i

Dit verhaal gaat over:

Locatie: Etten-Leur
Jaar: 1526
Tags:

Een lazarij in Etten

vertelde op 28 februari 2019 om 19:57 uur

Ten zuiden van Rijksweg 58, tussen de Zundertse- en Rijsbergseweg, ligt een straat genaamd Lazerijstraat. Hoe komt deze straat aan haar naam? Lazerij of lazarij betekent Leprozenhuis, een ziekenhuis voor melaatsen. Lijders aan melaatsheid, ook wel lepra genoemd, werden opgevangen, of liever geïsoleerd, in een leprozenhuis of leprozerie.

In de middeleeuwen sprak men van de ‘ziekte van Lazarus’, genoemd naar deze Bijbelse figuur, hoewel nergens in de tekst staat dat hij aan deze ziekte leed.

Nabij de Lazerijstraat moet dus zo’n leprozenhuis geweest zijn waar de bewoners die aan de ziekte van Lazarus leden, verbleven. In de middeleeuwen was melaatsheid ziekte nummer één en zo besmettelijk dat de zieken werden afgezonderd in leprozenhuizen buiten de bebouwde kom.

Bij het BHIC te ’s-Hertogenbosch bevindt zich in de Collectie Cuypers van Velthoven een voor Nederland uniek document. Het is een ordonnantie uit begin 1500 voor een dorpsleprozerie in Etten. Uniek, omdat hierin beschreven wordt hoe een leprozerie er op het platteland uitzag.

In 1567 vinden we in de archieven de vermelding: “200 roeden lands eerst ingenomen aende Lazarije”. Ook op de Caerte van de vreyheydt Etten uit 1677 die in het oude raadhuis hangt, komt de naam Lasarye voor.

In de eerdergenoemde ordonnantie wordt het Lasarishuijs van Etten als volgt beschreven:

het is een huis met een gemeenschappelijke ruimte met een open haardvuur, de enige verwarmde plaats in het gebouw. Iedere melaatse had in het gebouw een met wanden afgescheiden kamertje waarop alleen een bed stond met een deken. Helaas is verder niets bekend over dit lasarishuijs, ook niet waar het gestaan heeft.

Het bisdom Luijk, waaronder de parochie van Etten viel, was bezorgd over de onvoldoende zorg en slechte verpleging van de melaatsen door de armmeesters of het burgerlijk armbestuur ter plaatse. De directe aanleiding voor het bisdom om deze ordonnantie uit te vaardigen had ook te maken met de vraag wie voor de kosten van de verzorging moest opdraaien, het burgerlijk armbestuur van Etten of de confrèrie van de Heilige Geestmeesters van de parochie.

Om aan deze misstanden een eind te maken, werd door het vaststellen van deze ordonnantie de zorg voor deze melaatsen opgedragen aan de Heilige Geestmeesters van Etten. Dit conform de kerkelijke voorschriften van het concilie van Poitiers en de richtlijnen van Paus Clemens IV (1265-1268) die ziekenhuisopneming en verpleging van deze patiënten aanbeval.

Optocht van leprozen in een dorp, Claes Jansz. Visscher (II), 1608 (Rijksmuseum)

De Ettense ordonnantie was in acht artikelen onderverdeeld. Om voor verzorging in aanmerking te komen, moest men do

or de pastoor van de Ettense parochie gedoopt zijn. Dit om te voorkomen dat melaatsen uit andere plaatsen verzorgd moesten worden. Ook moest er streng toezicht op worden gehouden dat er geen simulanten van de verzorging misbruik maakten. Ondanks verblijf tussen de melaatsen vonden sommigen het namelijk wel makkelijk gratis gebruik te maken van kost en inwoning. De Heilige Geestmeesters van Etten stelden brood, bier (in die tijd de normale drank), hout, turf en een habijt, ook wel lazarij- of melaatsenmantel genoemd ter beschikking.

Non weigert een melaatse toegang tot klooster (miniatuur 14e eeuw)

Lijders die nog goed ter been waren, moesten allerlei huishoudelijke taken in het lasarishuijs uitvoeren. Ze moesten het huis onderhouden, zorgen voor het haardvuur, brandwacht houden en bedlegerigen, die niet meer van hun kamer konden, verzorgen.

Bezoek was toegestaan maar alleen door directe familieleden. Het was melaatsen toegestaan buiten de lazarij te bedelen. Zij mochten daarbij niet met gezonden in aanraking komen. Ook moesten ze duidelijk herkenbaar zijn. Daarom moesten ze de habijt dragen en hun komst meestal aankondigen met een ratel.

Ongehuwden mochten onder voorwaarden trouwen. Zij moesten zich dan wel buiten de lazarij vestigen en in eigen onderhoud voorzien. Ook waren er toezichthouders aangesteld. Hield men zich niet aan de regels dan mocht men als straf niet naar het haardvuur. In het ergste geval moest men de lazarij verlaten.

Als melaatsen genezen waren, moesten ze binnen een maand het Lasarishuijs verlaten. De kans op genezing was echter door gebrek aan medische kennis en deskundige verpleging erg klein. Voor de meesten was het tehuis een lijdensweg, die eindigde met de dood. Het was er eigenlijk vooral om de gezonde bevolking te beschermen.

Bronnen:
A. Hallema, "Ordonnantie voor een dorpsleprozerie te Etten in Noord-Brabant". In: Nederlands Tijdschrift Geneeskunde 101 (1957), p. 774 t/m 777.
Besters e.a., Een Aalscholver boven Zwermlaken, De straatnamen van Etten-Leur. Jubileumboek uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van Heemkundekring Jan uten Houte, Etten-Leur, 1997.

Deel dit verhaal op:
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Toevoegen als favoriet
  • Afdrukken

Reacties (1)

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman bhic zei op 26 maart 2019 om 09:56 uur

Wat een mooi verhaal Cor over melaatsheid en wat bijzonder dat er zo'n mooi archiefstuk in de collectie Cuypers van Velthoven over bewaard is gebleven.

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op: