skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Vincent van de Griend
Vincent van de Griend Bhic
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Vincent van de Griend
Vincent van de Griend Bhic

Mijn herinneringen aan Beekvliet in de jaren 1948-1954 (deel 1)

Al in de jaren '60 was ik van plan mijn herinneringen aan Beekvliet in Sint Michiels Gestel op te schrijven. Van 8 september 1948 tot 31 juli 1954 was ik daar intern en volgde er een gymnasiale opleiding die niet bij wet erkend was. Mijn boek wilde ik de titel "Gestelsche liederen" geven, dezelfde titel waaronder in 1949 een bundel poëzie werd gepubliceerd door Simon Vestdijk die in WO II in kamp Beekvliet als gijzelaar gevangen had gezeten. Maar mijn boek zou niet bestaan uit gedichten.


Luchtfoto van Seminarie Beekvliet, Sint-Michielsgestel, ca. 1950 (bron: collectie BHIC, nr. FOTOSM.1286)

Het was niet de locatie waar hij fysiek zat opgesloten waarom ik deze titel koos, maar omdat ik bij het lezen van die bundel verrast werd door het feit dat hij zijn gijzelaarschap door tal van mythologische metaforen mentaal probeerde te ontstijgen. Het was in die tijd ook dat ik "De Glanzende Kiemcel" las, een bundel lezingen over poëzie die hij op Beekvliet heeft gehouden voor medegijzelaars waarin eenzelfde behoefte aan ontstijgen herkenbaar was.

Maar nadat ik een paar bladzijden had geschreven, heb ik die in een la van mijn bureau gelegd en ze zijn er pas weer uitgekomen toen ik in het manuscript voor een boek met familiememoires voor mijn kleindochter aan die periode toe was, en ik de blaadjes uit nieuwsgierigheid heb opgezocht. Wat ik indertijd heb geschreven neem ik [behalve een paar namen en puur persoonlijke passages] hier letterlijk over. Nu er meer dan zeventig jaar zijn verstreken, zou ik bepaalde dingen vrijwel zeker anders belichten dan in de zestiger jaren.

Ik zou naar Beekvliet

Het was 1948, de maand mei. De pastoor van de Veerse parochie liet een taxi voorkomen, en nadat mijn vriendje en ik, met onze vaders, waren ingestapt, gingen we op weg naar Sint-Michielsgestel. Het was een stralende dag, en we genoten van de rit. De vorige keer dat ik een dergelijke langere autorit heb gemaakt, moet vlak vóór de oorlog zijn geweest.

De toegang tot het seminarie, een oude buitenplaats, werd gevormd door een laan, door ons in de jaren dat we er zaten "Het Laantje" genoemd, dat vanwege de slechte staat van het wegdek goed had kunnen dienen als testbaan voor de DAF-fabrieken. Toen we de brug over waren, moesten we onze opgerekte spieren weer wat samen zien te trekken om de trappen te kunnen nemen naar de hoofdingang. Daar ontving ons Frans, de portier. Twee vliegen in één klap was de reden dat hij ons niet had laten wachten. Deze man had kennelijk meer oog voor het toekomstige wee van het Bossche Bisdom dan de "pèèrse Willem" zoals wij seminaristen bisschop Mutsaers plachten aan te duiden; Frans wilde het wee zo lang mogelijk uitstellen.

Intussen waren we bij de kamer van 'meneer regent' gekomen: een hoge donkerbruine deur, kaal rond de iedere vrijdag gepoetste koperen deurklink. En ook boenwas werd rijkelijk gebruikt te oordelen naar de lucht die vanuit de vele spreekkamers de gang vulde.

"Binnen". Een enigszins astmatische uitroep die gedempt werd door het interieur van de kamer, waar we spoedig in stonden.

In de tegenoverliggende hoek, achter het bureau zat hij, de regent. Moeizaam kwam hij overeind. Het was een wijs man, leek me. Hij moest wel, maar dat begreep ik toen nog niet.

Er zal wel gepraat zijn, maar wat er gezegd werd, weet ik niet meer. Het zal wel neergekomen zijn op: "Zo, dat wij dus priester wilden worden?" En dat het twaalf jaar zou duren eer we dat zouden zijn. En of we de gebouwen ook wilden zien?" Via een trapje daalden we af in de refter. Lange rijen tafels, gifgroene tegels tot ongeveer tweeëneenhalve meter hoogte, ook rond de zuilen; uitgesleten visgraatparket op de vloer waar veel boenwas op zat om het ontbreken van de laklaag te compenseren, en op verschillende plaatsen botermopjes tegen het plafond, de gevolgen van een speciale schietsport die tijdens de broodmaaltijden beoefend werd. Met een mes in de naad onder het tafelblad en een rantsoentje margarine op het uiteinde van het mes zat het blokje van eenzesde pakje door het mes neer te drukken en los te laten in één zwiep op zijn vaste plekje.

Door de hal naar de kapel. Die herinner ik me niet goed meer omdat die tussen 1949 en 1951 verbouwd werd, en een gedeelte van de studiezaal in die jaren als noodkapel werd gebruikt. Er was kennelijk geen geschikte plek grond meer aanwezig voor een nieuwe kapel.

Door een gang met klaslokalen met een rond spionnetje in de deur, naar de studiezaal van de Figura minor, de eerste klas. De studiebanken vond ik heel goed bedacht: boven je knieën een bak met een bak ernaast. De eerste was te openen met twee deurtjes die tegelijk als schrijftafel dienden, de andere was een boekenkastje met twee planken, een net boven de grond, en een op dertig cm hoogte. Je zat op een plankje aan de voorkant van de bank achter je. Zo stonden er negentig. Ze moeten bij de verkoop veel geld hebben opgebracht: antiek is in. Vóór in de studiezaal prijkte een katheder, drie treden hoog.

Toen kwamen we op de cour. Voor de ruiten zat haast overal gaas: vóór de ramen van de studiezaal en recreatiezaal, en boven vóór die van de slaapzaal en de gang op de verdieping. Vóór de ramen van de dakkapellen helemaal boven ontbrak het: zo hoog werd niemand geacht met een bal nog ruiten te kunnen breken. We hebben het vaak genoeg geprobeerd, maar je moest scherpschutter zijn en een superschot in de benen hebben. Ook zat er gaas vóór de glas-in-loodramen van de kapel, wat me overbodig leek, omdat er een rij bomen met dichte kruinen vlak voor stond. De vierde zijde was gaasvrij. In de ramen van de latrines en het kleedlokaal (ik neem aan dat de Duitsers dit deel van het carré gebouwd hebben) zat dik glas. Boven deze laagbouw golfden de haast uitgebloeide witte kaarsen van de kastanjes. Dan ging het door de zeker een eeuw oude kastanjelaan, langs de moestuin en de sportvelden, Die waren toen nog omgeven door een rand masthout waarachter de DUW, een werklozenproject, bezig was nieuwe voetbal-en hockeyvelden aan te leggen. Zo kwamen we op het fel oplichtende grindpad langs de aula. Er stond nog van alles in opgestapeld, nee, het was er een geweldige bende: tafels, lange houten zitbanken, bedden, kasten, stro. Deze ruimte was na de oorlog nog niet voor gebruik gereed gemaakt.

Toen kwamen we aan bij de Duitse bouw met de beroemde gong, een huls van een "Dikke Berta", met een diameter van wel 40 cm.

Daar was het natuurhistorisch museum, met diorama's vol vogels, heel natuurgetrouw ingericht en met zo natuurgetrouw mogelijk geschilderde achtergronden.

Via de Duitse tuin kwamen we bij een ander gebouw, waar de slaapzalen waren voor de bovenbouw.

Op onze slaapzaal had ieder een cel. Ik zou nummer 6 krijgen: de breedte van een bed plus een kast breed, een bed plus een tafeltje met wasteiltje lang, en door een wit laken afgescheiden van de gang; een aantal verwarmingsbuizen over de voor het overige open bovenzijde."

Op mijzelf aangewezen

In de daaropvolgende maanden werden allerlei voorbereidingen getroffen. Niet alleen geestelijk leefden we naar het moment toe dat ik op internaat zou gaan, mijn moeder was druk met de aanschaf van verplichte en aanbevolen kleding; de lijst met de andere noodzakelijke artikelen werd langsgelopen; alle kleding werd van het nummer "146" voorzien; en mijn vader maakte een hutkoffer.

Het was een warme julidag in 1948 dat we naar Sint-Michielsgestel gingen om toelatingsexamen te doen. Van de reis erheen kan ik me niets herinneren. Zelfs niet of we met de trein of met de bus naar Den Bosch zijn gegaan. Wel zie ik me met mijn ouders door 'Het Laantje' lopen en weet ik nog over welke vakken het examen ging: Nederlandse taal, Rekenen, Aardrijkskunde en Geschiedenis. Voor Nederlands moest een opstel worden geschreven en waren er vragen en opdrachten bij een tekst. Het waren open vragen; de multiple-choicemethode werd pas eindjaren '70 op de scholen ingevoerd. Er is me van dit hele examen maar één vraag bijgebleven: bij het vak Aardrijkskunde wist ik niet wat ‘oude blauwe zeeklei’ was.

Een paar weken later kwam er een brief dat ik was toegelaten. Ook werd gemeld dat in verband met de kroning van koningin Juliana het studiejaar pas op 8 september zou beginnen.

Mijn ouders zullen me die eerste keer wel hebben begeleid. En in Den Bosch zullen we de bus van de Zuid-Ooster hebben genomen. Die stopte aan Het Laantje. Mijn vader zal vanaf de halte de zware koffer hebben gedragen met de spulletjes die niet vooraf met de hutkoffer waren verzonden. We liepen daar overigens niet alleen: er kwamen negentig lotgenoten op die middag binnen. Na ontvangst door de regent [de rector of directeur op andere scholen], werden we naar de slaapzaal gedirigeerd, waar ik in mijn cel de spulletjes uit mijn hutkoffer geïnstalleerd aantrof: het wasteiltje op het tafeltje, de kleren in de kast, de lakens op bed. De fris ogende slaapzaal rook naar blanke lak; de schilders hadden nog maar kortgeleden hun werkzaamheden beëindigd. De handkoffer werd uitgepakt en op de gang gezet, waarna we, mijn ouders en ik, in het gebouw op verkenning gingen. Iedere nieuwkomer had een vaste plaats in de kapel, in de studiezaal en in de refter gekregen. Na nog wat samen met mijn ouders in een ongezellige spreekkamer in het hoofdgebouw gezeten te hebben, vertrokken zij rond zeven uur. Op 24 december zou ik op vakantie naar huis gaan; in de tussentijd zouden volgens de regels mijn ouders één middag op bezoek mogen komen. Ik was dus als twaalfjarige voor gewone praktische dingen op mijzelf aangewezen: ik moest zelf bepalen welke kleren ik aan zou trekken, wanneer ik de was naar huis zou sturen, en wanneer een brief. Ik moest zelf mijn schoenen poetsen en eventueel klaarzetten voor de schoenmaker.

Daarvan was ik me niet bewust toen ik die eerste avond in bed lag, het kwam in de volgende maanden gewoon over me heen. Die eerste avond liet ik mijn tranen de vrije loop. Mijn ouders waren heel ver weg, een reis van ongeveer twee uur. Telefoon hadden ze nog niet; aan die mogelijkheid van contact heb ik in die jaren op Beekvliet dan ook nooit gedacht.


Diner ter gelegenheid van 40-jarig priesterfeest Regent Goyaert op Gymnasium Beekvliet, ca. 06-1949 (bron: BHIC / Digitale collectie Reunistenvereniging Beekvliet, nr. 1943-000042)

Mijn leven gedurende zes jaar werd vastgelegd

Het was een strak rooster waarin buiten de vakanties mijn leven gedurende zes jaar werd vastgelegd: om 6.15 u werden we gewekt door Willem, een van de knechts die met een bel de drie slaapzalen afging; na ongeveer twintig minuten werd je geacht klaar te zijn om naar de kapel te gaan, waar tijd werd besteed aan meditatie en misviering; 7.45 u. ochtendstudie; 8.30 u. gemeenschappelijk ontbijt in de refter, waarna recreatie [met vanaf het tweede jaar een kwartier verplichte ochtendgymnastiek]; vanaf 9.30 u. vier lessen met onderbreking van een kwartier na de tweede les; 12.45 u. naar de kapel, 13.00 u. diner; 13.30 u. tot 14.30 u. recreatie in welk uur tweemaal per week gesport moest worden [voetbal, hockey of volleyball; laatstgenoemde sport op de cour [speelplaats]]; vervolgens drie kwartier studie, gevolgd door twee lessen; om 16.45 u. merenda [een broodmaaltijd in mijn herinnering bestaande uit roggebrood waarbij rabarber of appelmoes als beleg werden verstrekt]; daarna recreatie tot 17.30 u., waarna twee uur studie, gevolgd door het souper en drie kwartier recreatie; om 20.30 u. een half uur studie; om 21.00 u. naar de kapel voor het avondgebed, waarna ieder naar zijn cel ging en om 21.45 u. de lampen werden uitgedraaid. Op zondag werd uitgeslapen tot 7.00 u.; dan werden er geen lessen gegeven, en was er meer tijd voor studie en recreatie. Op dinsdag en donderdag waren we 's middags tussen half drie en vijf uur vrij: iedereen in de vier laagste klassen was verplicht aan een stevige wandeling van ruim twee uur mee te doen. Wij in de Kleine Figuur [het eerste jaar] gingen dan met negentig leerlingen en een paar surveillanten op pad richting Den Dungen, Gemonde of Vught, of we maakten een wandeling over het landgoed Zegenwerp. Een paar keer per jaar hadden we campus: dan maakten we wandelingen van half twee tot zeven uur terwijl er onderweg gezorgd werd voor drinken en een broodmaaltijd die de merenda moest vervangen.

De opleiding schuurde heel dicht langs het officiële gymnasiumprogramma.

De verschillende leerjaren hadden namen die uit het verleden stamden. Achtereenvolgens heetten die: Figura minor, Figura maior, Grammatica of Etymologia, Syntaxis, Poesis en Rhetorica, gebaseerd op de verschillende aspecten van het Latijn die in de opeenvolgende jaren onder de aandacht van de pupillen werden gebracht: in het eerste en tweede jaar kwam de hoofdaandacht liggen op de naamvalsvormen van de declinaties, op de verschillende tijdsvormen van de conjugaties en op de toepassing daarvan; vervolgens kwamen in het derde leerjaar eenvoudige syntactische constructies en een eerste aanzet van de etymologie aan de beurt; in het vierde jaar werd bij het vertalen aandacht geschonken aan ingewikkelder constructies; in het vijfde jaar zouden de leerlingen zich bezighouden met poëzievormen, en in het zesde met de grote redenaars.


Studenten in de studiezaal, 25-02-1950 (foto: Fotopersbureau Het Zuiden. Bron: collectie BHIC, nr. 1633-003695)

In de praktijk begonnen we in de Grote Figuur met De bello gallico [de Gallische Oorlog van Julius Caesar] die alleen ter vertaling werd aangeboden, maar waarvan geen achtergronden werden verteld: je moest bij wijze van spreken zelf maar ontdekken dat Helvetia voor het grootste deel samenviel met Zwitserland. Van Sallustius die in de derde werd vertaald weet ik op dit moment niet meer dan dat hij de schrijver was van De coniuratione Catalinae, maar ik heb geen flauw idee waarop die samenzwering betrekking had en met wie er werd samengezworen. Later kregen we de Metamorphosen van Ovidius [wèl leuk!], De Aeneis van Vergilius, de Annales van Tacitus [lastige constructies!], redevoeringen van Cicero en de brieven van Seneca te vertalen; ook hier alles zonder of met uiterst summiere achtergrondinformatie. In de brieven van Seneca maakte de stoïcijnse levenshouding een grote indruk op mij en ik mag wel zeggen dat ik dit voor mezelf een ideale manier ben gaan vinden om in het leven te staan.   

In grote lijnen was er wel een relatie met die namen voor de verschillende studiejaren.

Het vakkenpakket week op een aantal punten af van het officiële gymnasiumprogramma.

In de Kleine Figuur bestond het uit Latijn, Nederlands, Frans, Geschiedenis, Planimetrie [Vlakke Meetkunde], Algebra en Muziek; in het tweede jaar werden daaraan Duits en Aardrijkskunde toegevoegd, en in het derde jaar Grieks en Engels. In het vierde jaar kwam er geen nieuw vak bij; in het vijfde en zesde jaar kregen we als nieuwe vakken Stereometrie [ruimtelijke meetkunde] en Natuurkunde.

De opleiding had dus a- en b-kanten, waarbij ikzelf het ontbreken van Biologie en Scheikunde achteraf als een gemis heb ervaren.

Maar terug naar mijn eerste dag op Beekvliet. Voor de eersteklassers was een paar dagen uitgetrokken om aan de nieuwe situatie te wennen. Ook kregen we te horen in welke van de drie secties we waren ingedeeld. Iedere sectie bestond uit dertig leerlingen, en ik kwam in sectie C. Op de vloer van ons leslokaal lag donkerbruin linoleum dat de nonnetjes van de huishoudelijke dienst iedere week van een dikke laag stinkende boenwas voorzagen. Afgezien van die lucht, was het geen onaangename ruimte: grote ramen aan beide zijden en van eigentijdse verfkleuren voorzien.

De meeste boeken waren tweedehands; via welk systeem de prijs werd bepaald, ben ik nooit te weten gekomen. Het geschiedenisboek heb ik aan het einde van het jaar niet doorverkocht en heb ik nog steeds in mijn bezit.

Lees ook de andere delen

Reacties (2)

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman bhic zei op 31 januari 2024 om 20:12
Bedankt Meneer Broeders, dat u ons zo sprekend meeneemt in uw belevenissen en ervaringen die u in Beekvliet hebt opgedaan. Het leek af en toe alsof ik er zelf bij was.
Joop Thuring zei op 29 februari 2024 om 14:34
Zeergeleerde Piet, na een zonovergoten dag in een roeiboot in de Biesbosch in een augustus vakantie, was het 1953 of 1954, ben ik je uit het oog verloren, helaas.
Op dit web staan veel foto's van Beekvliet met minimale achtergronden. Via mijn kennis 'van 'horen zeggen' heb ik hier en daar wat toelichtingen kunnen inbrengen.
Een bredere en diepere beschrijving over het leven op Klein seminarie 'Beekvliet' van het bisdom 's-Hertogenbosch leek mij noodzakelijk als een vorm van cultureel erfgoed. Jij hebt dat volgens mij bestande gat schitterend ingevuld; mijn complimenten en... voor mij een morele zorg minder.
Een Veerse groet, Joop Thuring

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:
Geef mij een andere som.
Doe mee en vertel jouw verhaal!