i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Breda
Tags:

en maakt ook deel uit van:

Atlas: Automobilisten voor 1906

De eerste automobilisten van Breda

vertelde op 19 maart 2016 om 09:29 uur

De industrialisering kwam in Breda pas relatief laat op gang. De vestigingsmogelijkheden voor de nieuwe nijverheid waren in de vestingstad beperkt, bovendien was Breda van oudsher een bestuurlijk centrum en miste het de economische dynamiek van plaatsen als Tilburg, Eindhoven, Helmond en Oss. De inwoners zagen hun Breda toch vooral als een aantrekkelijke woonplaats voor de gegoede burgerij.

Breda was anno 1900 met ruim 26.000 inwoners de derde stad van Brabant, maar aanvankelijk telde het maar weinig autobezitters: vóór 1904 waren er maar vier, tot 1906 in totaal negen. Daar zaten drie fabrikanten tussen (suiker en lucifers), drie vertegenwoordigers van het ‘oude geld’ (Luden van Heumen, Sassen, Ingenhousz-De Bruijn), voorts één ambtenaar en twee zelfstandigen die zich met hun waren richtten op de gegoede burgerij: een architect en een interieurinrichter.

Fabrikanten

Breda ontwikkelde zich rond 1900 tot een centrum van metaalnijverheid: Backer & Rueb en Etna waren toen al grote namen. Vóór 1906 maken de fabrikanten uit deze sector geen gebruik van auto’s met een rijkskenteken.

De voedings- en genotsmiddelenindustrie was in Breda ook stevig vertegenwoordigd: De Faam, Kwatta, brouwerij De Drie Hoefijzers e.d. Kennelijk hadden deze bedrijven nog geen behoefte aan gemechaniseerd transport, auto’s op hun naam zijn niet bekend.

De drie fabrikanten in Breda mét een auto hadden hun geld verdiend in de luciferindustrie (Paulson en Pauw-Gerlings) en de suikerfabricage (Meeus-Smits).

H.J.J. Pauw Gerlings, kenteken 522

Herman Jacques-Jules de Pauw-Gerlings (1872-1948), van beroep fabrikant, was zoon van de directeur van de luciferfabriek Dijkerman & Co in Teteringen. Zijn vader stond nationaal bekend als een buitengewoon slechte werkgever: de arbeiders werden uitgebuit en moesten er – als enige luciferfabriek in Nederland - werken met het levensgevaarlijke witte fosfor. Er was in 1901 zelfs een aparte wet voor nodig om daaraan een einde te maken.

In 1901 koopt Herman via autohandelaar Van der Aa in Tilburg een tweedehands Benz Comfortable. Die krijgt het      kenteken 522. Het plezier is van korte duur, een jaar later wordt de auto weer verkocht. Als in 1906 de provinciale kentekens worden ingevoerd, bezit hij (weer) een auto, nu met nummerbord N-402.

A. Paulson, kentekens 379 en 1397

In Teteringen stond nog een andere luciferfabriek, De Vlinder, het eigendom van Charles Loijens. In tegenstelling tot de plaatselijke concurrent was deze fabriek een toonbeeld van moderniteit. Technisch brein achter de fabricage was de uit Zweden afkomstige Anders Paulson (1865-1919), van beroep werktuigkundig ingenieur. Hij was ook degene die een machine ontwierp, die de lucifersdoosjes maakte en vulde. Het ontwerp werd voor veel geld verkocht aan een Duitse machinefabriek. In 1907 neemt Paulson samen met dhr. Eras de fabriek van Loijens in eigendom over.

In 1901 koopt Paulson bij handelaar Aertnijs in Nijmegen een 6,5 pk Darracq (hij krijgt het kenteken 379) en wordt ook meteen lid van de Nederlandsche Automobiel Club; niet verwonderlijk voor iemand met zijn technische achtergrond. Vermoedelijk gebruikt Paulson de auto niet alleen voor het woon-werkverkeer naar Teteringen, maar ook voor de dienstreizen naar beurzen.

Drie jaar later, in 1904, verkoopt hij de auto aan stadsgenoot A.H.M. de Bruijn. Deze krijgt ook het kenteken 379 mee. In datzelfde jaar koopt Paulson een andere auto van onbekend merk of type. Deze auto krijgt het kenteken 1397. Nadat het systeem van de provinciale kentekens is ingevoerd, krijgt deze auto het nummerbord N-801.

A. Meeus-Smits, kenteken 1884

August Stanislaus Maria Josephus (1861-1925) was de zoon van de eigenaar van de Dordrechtse suikerfabriek. Trouwde in 1892 met een dochter van het puissant rijke echtpaar Smits-Waesberghe dat onder meer eigenaar was van een van de grootste bierbrouwerijen van Nederland: De Drie Hoefijzers te Breda. August voegde bij de registratie van zijn auto de meisjesnaam van zijn vrouw toe aan zijn achternaam.

In 1905 schaft August een auto aan van onbekend merk of type, die het kenteken 1884 krijgt. De lengte van het voertuig is indrukwekkend, met 4,05 is het één van de grootste auto’s die toen in Brabant rondreden. Gezien zijn lidmaatschap van de Nederlandsche Automobiel Club moet August een echte liefhebber zijn geweest. De auto krijgt in 1906 het provinciale kenteken N-41.

Gegoede burgerij
J.J. Luden van Heumen, kenteken 511

Mors, 10 PK, Foto: WikipediaJan Jacob Luden van Heumen (1877-1935), telg uit het rijke bankiersgeslacht Luden. Erfde van zijn vader de titel Heer van Heumen. Was reeds op 17-jarige leeftijd miljonair. Kocht in 1902 grote delen van de Mookerheide en liet daar een imposant jachtslot bouwen.

In september 1901 koopt Luden van Heumen vermoedelijk via autohandelaar Aertnijs in Nijmegen een 10 pk Mors die het kenteken 511 krijgt. In 1902 verhuist hij naar Gelderland, de auto wordt dan verkocht aan de textielfabrikant Swinkels in Helmond.

 

 

B. Ingenhousz-De Bruijn, kentekens 896 en 996

Bonaventura Johannes Maria Ingenhousz (Breda 1855- Ginneken 1922) was vennoot van de firma Ingen Housz & Zn. in Breda, kassiers en commissionairs in effecten. Trouwde in 1885 met een dochter uit het rijke juristengeslacht De Bruijn, haar moeder was jonkvrouw De Roy van Zuydewijn. Vermoedelijk uit prestige-overwegingen voegde Ingenhousz de meisjesnaam van zijn vrouw toe aan zijn achternaam. Vanaf 1907 is er in Breda een wijnhandel Ingenhousz & De Bruijn gevestigd, gespecialiseerd in champagnes.

 In juli 1903 wordt bij de importeur Verweij en Lugard in Den Haag een tweecilinder Peugeot gekocht, de auto biedt plaats aan vier personen en loopt op benzine of op alcohol. Hij krijgt het kenteken 896.

In juli 1904 koopt Ingenhousz een tweede auto, merk of type zijn helaas niet bekend. Het kenteken wordt 996. Als in 1906 de provinciale kentekens worden ingevoerd, krijgt Ingenhousz nummer N-11 toegewezen.

E.C.J.H. Sassen, kenteken 1636

Eugenius Joannes Carolus Hubertus Sassen (Oosterhout 1877-Haarlem 1926), zoon van de Bossche advocaat en lid van de Provinciale Staten H.A. Sassen. Eugenius zelf was bankier in Breda.

Op 5 december 1905 krijgt hij het kenteken 1636 voor een auto. Dit kenteken vinden we op een grote Darracq (4,03 x 1,51). Dit voertuig krijgt in 1906 het provinciale nummerbord N-311. Hoewel Sassen in 1910 verhuist naar Haarlem blijft hij tot zijn dood dit kenteken voeren.

Dhr. Aertnijs, dealer van Darracq bij de woning van Sassen in Breda, 1905. Het rijksnummer is 7 (Collectie Breda's Museum, herkomst Familie Klep, Breda) Dhr. Aertnijs, dealer van Darracq bij de woning van Sassen in Breda, 1905. Het rijksnummer is 7. Waarschijnlijk kwam hij de auto showen. (Collectie Breda's Museum, herkomst Familie Klep, Breda)

De Darracq van Sassen bij zijn woning aan de Baronielaan in Breda, 1905 (Collectie Breda's Museum, herkomst Familie Klep, Breda)De Darracq van Sassen bij zijn woning aan de Baronielaan in Breda, 1905 (Collectie Breda's Museum, herkomst Familie Klep, Breda)

De Darracq van Sassen bij een onbekend buitenverblijf (Collectie Breda's Museum, herkomst Familie Klep, Breda)

De Darracq van Sassen bij een onbekend buitenverblijf (Collectie Breda's Museum, herkomst Familie Klep, Breda)

 

Middenstanders, ambtenaren en vrije beroepen
J.A. van Dongen, kenteken 1265

Jan A. van Dongen (Breda 1866-1934) vestigde zich na het doorlopen van de Akademie voor Schone Kunsten te Antwerpen in 1896 als zelfstandig architect in Breda. Hij heeft veel winkelpanden in de binnenstad ontworpen (met name in de Karrestraat), alsook villa’s en herenhuizen in de toenmalige buitenwijken. Hij is een vroeg en zeldzaam voorbeeld van een autobezitter die een vrij beroep uitoefende.

In oktober 1904 schaft hij zich een auto aan, die het kenteken 1265 krijgt. Kennelijk was het voor Van Dongen geen schande om in een auto te rijden waarvan iedereen in de kleine gemeenschap van Bredase autobezitters wist dat die eerder aan een stadsgenoot had toebehoord: Van Dongen neemt de Georges-Richard over van A.H.M. de Bruijne. De auto is inmiddels derdehands en zes jaar oud. Mogelijk heeft Van Dongen niet lang plezier gehad van de auto, want als in 1906 de provinciale kentekens verplicht worden, vraagt hij geen nummerbord aan. Pas in 1913 is hij weer in het bezit van een voertuig, dat krijgt dan kenteken N-1597.

A.J.Verhoeven, kenteken 1680

Antonius Johannes Verhoeven (Breda 1870) was evenals zijn broer Cornelis meubelmaker. Samen begonnen zij op de Veemarkt een winkel, onder de naam Gebroeders A. en C. Verhoeven, gespecialiseerd in woninginrichting. Zij leverden meubels, tapijten en behang aan de meer welgestelde burgerij.

In november 1905 laat Anton een auto registreren van onbekend merk of type, op kenteken 1680. Mogelijk werd de auto gebruikt om materiaal te vervoeren naar de villa’s en herenhuizen van hun opdrachtgevers. Vanaf 1906 krijgt de auto het provinciale nummerbord N-301.

De Georges Richard van A.H.M. de Bruijn in de werkplaats van Otten aan de Havermarkt in Breda (bron: collectie Conam)
De Georges Richard van A.H.M. de Bruijn in de werkplaats van Otten aan de Havermarkt in Breda (collectie Conam)
A.H.M. de Bruijn, kentekens 476 en 379

A.H.M. de Bruijn moet zeker aanzien hebben gehad in Breda, hij was onder andere commissaris van de Grote Societeit, een herenclub voor de betere kringen. Zijn beroep had echter minder prestige, hij begon als eenvoudig commies 3e klasse op het plaatselijke postkantoor; een eerzaam beroep maar zeker niet lucratief. Waarschijnlijk kon De Bruijn beschikken over enig familiekapitaal, want al in 1901 schaft hij – als tweede in Breda – een auto aan.

Op 14 augustus 1901 krijgt hij het kenteken 476 toegewezen. De Bruijn koopt van mevr. Lelyveld-Mess, een van de eerste vrouwelijke automobilisten in Nederland, een drie jaar oude Georges-Richard. De auto was voorzien van zowel een hand- als een voetrem en had daardoor een remweg van slechts drie meter.

De Georges Richard van A.H.M. de Bruijn (collectie Rijksmuseum)
De Georges Richard van A.H.M. de Bruijn (collectie Rijksmuseum, nr. RP-F-F21310)

De Bruijn rijdt ruim drie jaar met deze auto en verkoopt ‘m dan aan de architect en stadsgenoot Jan van Dongen.

In juni 1904 wordt wederom een tweedehandse auto gekocht, ditmaal de Darracq van stadsgenoot Paulson. Deze krijgt het kenteken 379. In 1906 krijgt deze auto het provinciale kenteken N-192.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: