dan zoude alle reden voor partijschap uit de gemeente verdwijnen. Teijsen had zich niet willen laten overhalen; hij leeft in onmin met den wethouder Leijs, en wil met dezen niet saam werken.

De woningnood is op het moment in Putte niet groot; alle vluchtelingen zijn weg. Bovendien zijn vijftien arbeiders met hunne gezinnen naar Noord Frankrijk getrokken, aangelokt door het hooge loon, 25 frcs daags, dat daar betaald wordt; daardoor kwamen hunne woningen ledig.

Den 7den Juni 1921 kwam ik weer in Putte; tevoren had ik Wouw bezocht. Wethouder Stroup is overleden; in zijn plaats kwam een eenvoudige boer, Matheusen; hij ging er groot op, dat zijn zoon sinds vijf jaar politie-agent in Den Bosch was! Burgemeester Leijs had een lange speech opgeschreven om mij welkom te heeten, en las die met overluide stem in de kleine raadszaal/secretarie (nog steeds gevestigd in de woning van het hoofd der school) voor.

Wethouder Leijs maakte mij weer een goeden indruk; toen ik aan pastoor Rijppaart vroeg, of Leijs z.i. eventueel een ernstige candidaat voor de burgemeestersbetrekking mocht zijn, antwoordde deze ontkennend; een groot deel van de bevolking zou hem dat niet gunnen, en zich sterk tegen hem kanten. Bij een eventueele vacature moest er een vreemde burgemeester komen, dan wel: Putte moest verenigd worden met Ossendrecht.

Woningnood is er niet in Putte: de Belgen zijn weer weg; daardoor kwamen er huizen ledig; bovendien werken wel veertig menschen (deels met hun gezinnen) in Noord Frankrijk. De menschen die in Frankrijk gaan werken, komen vandaar als socialist terug; in tegenstelling met hen, die in Dusseldorf, Hamburg of Wilhelmshaven gaan werken; die leerden daar tucht en orde! Er is weinig werk in de gemeente, met huisarbeid wordt door vrouwen en kinderen een mager loontje bijverdiend: met mattenvlechten f. 0,35 en met rozenkransen-maken f. 0,80 per dag.

Voor f. 175 behandelt de doctor uit Stabroek de arme zielen en levert hun medicijnen. Gemeente krijgt nog gas uit Antwerpen; verlangt niet naar elektriciteit; heeft goed drinkwater; sluit dus niet aan bij de groote Waterleiding Maatschappij. Het distributiebedrijf van de levensmiddelen kostte plusminus f. 7.000. Aan hoofdelijken omslag wordt 6% geheven.

Het getal bierverloven is tot de helft terug gebracht; er zullen er nog ongeveer twintig zijn. Er is sinds een paar jaar een jonge geschikte veldwachter; hij doet veel dienst gezamenlijk met de marechaussee. De verhouding tusschen den Rijksveldwachter, de politietroepen en de marechaussee schijnt te wenschen over te laten.

Na weer tevoren in Wouw te zijn geweest, kwam ik op 2 Juni 1925 weer in Putte. De verhoudingen in Putte laten nog veel te wenschen over. Bij de laatste Raadverkiezing trachtte Pastoor Rijppaart eene verzoening te bewerken tusschen de leiders der diverse partijen; dat mislukte. Doordat hij onvoorzichtig had laten merken, dat hij voor de eene partij meer gevoelde dan voor de andere, wilde die andere partij niet meer van hem weten, en kwam niet meer in de kerk. De Bisschop was toen verplicht, hem te verplaatsen, en aan zijn opvolger – Pastoor Vermunt – de opdracht te verstrekken zich buiten alle plaatselijke partijen te houden.

Pastoor Vermunt gaf mij als zijn oordeel te kennen, dat Burgemeester Leijs versleten was en vervangen moest worden. Hoewel hij den wethouder Leijs een fatsoenlijk eerlijk mensch vond, meende hij, dat deze nooit burgemeester mocht worden; dat zou een ramp zijn voor Putte, omdat de overgroote meerderheid der bevolking zich tegen hem zou keren. Teijsen, de vroegere wethouder, en groote antagonist van wethouder Leijs, heeft Putte metderwoon verlaten en is naar Antwerpen getrokken.

Putte,  Machsike-Hadass. Joodse begraafplaats. Gebouwd in 1910-1924. Architect: G. Fierens, gefotografeerd in 1987 (PNB001052978).jpgMachsike-Hadass, de Joodse begraafplaats in Putte. Gebouwd in 1910-1924, gefotografeerd in 1987 (bron: BHIC)

In Putte wonen bijna uitsluitend arbeiders en ambachtslieden; voor hen is geen werk in de gemeente; zij gaan allen in Antwerpen werken op de groote havenwerken enz. Zij worden daar door de werkmeesters niet aangenomen, tenzij zij lid worden van den socialistischen bond. Bij de laatste kamerverkiezing werden in Putte meer dan tachtig socialistische stemmen uitgebracht. Langzaam maar zeker wordt heel Putte door de socialisten veroverd. Tijdens de mobilisatie hebben de Hollandsche militairen den socialistischen akker vlijtig bewerkt; ook de commiezen deden en doen in deze veel kwaad.

De Joodsche gemeenten te Antwerpen legden in Putte drie Israelitische begraafplaatsen aan. Met mattenvlechten en rozenkransen vervaardigen verdienen de vrouwen en kinderen in Putte nog steeds een heel aardig bedrag. Armoede is in Putte onbekend. Men krijgt nog steeds gas uit Antwerpen; 50 centime de kubieke meter.

Geen woningnood; vijftien gezinnen trokken naar Frankrijk, en bleven daar; hunne woningen kwamen daardoor disponibel. Geen Boerenleenbank in Putte, wel in Ossendrecht; daar wordt bijna geen geld gebracht. Er zijn bijna geen bierverloven meer; ook geen muziek meer in de herbergen. In de herbergen is niets meer te doen. Alles gaat naar Belgisch Putte, daar kost een glas bier twaalf cent minder dan in Hollandsch Putte, vooral ten gevolge van de valuta. Er is in Putte uitsluitend Belgisch geld in omloop; als iemand zijn belastingen wil gaan betalen, moet hij beginnen met zijn Belgisch geld te wisselen; dat is dikwijls moeielijk genoeg.

Boeren zijn er niet; uitsluitend arbeiders; voor eigen gebruik mest ieder gezin minstens één varken. Van Pastoor Vermunt vernam ik, dat secretaris Leijs nog veel misbruik maakt van sterken drank.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: